Voortgang. Jaargang 7


auteur: [tijdschrift] Voortgang


bron: Voortgang. Jaargang 7. Stichting Neerlandistiek VU, Amsterdam 1986


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 25]

Betekenis en begrip in beeldspraak, alinea-opbouw en intonatie
Arie Verhagen

Een voordracht als deze1.) begint nogal eens met een anekdote. De toehoorders begrijpen in zo'n geval direkt dat de anekdote een kapstok is, een voorbeeld voor iets van een algemenere strekking. We zijn hier tenslotte niet bij elkaar gekomen om anekdotes uit te wisselen: er zal een kwestie van een zeker belang worden aangesneden. En omdat we er ook niet van uit kunnen gaan dat onze dagelijkse levens veel konkreets gemeen hebben, zal die kwestie vast en zeker enige algemeenheid, een zekere abstraktie vertonen - niet iets, dus, dat vanzelf bijster interessant is, voor de toehoorders. Met een aardige anekdote brengt de spreker nu iets van het konkrete leven in zijn verhaal; hij laat onmiddellijk zien dat hij geen droogstoppel is en dat de nog te bespreken kwestie, ondanks de abstraktheid, eigenlijk zó uit het volle leven gegrepen is. Bovendien worden de toehoorders er misschien wel nieuwsgierig van, in de trant van: ‘Hé, een aardige anekdote, wie weet komen er meer’, of: ‘Wat voor algemeen punt moet dit verhaaltje eigenlijk illustreren?’. In dat geval heeft de spreker, al dan niet met vooropgezette bedoelingen, een klassiek retorisch effekt bereikt: hij heeft de toehoorders welwillend gestemd en hen er toe gebracht verder te willen luisteren.

 

Een voor de hand liggende manier om tegen zoiets als een inleidende anekdote aan te kijken is het te zien als een truc, beleefder gezegd: een hulpmiddel - iets dat bij de eigenlijke boodschap komt, als extraatje, of bij wijze van verpakking, maar dat in ieder geval niet zelf wezenlijk uitmaakt voor de strekking van het betoog, en dat zal ongetwijfeld vaak een korrekte karakteristiek zijn van inleidende en andere anekdotes. Maar de truc-visie komt ook in een algemene gedaante voor;2.) hij houdt dan in dat middelen waarmee verhalen en betogen, i.h.a.: teksten, zijn opgebouwd principieel gezien worden als verpakking van iets dat ook

[p. 26]

zonder die tekst bestaat, als iets extra's dat bij de ‘eigenlijke’ inhoud komt, die dan dus onafhankelijk van de tekst gekend wordt. Zo is het bijvoorbeeld een oude gedachte dat het verschil tussen woorden een weerspiegeling is van onderscheidingen in de werkelijkheid, die wij ook buiten de taal om kennen, of dat zinnen weerspiegelingen of aanduidingen zijn van gebeurtenissen of toestanden in een echte of verzonnen werkelijkheid, maar in ieder geval ergens anders dan in de betreffende tekst. Maar het is evenzeer een oude gedachte - al weet ik niet welke het eerstgeboorterecht toekomt - dat de inhoud van een tekst niet zozeer in de tekst verpakt zit, als wel erdoor opgeroepen, gekreëerd wordt, en dus niet onafhankelijk van de tekst gekend kan worden. Nu kan ik mij voorstellen dat u op dit moment bij uzelf zegt ‘Nou en?’, maar daarmee heb ik dan onmiddellijk aangeduid waarover ik het nu verder met u wil hebben; dat is namelijk de vraag wat het nu uitmaakt voor welke gedachte je kiest. Ik wil dat bespreken aan de hand van een drietal onderwerpen; de meeste aandacht zal ik besteden aan zgn. overdrachtelijk taalgebruik, beeldspraak; daarna wil ik nog ingaan, zij het veel korter, op de onderwerpen ‘alinea-opbouw’ en ‘aksent en intonatie’. Deze onderwerpen hebben in ieder geval dit voor vandaag aardige voordeel dat ze althans enigszins gespreid zijn door de Neerlandistiek, zij het dat de aandelen taalkunde en taalbeheersing aanzienlijk groter zijn dan het aandeel letterkunde, maar daarvoor moet u de verklaring zoeken in het verschijnsel van de akademische specialisatie.

 

Ondertussen loop ik het risiko dat u mij een droogstoppel vindt, omdat ik nog steeds geen anekdote heb opgedist, die mijn in abstrakto geformuleerde vraag konkreet zou kunnen illustreren. Gelukkig zal het gebied van de beeldspraak volop gelegenheid bieden om dit goed te maken, maar ik begin bij een niet direkt anekdotisch gekleurde stellingname.

 

De auteur van een recent boekje over de schrijfadviezen die in de afgelopen 40 jaar in Nederland op de markt verschenen zijn, noemt als één van de oorzaken van problemen die zich bij het begrijpen van teksten voor kunnen doen dat de ‘uitgedrukte letterlijke betekenis’ van een zin niet de ‘door de schrijver bedoelde betekenis’ is (Maureau 1983: 76). Als voorbeeld van het verschijnsel dat ‘de zinsbetekenis niet samenvalt met de door de spreker bedoelde betekenis’ (Maureau 1983: 105), voert hij o.a. op: ‘de metaforische uiting’ Jij bent een kei, waarvan de door de spreker bedoelde betekenis letterlijk weergegeven wordt met: Jij bent een geweldig persoon. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dit voorbeeld

[p. 27]

volgens Maureau niet behoort tot de probleemgevallen, maar daar is het mij nu ook niet onmiddellijk om te doen; waar het me wel om gaat, is de wijze van voorstellen die hier gebezigd wordt. Ik citeer nog even verder:

Om de door de spreker bedoelde betekenis te kunnen achterhalen moeten er voor de luisteraar allereerst tekenen zijn dat de zinsbetekenis van de uiting niet samenvalt met de door de spreker bedoelde betekenis. Bij het horen van [Jij bent een kei] [...] krijgt hij wat dat betreft duidelijke signalen. Bij het horen van [die zin] zal hij niet denken dat de spreker echt van mening is dat de toegesprokene een stuk steen is. [...]
Het is verre van gemakkelijk om aan te geven hoe de luisteraar, na geconstateerd te hebben dat [zulke zinnen] niet letterlijk moeten worden opgevat, tot de door de spreker bedoelde betekenis komt. [voetnoot weggelaten] Dat de luisteraar de bedoelde betekenissen [...] gemakkelijk kan achterhalen, lijkt echter evident.
(Maureau 1983: 105/6)

Het is duidelijk dat Maureau hier een specifiek idee verwoordt over de verhouding tussen wat ik gemakshalve nu maar noem ‘de boodschap’ van een tekst en de manier waarop de tekst in elkaar zit, nl.: de boodschap van een tekst is in beginsel onafhankelijk kenbaar van ‘de tekst zelf’. Dat is de noodzakelijke vooronderstelling van het praten over een ‘bedoelde betekenis’ die een andere is dan de zinsbetekenis. Ik zal deze visie voortaan aanduiden als de ‘twee betekenissen theorie’.3.) De tekst, en de elementen waaruit die bestaat, worden hier dus kennelijk gezien als hulpmiddelen om achter de bedoeling van de spreker te komen, en die wordt voorgesteld als iets dat op de een of andere manier onafhankelijk is van de tekst; soms drukt de tekst rechtstreeks de bedoeling van de spreker uit, maar soms is dat ook niet het geval, en dan moeten we ons extra inspannen om de ‘eigenlijke’ betekenis te achterhalen. Soms korrespondeert de zinsbetekenis rechtstreeks met de werkelijkheid, en dan hebben we ‘gewoon’ taalgebruik, soms is die onmiddellijke korrespondentie er niet, en dan hebben we ‘figuurlijk’ of ‘indirekt’ taalgebruik of zoiets, en staan we voor bijzondere interpretatie-problemen; de oplossing daarvan is maar moeilijk te formuleren, maar de alledaagse taalgebruiker komt ze toch maar schijnbaar moeiteloos te boven. In deze voorstelling van zaken is het eigenlijk maar een mysterieuze zaak dat taalgebruikers zo weinig moeite hebben met overdrachtelijk taalgebruik, en ontstaat gemakkelijk het beeld dat mensen wel over zeer bijzondere vermogens moeten

[p. 28]

beschikken die hen tot deze prestatie in staat stellen; aan de wetenschap dan de taak het geheim van deze bijzondere vermogens te ontsluieren!

 

Voor velen is dit inderdaad een aantrekkelijke voorstelling van zaken, en Maureau kan zich ook beroepen op een hedendaagse Amerikaanse taalfilosoof die bepaald wel enig gezag heeft (Searle 1979; vgl. Maureau 1983: 105). Dat dit standpunt in zekere zin dus ‘modern’ is wil echter nog niet zeggen dat het ook plausibel is, of zelfs plausibeler dan andere, oudere standpunten. In feite is het zelfs niet zo modern. Het wordt bijvoorbeeld beproken en, vooral, tegengesproken in een leerboek over stijl dat in de eerste 6 decennia van deze eeuw in gebruik was in het middelbaar onderwijs in Nederland: Stijlstudie en stijloefening van Acket en Stutterheim.4.) Het hoofdstuk over beeldspraak, van de hand van Stutterheim,5.) begint als volgt:

Eens passeerde mij in de winter een kar met hooi. Ik werd getroffen door de sterke hooilucht. Ik voelde opeens een vleug zomerweelde door mij heen en zag een groen landschap in zonneschijn onder een blauwe hemel. Toen zei ik: ‘De zomer passeert me’. Toch was 't geen zomer maar een kar hooi, die voorbijging.
Misschien had ik hiermee iets gezegd, dat nog nooit eerder door iemand gezegd was. De stijlvorm echter waarvan ik mij (overigens volkomen onbewust) bediende, was allesbehalve oorspronkelijk. Ik gebruikte beeldspraak, ik drukte me figuurlijk, overdrachtelijk, oneigenlijk uit. Het is niet toevallig dat er voor het bedoelde stijlverschijnsel zoveel verschillende termen in omloop zijn. Het is een gevolg van het feit dat dit verschijnsel verschillende kenmerken heeft en dat men het op verschillende manieren heeft trachten te typeren. De beeldspraak, of hoe men het ook noemen wil, is van alle stijlvormen het moeilijkst te begrijpen en te beschrijven.
(Acket & Stutterheim 1960: 79)

Ook Stutterheim vindt beeldspraak, overdrachtelijk taalgebruik, iets moeilijks, en hij lijkt het wat dat betreft dus eens te zijn met de ‘twee betekenissen theorie’ van Searle en van Maureau; overigens moet hier misschien wel bij verdiskonteerd worden dat Stutterheims bijzonder lijvige proefschrift handelt over ‘het begrip metafoor’. Hoe dit zij, als we doorlezen blijkt de zaak toch iets anders te liggen. Stutterheim onderscheidt twee vaak optredende misverstanden in de ‘gewone’ voorstelling

[p. 29]

van zaken, als het om metaforen gaat; het eerste is dat het overdrachtelijk gebruik van een woord met zich mee zou brengen dat ‘het woord in kwestie een geheel andere betekenis krijgt’, dus dat bijvoorbeeld vliegen, gezegd van het galopperen van een paard, ook betekent: ‘galopperen’ en niet ‘vliegen’ (Acket & Stutterheim 1960: 79). Dat is echter niet plausibel, want het zou betekenen dat vliegen in dat gebruik plotseling een heel ander woord zou zijn dat toevallig net zo klinkt als het woord vliegen dat gewoon ‘vliegen’ betekent. Er is meer over te zeggen, maar voor nu kan ik volstaan met vast te stellen dat Stutterheim het nog steeds eens is met de ‘twee betekenissen theorie’ van het duo Searle-Maureau: juist het feit dat de woorden blijven betekenen wat ze betekenen is voor de laatsten immers aanleiding om te spreken van een diskrepantie tussen zinsbetekenis en bedoeling van de spreker. Maar nu houdt de overeenkomst op, want Stutterheim is het ook met deze voorstelling van zaken oneens:

Een ander veel voorkomend misverstand naar aanleiding van de beeldspraak is het volgende. Men meent, dat hij die zich figuurlijk uitdrukt, iets anders zegt dan hij eigenlijk bedoelt. Dus: hij zégt wel vliegen, maar hij bedóélt galopperen; hij zégt wel in brand staan, maar hij bedóélt: vuurrood zijn; enz.
(Acket & Stutterheim 1960: 80).

Het eerste argument dat hiertegen ingebracht wordt is er weer een uit het ongerijmde: zeggen wat je bedoelt is toch een kenmerk van goede stijl, en zou nu een van de belangrijkste stijlvormen er echt voor zijn om te zeggen wat je níét bedoelt? Het is duidelijk dat de auteur het gewoon niet kàn geloven. Maar hij gaat er daarna ook toe over een tegenvoorbeeld te leveren, in de vorm van de volgende anekdote.

Het is jammer, maar een mens heeft zichzelf niet altijd in bedwang; hij wordt wel eens nijdig en dan zegt hij dingen die hij liever had moeten zwijgen. Hij zegt bijv. tegen een ander: ‘ezel’! Soms krijgt hij een scheldwoord terug, soms een giftige blik, soms een pak slaag. Dat hangt van die ander af. Is die ander een politieagent die je bekeurt omdat je zonder licht hebt gereden, dan krijg je er nog een bekeuring bij ‘wegens belediging van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn functie’.
Dit heeft een eerzaam burger ondervonden, die in de zoëven geschetste situatie zich dat niet bijster originele scheldwoord liet ontvallen. Het gevolg was, dat hij enige tijd later als beklaagde
[p. 30]
voor de rechtbank stond. Tegen de beschuldiging van de agent kon hij niets inbrengen. De president bracht hem het onjuiste en strafbare van zijn handelwijze onder 't oog; daarna werd hem een boete opgelegd. Hiermee scheen deze zaak afgedaan.
Onze burger echter had zich een geraffineerde wraak voorbehouden.
‘Meneer de president,’ vroeg hij ernstig, ‘dus ik mag werkelijk nooit “ezel” zeggen tegen een agent?’
President: ‘Ik meende dat dit voldoende duidelijk was geworden.’
Burger: ‘Maar ik mag toch zeker wel “agent” zeggen tegen een ezel?’
President: ‘Hiertegen zie ik geen enkel juridisch bezwaar’.
Burger (als in zichzelf, maar luid genoeg om door iedereen verstaan te worden): ‘Zo, dus ik mag wel “agent” zeggen tegen een ezel’.
Daarna stapte hij op de gehate dienaar der wet af, bleef pal vóór hem staan, en zei met veel vriendelijke nadruk: ‘Dag agent!’ - hetgeen een homerisch gelach ten gevolge had, waarin slechts de toegesprokene niet deelde.

En hierop laat Stutterheim dan onmiddellijk het volgende kommentaar volgen:

Hij hád op die ongelukkige avond niet ‘ezel’ gezegd tegen een agent; het was (althans voor hem) een ezel!
En toen ik zei: ‘De zomer passeert me’, bedoelde ik niet eigenlijk te zeggen: ‘Een kar met hooi gaat voorbij’. Neen, wat ik zei, dat bedoelde ik ook, - en wat ik bedoelde, dat heb ik ook gezegd.
Beeldspraak gebruiken we, omdat we zonder beeldspraak niet kunnen zeggen, wat we bedoelen.
Dit houdt tevens de onjuistheid in van de mening: het is mogelijk om op twee manieren, nl. een eigenlijke en een figuurlijke, een en hetzelfde uit te drukken.
Ja, in zeker opzicht doelen het letterlijk gebruikte vuurrood zijn en het overdrachtelijk gebruikte in brand staan op hetzelfde. Maar in een ander opzicht doelen ze op iets anders; en juist om dat andere is het te doen.
(Acket & Stutterheim 1960: 81)

U ziet: op dit punt staat de opinie van Stutterheim wel ongeveer diametraal tegenover wat hij een veel voorkomend misverstand noemt, maar

[p. 31]

dat desondanks ook moderne varianten kent.6.) Gezien mijn presentatie zult u al wel begrepen hebben dat mijn sympathie geheel aan de kant van Stutterheim is. Het standpunt van de diskrepantie tussen bedoelde betekenis en letterlijke betekenis maakt het verschijnsel beeldspraak eigenlijk tot een mysterie; het is op z'n best versiering, en die kan dan nog lastig zijn ook, omdat de hoorder zich extra in moet spannen om de ‘echte’ boodschap te achterhalen, en daarbij loopt hij uiteraard het risiko zich te vergissen. Deze voorstelling van zaken, die intuïtief al niet plausibel is, ontdoet beeldspraak ook nog eens van alle aardigheid: het gaat er bij goede beeldspraak, beeldspraak die ons treft, toch juist om dat dat bepaalde beeld opgeroepen wordt, terwijl het in de ‘twee betekenissen theorie’ zo voorgesteld wordt dat het maar een middel is, een indirekte manier om een boodschap over te krijgen in plaats van een direkte. Zo beschouwd is dit meer een anti-beeldspraak-theorie.

 

Ondertussen brengt de aanvaarding van het Stutterheim-standpunt wel enige konsekwenties met zich mee. Volgens de ‘twee betekenissen theorie’ is het zo dat de werkelijkheid het eigenlijk verbiedt om ‘zomer’ te zeggen tegen een kar hooi, of ‘ezel’ tegen een agent; zegt iemand dat toch, dan kent hij of zij de taal niet, òf er wordt iets anders bedoeld dan er gezegd wordt, maar in ieder geval is er ‘afwijkend’ taalgebruik. Maar als ‘ezel’ zeggen tegen een agent gewoon is wat het lijkt te zijn, dan is er kennelijk niets in de werkelijkheid dat ons verbiedt om zoiets te doen: er is geen sprake van dat een ‘objektieve’ struktuur van de werkelijkheid waarin agenten geen ezels zouden zijn, iets ge- of verbiedt wat betreft ons taalgebruik, ook al betreft dat taalgebruik diezelfde werkelijkheid. Omgekeerd betekent het echter ook dat we ons niet achter een vermeende struktuur van de werkelijkheid kunnen verschuilen om de konsekwenties van wat we zeggen te ontlopen: heb je eenmaal ‘ezel’ gezegd tegen een agent, dan kun je achteraf niet zeggen ‘Ja, maar het was toch duidelijk dat ik niet kon bedoelen wat ik zei, want iedereen weet toch dat agenten geen ezels zijn?’, zoals je ook niet kunt zeggen dat je niet aan je woord gehouden hoeft te worden omdat je je vingers achter je rug gekruist had. De ‘twee betekenissen theorie’ zet de deur naar deze in zekere zin immorele houding eigenlijk wagenwijd open.

 

Ook in een meer beschrijvende zin maakt de standpuntbepaling nogal wat uit: in de Stutterheim-visie is er eigenlijk geen sprake van een mysterieus vermogen van mensen om iets anders te bedoelen en te begrijpen dan wat er gezegd wordt; dat is de konsekwentie van de stelling dat dit verschil niet bestaat. Bijgevolg kan er geen sprake van zijn dat de hoofdtaak, of

[p. 32]

zelfs maar een neventaak, van de taalwetenschap zou bestaan in de ontsluiering van dit raadselachtige vermogen. In plaats daarvan komt de nadruk veel meer te liggen op de beschrijving van de betekenis van woorden en uitdrukkingen zelf: er is niet een of ander alchemistisch procédé waarmee luisteraars uit het lood van wat er gezegd wordt het goud maken van wat er bedoeld wordt, maar het gaat er om te formuleren hoe taalelementen in het maatschappelijk verkeer funktioneren, en dat op zo'n manier te doen dat uiteenlopende konkrete toepassingen, inklusief de ‘metaforische’, met behulp van die betekenisformuleringen begrepen kunnen worden.7.)

 

Ik ben dus geneigd om bij zo'n passage als die van Stutterheim te zeggen dat het precies zo zit als het er staat, en dat er eigenlijk ook niet veel meer over te zeggen valt. Als het gaat om de standpuntbepaling is dat misschien ook wel zo, maar er kunnen toch nog onvermoede aspekten naar voren komen als we de blik over een een wat breder terrein laten gaan. Wat voor plaats neemt beeldspraak bijvoorbeeld in in de taalontwikkeling? Een generatiegenoot en inspiratiebron van Stutterheim, de onlangs overleden Reichling, had daar een uitgesproken mening over, in ieder geval in bepaalde passages in zijn boek Het Woord; op een gegeven moment verzoekt Reichling zijn lezer zich voor te stellen dat een jongetje, luisterend naar de - om het met Stutterheim te zeggen - ‘niet bijster originele’ naam Jantje, leert dat zijn middageten pap heet. Ik citeer, met enige aanpassingen:

We veronderstellen nu b.v. dat de betekenis van dat jonge woord is: een zeker dik-vloeiend en eetbaar iets. Het woord pap is nu toepasselik op elke waargenomen, voorgestelde of gedachte pap, zolang die pap nog als pap gekend wordt. De pap kan allerlei kleur- en smaakveranderingen ondergaan: geen nood, pap is er op toepasselik. [...] Ondertussen krijgt de jongeman te doen met stroop. Hij ziet de bruine substantie van 'n lepel dalen, en vraagt om 'n beetje van die pap. Hij vergist zich volstrekt niet, hij gebruikt ook geen geniale metaphoor en hij is helemaal niet ‘leuk’; hij gebruikt alleen maar z'n woord pap op 'n wijze waarop volwassenen dat nu eenmaal niet gebruiken. [voetnoot weggelaten] Hij staat voor een moment van willekeur in de samenleving. 't Ligt niet aan zíjn woord pap, dat hij ongelijk heeft, maar híj heeft ongelijk omdat de volwassenen nu eenmaal voor sommige vormen van eetbare dik-vloeiendheid een ander woord gemaakt hebben: stroop. Waarom spreekt moeder niet van bruine pap of

[p. 33]

blinkende pap? Ligt dat aan 't feit dat stroop stroop is? We wensen het niet te geloven. In ieder geval: moeder leert onze jonge man, dat deze bruine eetbare dikvloeiendheid stroop heet, en de zaak is weer in orde.
(Reichling 1967: 327).

Alvorens het pap-verhaal van Reichling verder te volgen, vestig ik even de aandacht op twee dingen: het eerste is dat Reichling uitdrukkelijk stelt dat het niet de struktuur van de werkelijkheid kan zijn die ten grondslag ligt aan het onderscheid tussen de woorden pap en stroop - dat lijkt mij in ieder geval een punt van overeenkomst tussen hem en Stutterheim; het tweede is dat het zeggen van pap tegen stroop door een jongetje volgens Reichling geen metafoor is, maar slechts wat je zou kunnen noemen ‘inkonsistentie’ tussen zijn woordgebruik en dat van de volwassenen. Gaan we dan nu verder met Reichlings verhaal.

 

Bij het groter worden leert de ten tonele gevoerde jongeman nog meer gebruikswijzen van het woord pap, bijvoorbeeld dat het toepasselijk kan zijn op behangerslijm. En het slot van de avonturen van Jantje beschrijft Reichling als volgt:

Als 't zomer is, logeert hij tussen de bietenvelden van Westbrabant. 't Is een natte zomer, en als hij, na 'n dag van stortregen, 's avonds met z'n oom 'n eindje zal omlopen, zegt hij opeens lachend, terwijl ze voorzichtig over een grasrandje langs de diep-doorweekte modderweg stappen: Ome, pap! Jantje heeft een metaphoor gebruikt; hij lacht, omdat de onderscheiding der eetbaarheid, die hij in z'n hoofdje in pap denkt, nou net helemaal niet op deze dik-vloeiendheid slaat. Jantje is een gannef, die nog wel 'ns 'n goed opstel zal schrijven. Hij heeft z'n woord pap gebruikt zó, dat van zijn pap-betekenis, maar enkele onderscheidingen toepasselik zijn, en andere [...] niet. Jantje weet dat modder geen pap is, en daarom vindt-ie 't leuk 'm pap te noemen.
(Reichling 1967: 328).

Volgens Reichling verschilt het laatste geval dus duidelijk van het eerste: pap zeggen tegen stroop was geen metafoor, omdat Jantje alle elementen van de betekenis van zijn woord pap - zoals die op dat moment bestond - korrekt toepaste op de substantie die van de lepel daalde: het was dik-vloeiend en eetbaar. Maar pap zeggen tegen modder was wèl een

[p. 34]

metafoor, omdat Jantje slechts het element ‘dik-vloeiendheid’ in de betekenis van pap kon toepassen op de zaak in kwestie, en niet het element ‘eetbaarheid’. Ondanks het feit dat Reichling hier en elders er op hamert dat de werkelijkheid geen normen voor het taalgebruik verschaft, blijft beeldspaak bij hem zo toch wel een kwestie van in zekere zin afwijkend taalgebruik. Maar de vraag is op welke grond het ene gebruiksgeval wel en het andere niet metaforisch genoemd wordt. Zoals Reichling het formuleert lijkt het er van af te hangen of Jantje het woord pap al dan niet metaforisch bedoelt; maar hoe weet je wat iemand bedoelt onafhankelijk van wat hij zegt? Trappen we zo toch niet weer in de val van het losmaken van letterlijke en bedoelde betekenis? En is er eigenlijk wel sprake van wezenlijk verschillend gebruik van de taal in de twee beschreven situaties?

 

Laat ik voorop stellen dat ik niet wil bestrijden dat de twee situaties van elkaar verschillen op de manier die Reichling beschrijft. Maar het lijkt me de vraag in hoeverre we bereid zouden zijn hem er gelijk in te geven dat pap zeggen tegen stroop geen metafoor is, als hij de situatie niet zo konkreet beschreven had. Als hij alleen maar geschreven had: ‘Iemand zegt pap tegen stroop: is dit nu een metafoor of niet?’, zou het niet zo duidelijk zijn geweest wat het antwoord moest zijn. En evenzo vraag ik me af of we voetstoots aan zouden nemen dat er sprake was van een metafoor en niet van foutief taalgebruik, als we alleen maar de informatie kregen dat iemand pap zei tegen modder. Kortom: het is wel waar dat we het ene geval metaforisch noemen en het andere niet, maar dat is bepaald niet alleen een beoordeling van het taalgebruik in kwestie, maar vooral van de totale situatie - inklusief dat taalgebruik, maar zeker ook inklusief andere aspekten, zoals het feit dat Jantje zich in het eerste geval kennelijk nog erg in het beginstadium van taalverwerving bevindt. Waarnemers van die situatie, waarvan het gebruik van het woord pap een onderdeel is, komen tot de interpretatie die Reichling beschrijft, omdat die zin verleent aan de verschillende onderdelen van de situatie, inklusief het taalgebruik, met name in die zin dat Jantjes moeder een praktische konklusie kan trekken over wat haar nu te doen staat, namelijk haar zoon een nieuw woord leren. Maar als een volwassene pap zou zeggen tegen stroop, zouden we vermoedelijk tot een andere interpretatie komen, omdat de interpretatie ‘de spreker kan nog niet weten dat hier een apart woord voor is’ in strijd is met de aanname dat de spreker geacht wordt een volwaardig lid van de taalgemeenschap te zijn - althans zolang het tegendeel niet is bewezen. En evenzeer geldt dat als Jantje pap had gezegd tegen modder toen hij nog heel klein was en voor het eerst na

[p. 35]

een regenbui buiten speelde, de niet-metaforische interpretatie zeer wel verdedigbaar zou zijn. Eigenlijk zou ik het nog wel sterker willen zeggen: vanuit het perspektief van de waarnemende volwassen taalgebruiker is er eigenlijk niets tegen om, als dat voor hem/haar in de kontekst zinvol is, ook het gebruik van pap voor stroop als metaforisch te interpreteren, als we maar niet aan Jantje de bedoeling toedichten een metafoor te produceren; de neiging tot glimlachen die in zulke situaties optreedt hoeft echt niet onderdrukt te worden - behalve dan misschien uit pedagogische overwegingen: de ervaring leert dat het nogal lastig is om in zo'n geval een bevredigend antwoord te geven op de vraag van het kind: ‘Waarom lach je nou?’.

 

Bij de kwalifikatie van taalgebruik als al dan niet metaforisch is de rol van degene die die kwalifikatie verstrekt - degene die voor de taak staat een konsistente interpretatie van een situatie te maken, waar praktische konklusies uit getrokken kunnen worden - dus niet weg te denken. Er is eigenlijk helemaal geen reden om bij taalgebruikers speciale psychische processen te veronderstellen die verschillend zouden zijn bij letterlijk versus figuurlijk taalgebruik.8.) Jantje heeft het woord pap ongetwijfeld geleerd in verband met een konkrete situatie, speciaal in verband met een specifieke, konkrete pap. Als hij vervolgens ditzelfde woord gebruikt voor andere konkrete pappen, die anders smaken, koud zijn in plaats van warm, en geel in plaats van wit, dan kun je zeggen dat hij de (voor hem) ‘oorspronkelijke’ betekenis van pap telkens overdraagt op nieuwe gevallen, dus ‘overdrachtelijk’ gebruikt. Het valt ons alleen niet op, noch als fout, noch als metaforisch, omdat deze betekenis-overdracht in overeenstemming is met de maatschappelijke praktijk van het woordgebruik; we zeggen dat Jantje kennelijk de betekenis van het woord geleerd heeft. Wat hij doet wanneer hij pap zegt tegen stroop is dus inderdaad heel gewoon, zoals Reichling stelt: hij probeert namelijk telkens het meest passende woord in een bepaalde situatie te vinden. Maar gezien de gewoonheid van dit proces van betekenis-overdracht is er ook geen reden om bij gevallen die ons wèl opvallen een afwijkend psychisch procédé bij de spreker of schrijver te veronderstellen. Evenmin is het nodig of zinvol om afwijkende, extra, psychische procédé's aan te nemen bij hoorders die beeldspraak begrijpen; het bijzondere van metaforisch taalgebruik zit 'm niet in procédé's waarmee we van de ene, zogenaamd letterlijke interpretatie zouden toeredeneren naar een andere, de bedoelde interpretatie, maar het zit 'm in de inhoud zelf van de ene interpretatie die gekonstrueerd wordt: het feit dat het zinvol is, voor de interpretator, om in een konkrete situatie bepaalde met het gebruiken van pap verbon-

[p. 36]

den eerdere ervaringen op een andere manier tot gelding te brengen dan anders. In de ‘twee betekenissen theorie’ komt dan pas een heel circus van redeneringen op gang, maar in de Stutterheim-visie, zoals ik die hier nu interpreteer, gaat het er om die konkrete interpretaties te formuleren, niet meer, maar vooral ook niet minder.9.) Zo zou je, zonder nu meteen een universele karakteristiek te willen geven van ‘metaforische’ versus ‘niet-metaforische’ interpretaties, kunnen zeggen dat je in de besproken gevallen bij de metaforische interpretaties iets extra's leert (soms meer, soms minder) over de situaties waarin de uitingen in kwestie optreden - méér dan zonder de metafoor het geval zou zijn, terwijl bij gebruik van pap voor stroop door een taalverwervend kind zo'n ‘meerwaarde-interpretatie’ minder zinvol is, zeker als een andere interpretatie (‘Jantje moet een nieuw woord leren’) zinvoller is.

 

We zijn intussen wel ver verwijderd geraakt van het standpunt van waar we gestart zijn; dat was nl. dat beeldspraak gekarakteriseerd werd als een geval van diskrepantie tussen twee interpretaties, de bedoelde en de letterlijke, en als zodanig als taalgebruik dat afwijkt van een norm. Het zou op zichzelf zeker interessant zijn om nu door te gaan met een bespreking van de rol van betekenis-overdracht in andere sferen van taalgebruik, bijvoorbeeld de wetenschappelijke. Maar liever wil ik nog eens een paar algemene konklusies op een rijtje zetten en dan zien wat voor licht die kunnen werpen op geheel andere aspekten van taalgebruik. De konklusies waar het me vooral om gaat heb ik al eerder onder woorden gebracht: de inhoud van een stuk taalgebruik is niet een werkelijkheid buiten dat taalgebruik, maar je roept met taalgebruik een werkelijkheid op, je kreëert hem. Enige veronderstelde ‘objektieve’ struktuur van de werkelijkheid stelt in feite helemaal geen normen (beperkingen of eisen) aan taalgebruik. Dat betekent dat je geen beroep kunt doen op de aard of de struktuur van de werkelijkheid waar je over praat, en ook niet op je ‘eigenlijke bedoelingen’, om eventueel konsekwenties te ontlopen van wat je zegt of schrijft: je bent vrij om te spreken en te schrijven zoals je wilt, maar daar ben je dan ook verantwoordelijk voor. Een misschien iets minder morele kwestie, maar in feite precies hetzelfde, is dat je je ook niet op de struktuur van de werkelijkheid of zoiets kunt beroepen als je niet begrepen wordt. Dat valt aardig te illustreren aan de hand van het volgende verschijnsel. Bekijk deze serie zinnen eens.

In toenemende mate wordt behoefte gevoeld aan een uniforme
[p. 37]
regeling voor het toelaten van honden in parken, waarop in bijgaande nota nader wordt ingegaan.
In de nota is het commentaar van de afdeling Natuurbeheer verwerkt met uitzondering van het door deze afdeling voorgestelde uitgangspunt.
De afdeling Recreatie is uitgegaan van de vrije toegankelijkheid - ook voor de hond - met uitzondering van nader aan te wijzen gebiedsdelen.
De afdeling Natuurbeheer is van oordeel dat de bewegingsvrijheid van de hond moet worden beperkt, met uitzondering van daartoe aangewezen zones.
Over deze lijnrecht tegenover elkaar staande uitgangspunten zal een uitspraak moeten worden gedaan.
De nota zal in de directievergadering van de Park- en Plantsoenendienst worden behandeld en worden vrijgegeven voor nader overleg met alle betrokkenen.
De uit dit overleg voortvloeiende opmerkingen en aanvullingen zullen in de nota verwerkt worden.
Tenslotte zal de nota weer aan de directie worden voorgelegd teneinde te worden vastgesteld.
(Bron: Renkema 1982, p.17/18)

Als het u ontgaat wat de strekking van dit geheel is, kan ik u geruststellen: dat is ook precies de bedoeling. Dit stukje is afkomstig uit de Schrijfwijzer van Renkema, en het is bedoeld als voorbeeld van hoe alinea's niet opgebouwd moeten worden. De fout die hier gemaakt wordt is ten eerste dat elke zin ook zelf een alinea is, en ten tweede dat er ook niet door middel van woorden is aangegeven hoe er verbanden tussen de zinnen gelegd moeten worden. Daardoor staan ze allemaal a.h.w. op hetzelfde nivo; het zijn vrijwel gelijkwaardige mededelingen naast elkaar, wat ook tot uitdrukking kwam bij het voorlezen, toen ik alle zinnen vrijwel hetzelfde simpele intonatie-patroon meegaf. Ik kom daar straks nog op terug.

 

Dit is weliswaar een extreem voorbeeld, maar het is wel een fout die bijzonder veelvuldig optreedt. En als je er nu met de auteur van de betreffende tekst over spreekt krijg je in eerste aanleg ook heel vaak een zelfde soort reaktie. De leraar, redakteur, of schrijfadviseur heeft nl. zijn (of haar) best gedaan om meer te begrijpen dan er staat, en met name om verbanden tussen de verschillende onderdelen van de tekst te zien, en op grond daarvan levert hij zijn kommentaar; hij zegt dan

[p. 38]

bijvoorbeeld: ‘Bedoel je soms dat er een tegenstelling bestaat tussen zin A en zin B? Zo ja, dan kun je dat maar beter ook aangeven’. Een vaak voorkomende reaktie van de skribenten is nu ‘dat het er eigenlijk toch wel staat’ en ‘dat je zó ook wel begrijpt dat er sprake is van een tegenstelling’, omdat de beschreven situaties als zodanig aan elkaar tegengesteld zouden zijn. Soms wordt de reaktie nog overgoten met het ideologische sausje dat het toch wel goed is als de lezer ook nog iets te doen heeft. Een reaktie van dit type is echter gebaseerd op een misverstand, en dat kan eigenlijk het best geïllustreerd worden aan de hand van een minimaal herschreven versie van deze tekst:

In toenemende mate wordt behoefte gevoeld aan een uniforme regeling voor het toelaten van honden in parken, waarop in bijgaande nota nader wordt ingegaan.
In de nota is het commentaar van de afdeling Natuurbeheer verwerkt met uitzondering van het door deze afdeling voorgestelde uitgangspunt. De afdeling Recreatie is namelijk uitgegaan van de vrije toegankelijkheid - ook voor de hond - met uitzondering van nader aan te wijzen gebiedsdelen. De afdeling Natuurbeheer daarentegen, is van oordeel dat de bewegingsvrijheid van de hond moet worden beperkt, met uitzondering van daartoe aangewezen zones. Over deze lijnrecht tegenover elkaar staande uitgangspunten zal een uitspraak moeten worden gedaan.
De nota zal daartoe allereerst in de directievergadering van de Park- en Plantsoenendienst worden behandeld en worden vrijgegeven voor nader overleg met alle betrokkenen. De uit dit overleg voortvloeiende opmerkingen en aanvullingen zullen vervolgens in de nota verwerkt worden. Tenslotte zal de nota weer aan de directie worden voorgelegd teneinde te worden vastgesteld.

Ik wil niet zeggen dat er in woordkeus en zinsbouw niet meer te verbeteren zou zijn aan deze tekst. Desondanks is deze versie toch al veel begrijpelijker dan de eerste, en dat terwijl de verschillen minimaal zijn: er zijn zinnen bij elkaar gezet met een groepering in drie alinea's als resultaat, en er zijn in totaal vijf woorden toegevoegd, t.w.: namelijk, daarentegen, daartoe, allereerst en vervolgens. Het punt is nu dat deze woordjes eigenlijk niets toe of af doen aan de relatie tussen de zinnen waar ze in staan en een of andere buitentalige werkelijkheid waar ze op zouden moeten slaan, in ieder geval niet in die zin dat ze een andere werkelijkheid weerspiegelen: een weerspiegeld stukje werkelijkheid

[p. 39]

verandert niet doordat je er van zegt dat het in tegenstelling gezien moet worden tot een ander stukje werkelijkheid. Wat wèl zinvol is om te zeggen, is dat deze tekst een andere werkelijkheid oproept, een werkelijkheid met meer struktuur namelijk, waarin de elementen opgenomen zijn in grotere gehelen, en waarin zinvolle verbanden bestaan tussen verschillende onderdelen. De konklusie kan geen andere zijn dan dat ‘begrijpen’ kennelijk niet zoveel te maken heeft met de vraag of je ziet welk stukje werkelijkheid er weerspiegeld wordt, maar wel heel veel met de vraag of je zin en samenhang kunt verlenen aan de in de tekst opgeroepen werkelijkheid.

 

Natuurlijk is het zo dat een lezer er in konkrete gevallen met meer of minder inspanning in kan slagen om zin te geven aan een losse reeks gebeurtenissen die een schrijver hem presenteert, maar daarover zou ik dan twee opmerkingen willen maken, een praktische en een meer theoretische. De praktische opmerking is dat dat wel waar kan zijn, maar dat die zingeving dan niet of nauwelijks gebeurt naar aanleiding van de gebezigde taal. De producent van de tekst in kwestie kan zich dus nergens op beroepen wat de interpretatie van de tekst aangaat, en als hij met die tekst een bepaald zakelijk doel had, loopt hij grote kans niet te slagen. Omdat gebeurtenissen en toestanden niet van zichzelf een bepaalde zin hebben, heeft de schrijver dan in feite helemaal geen aanwijzingen verschaft omtrent zin en samenhang. Het misverstand waar ik het eerder over had komt er dus op neer dat de skribent in kwestie denkt dat de zin van gebeurtenissen die hij weergeeft op de een of andere manier in die gebeurtenissen zelf zit.

 

De meer theoretische opmerking hangt hier nauw mee samen. Het kan op zichzelf wel interessant zijn om te zien hoe mensen aan losse reeksen gebeurtenissen zin verlenen, maar vanuit de taalkunde gezien is eigenlijk alleen maar interessant wat de gebruikte taal er nu toe doet, wat die uitmaakt voor het begrip van een tekst. En dan zegt het bepaald veel dat zulke woorden als namelijk en daarentegen zo sterk van invloed zijn op de begrijpelijkheid van een tekst; kennelijk komt het er bij taalgebruik niet zozeer op aan dat je een stuk werkelijkheid korrekt weergeeft of ziet (als spreker, resp. hoorder), maar wel dat je in een konkrete situatie een bepaalde zin kunt verlenen aan wat er gezegd wordt. Daarmee is ook het verschil tussen de twee versies van de honden-tekst nader te omschrijven: in het tweede geval wordt de lezer veel meer in staat gesteld praktische konsekwenties te zien in de tekst: er is een keuze-probleem aan de orde in de tweede alinea, en er wordt een

[p. 40]

procedure aan de hand gedaan om dat op te lossen in de derde. Afhankelijk van het belang dat je als lezer hebt bij de zaak in kwestie - als voorzitter van een vereniging van hondenbezitters, of als lid van de kommissie voor de groenvoorzieningen in de gemeente - kun je nu een beslissing nemen over hoe je nu verder zult handelen. Het gevoel dat je de tekst begrepen hebt, komt voort uit de omstandigheid dat je in staat bent praktische konsekwenties te trekken, niet uit het feit dat je ziet welke gebeurtenissen er weergegeven worden.10.) Voor de taalkunde betekent dat dat uitspraken over de ‘waarheid’ van zinnen volstrekt niet samen kunnen vallen met uitspraken over de betekenis van taaluitingen, maar daar op z'n best een bescheiden onderdeel van vormen; een zelfde gedachte, kortom, als ik eerder naar voren bracht in verband met beeldspraak.

 

Overigens worden woordjes als namelijk en daarentegen in de handboeken over schrijven i.h.a. ‘struktuuraanduidingen’ genoemd (vgl. Renkema 1982: 17); strikt genomen zouden ze dus beter ‘struktuuraanbrengers’ kunnen heten, omdat de betreffende struktuur er, taalkundig gesproken, gewoon niet is zonder dergelijke elementen. Iets dergelijks geldt voor intonatie en aksentuatie in gesproken taal, en daarmee kom ik op mijn laatste onderwerp.

 

Geschreven taal wordt in het algemeen gezien als de neerslag op papier of beeldscherm van gesproken taal; over deze visie is heel wat op te merken, maar het heeft in ieder geval vaak dit vervelende gevolg, dat aksent en intonatie gezien worden als extraatjes bij de ‘eigenlijke’ inhoud van een zin; immers, zinnen op papier hebben in het algemeen geen aanduidingen van aksent en intonatie, en desalniettemin kun je ze over het algemeen best begrijpen en zelfs voorlezen. Toch is het niet zo dat de aksentuatie en intonatie echt eenduidig vastliggen voor een gegeven geschreven zin, zelfs niet in een specifieke kontekst.11.) Je kunt dan ook beter zeggen dat de aksentuatie en intonatie die je realiseert bij het voorlezen, indikaties verschaffen van je interpretatie van de tekst. M.a.w., met aksent en intonatie breng je ook een bepaalde struktuur aan in de inhoud van een tekst, net zoals woorden als daarentegen struktuur aanbrengen. In (1) staat een grafische weergave van de manier waarop ik de derde en vierde zin van de voorbeeldtekst voorlas:

[p. 41]

(1)

illustratie

Bij deze intonatie hebben de meeste van de zogenaamde inhoudswoorden een aksent en worden alle aksenten gerealiseerd door een stijging plus daling van de toon in dezelfde lettergreep. Deze intonatie heeft de naam al gauw ‘saai’ te zijn (Keijsper 1984: 26), en niet ten onrechte, geloof ik. Dat is verklaarbaar vanuit de funktie van aksent in het algemeen en deze aksenten, die vanwege de grafische weergave ‘punthoedjes’ heten, in het bijzonder. Van een aksent kun je zeggen dat het de inhoud van het geaksentueerde woord opvoert als een alternatief voor iets, d.w.z. dat er speciaal een keuze gemaakt wordt voor dit inhoudselement.12.) De aksentuatie van de tweede zin zegt nu niets anders dan dat de inhoudselementen Natuurbeheer, oordeel, bewegingsvrijheid, hond, beperkt, uitzondering, aangewezen en zones allemaal ‘gekozen’ zijn, zonder dat er speciale verbanden bestaan en zonder dat er een ‘hiërarchie’ in die keuzes zit.13.) Dat is heel anders in een andere mogelijke aksentuatie en intonatie van dezelfde geschreven zinnen die is weergegeven in (2) - waarbij de uitspraak van de eerste zin (ongeveer) hetzelfde is als in (1):
(2) De afdeling Recreatie is uitgegaan van de vrije toegankelijkheid - ook voor de hond - met uitzondering van nader aan te wijzen gebiedsdelen.

illustratie

Kennelijk in verband met aksent en intonatie kan in de zo uitgeproken tekst gemakkelijk een idee van tegenstelling gezien worden, ook zonder dat het woord daarentegen er in staat. Het eerste belangrijke verschil

[p. 42]

met (1) is dat in deze uitspraak er veel minder elementen geaksentueerd zijn: nu worden alleen de elementen Natuurbeheer en beperkt uitdrukkelijk opgevoerd als alternatieven voor iets, als gekozen. In dit geval leidt dat tot een sterkere integratie van de zinsinhoud in de tekst, omdat andere elementen, bijv. bewegingsvrijheid, nu niet gedacht hoeven te worden als nu speciaal uitgekozen; bijgevolg kan dat idee op één lijn gesteld worden met het idee van ‘vrije toegankelijkheid’ in de vorige zin. Die interpretatie levert duidelijk een koherenter geheel op dan wanneer je het idee van ‘bewegingsvrijheid’ opvat als nu weer apart uitgekozen. Met de intonatie van (2) is er daarom meer samenhang in de tekst. Een ander aspekt betreft het feit dat de aksenten hier geen punthoedjes zijn, maar dat het ene aksent stijgend is en het andere dalend - in de beeldspraak van de fonetici: we hebben hier te maken met een ‘platte hoed’ - en dat de toon tussen de twee aksenten in, hoog is. Dit laatste brengt een element van ‘spanning’ in de uiting: de hoge toon, beginnend bij het stijgende aksent, geeft uitdrukkelijk te kennen dat er nog iets komt, dat de tot nu gekonstrueerde betekenis verbonden moet worden met iets dat nog komt. Die spanning wordt ‘opgelost’ bij het dalende aksent:14.) daar hebben we het element waarmee het eerste kennelijk speciaal verbonden moet worden. Daardoor is het niet alleen zo dat de geaksentueerde elementen speciaal opgevat worden als alternatieven voor iets: ‘Natuurbeheer’ voor ‘Recreatie’ en ‘beperkt’ voor ‘vrij toegankelijk’, maar ook dat ze in samenhang een alternatief zijn. En in dit geval kun je inderdaad ook heel goed zeggen dat het gedeelte dat overspannen wordt door het stijgende aksent, de hoge toon, en het dalende aksent, als geheel een alternatief is voor iets, de tegenpool namelijk van het liberale standpunt van de afdeling Recreatie. Op die manier wordt duidelijk dat er sprake is van een konflikt, van een kwestie dus waarin gehandeld moet worden. Het geheel krijgt zin, en er is geen sprake meer van losse stukjes werkelijkheid.15.) Ook hier zie je dus weer dat aspekten van taalgebruik die van evident belang zijn voor ons begrip van dat taalgebruik, niet zozeer betrekking hebben op de vraag ‘Wat is het stukje werkelijkheid waarop dit stukje taal slaat?’ maar wel op de vraag: ‘Wat is het praktische punt van dit stukje taalgebruik?’, ‘Wat moet iemand er mee?’.

 

Ik wil afronden door van dit laatste onderwerp terug te koppelen naar het eerste en naar de aankondiging voor deze bijeenkomst,16.) en wel met de volgende aansporing: gebruik je moedertaal, daar is ze tenslotte voor. Leg daarbij de aksenten vooral waar je wilt, want er is niets dat je verplicht om ze hier in plaats van daar te leggen, niets dat je dwingt, om

[p. 43]

het met een toepasselijke metafoor te zeggen, nadruk te leggen op het één en niet op het ander. Je bent slechts zelf verantwoordelijk voor wat je zegt en schrijft.

[p. 46]

Bibliografie

Acket, J.M. & C.F.P. Stutterheim
1960 Stijlstudie en stijloefening. Bohn, Haarlem (elfde verbeterde druk, bewerkt door C.F.P. Stutterheim; eerste druk 1908).
't Hart, J. & A. Cohen
1973 ‘Intonation by rule: a perceptual quest’. Journal of Phonetics 1, p. 309-327.
Keijsper, C.E.
1982 ‘Over de relatie tussen context en accentuatie’. Forum der Letteren 23, p. 31-45.
1984 ‘Vorm en betekenis in Nederlandse toonhoogte-contouren’. Forum der Letteren 25, p. 20-37, p. 113-126.
Kruyt, J.G.
1985 Accents from speakers to listeners. An experimental study in the production and perception of accent patterns in Dutch. Diss. Leiden.
Maureau, J.H.
1983 Goed en begrijpelijk schrijven: een analyse van 40 jaar schrijfadviezen. Coutinho, Muiderberg (tweede herziene druk; eerste druk 1979).
Mooij, J.J.A.
1973 ‘Metafoor en vergelijking in de literatuur’. Forum der Letteren 14, p. 121-157.
1976 A Study of Metaphor: On the Nature of Metaphorical Expressions, with Special Reference to Their Reference. North-Holland Publishing Company, Amsterdam, etc.
van Ommen, Henk, & Ellen van Kuppenveld
1986 Professionele bedrijfscommunicatie. Wolters-Noordhoff, Groningen.
Ortony, Andrew (ed.)
1979 Metaphor and Thought. Cambridge University Press, Cambridge, etc.
[p. 47]
Ortony, Andrew
1979 ‘Metaphor: A Multidimensional Problem’. In: Ortony (ed.) 1979, p. 1-16.
Reichling, Anton
1967 Het Woord: Een studie omtrent de grondslag van taal en taalgebruik. Tjeenk Willink, Zwolle (Tweede, onveranderde uitgave; eerste uitgave 1935).
Renkema, J.
1982 Schrijfwijzer: Handboek voor duidelijk taalgebruik. Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage (zesde druk; eerste druk 1979).
Rumelhart, David E.
1979 ‘Some Problems with the Notion of Literal Meanings’. In: Ortony (ed.) 1979, p. 78-90.
van Santen, Ariane
1977 ‘Monistische en dualistische metafoortheorieën?’. Forum der Letteren 18, p. 270-283.
Searle, John R.
1979 ‘Metaphor’. In: Ortony (ed.) 1979, p. 92-123.
Verhagen, Arie
1986 Linguistic Theory and the Function of Word Order in Dutch: A study on interpretive aspects of the order of adverbials and noun phrases. Foris Publications, Dordrecht.