Voortgang. Jaargang 7


auteur: [tijdschrift] Voortgang


bron: Voortgang. Jaargang 7. Stichting Neerlandistiek VU, Amsterdam 1986


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 77]

De werkelijkheid van maar
Florentine Riem Vis *

Maar is een veelzijdig woord. Het kan in vier verschillende syntactische situaties voorkomen. We gebruiken het als 1) voegwoord, 2) bijwoord,3) modaal partikel en 4) substantief. Hier volgt van elk een voorbeeld:

(1) Dat licht is niet rood, maar oranje

Het maar uit deze zin is een tegenstellend voegwoord.

(2) De slager had nog maar drie tartaartjes

Maar is hier een bijwoord. Het geeft een beperking aan. We hebben te doen met het restrictieve maar, het equivalent van slechts.

(3) Kom maar hier

Ook dit maar kan een bijwoord worden genoemd; meer dan in (2) is het een bijwoord van modaliteit. Het is niet of nauwelijks vervangbaar door slechts. We zullen het hier steeds, terwille van het onderscheid, over het modale partikel hebben.

(4) Je kan het huis huren, er is echter één maar bij

Het tegenstellend voegwoord maar is in deze zin als zelfstandig naamwoord gebruikt.

In dit artikel zal op de eerste drie ‘maren’ worden ingegaan met de nadruk op hun semantische aspecten. In alle gevallen van gebruik zijn er gemeenschappelijke kenmerken aan te wijzen hetgeen op één grondbetekenis wijst. Zoals De Vriendt en Van de Craen (1984) voor het modaal partikel maar komen tot een ‘einheitliche funktionale Charakterisierung’ probeer ik hier te komen tot een beschrijving van de ‘Einheitlichkeit’ van alle voorkomens van maar. In dit artikel zal juist de etymologie van doorslaggevend belang blijken voor de vaststelling van één grondbetekenis.

1. Het voegwoord maar

[p. 78]

Het is gebruikelijk de bespreking van maar te beginnen met het voegwoord. Men sla de woordenboeken, grammatica's, taalkundige artikelen er maar op na. Ik zal niet afwijken van deze gewoonte, hoewel ik me ervan bewust ben dat deze volgorde niet de meest voor de hand liggende is, gezien de algemene opvatting dat voegwoorden van bijwoorden afstammen.

1.1. De vorm

Naar algemeen wordt aangenomen, is maar een verkorte vorm van newaer. De w is door assimilatie aan de voorafgaande n langzamerhand in m overgegaan; de volgende ontwikkeling dus: newear nemaer maer. De eigenlijke vorm is tweeledig; hij is opgebouwd uit en (resp. ne) en uit waer(e) (resp.maer(e)).1.)

1.2. De betekenis

Volgens het WNT is de oorspronkelijke betekenis van het voegwoord maar ‘tenzij’. Dit wordt verklaard uit de afzonderlijke betekenissen van deoorspronkelijke vorm. Het eerste lid is het negatiepartikel ‘niet’ en het tweede de conjunctivus van ‘zijn’, tezamen: ware (het) niet. Het WNT breidt dit uit tot indien het niet ware dat en komt zo tot de gelijkstelling met ‘tenzij’.2.)

Bevreemdend is het feit dat ware het niet omschreven wordt met in dien niet en tenzij. Zinnen met de laatste twee conjuncties zijn toch van hypothetische aard. Zij geven geen beschrijving van wat reeds werkelijk gebeurt. Een zin ingeleid door ware het niet (dat) doet een feitelijke, met de realiteit overeenkomende mededeling. Het MNW (4, 998)onderkent dit verschil:

‘De oorspronkelijke opvatting van neware (maer) moet eene soortgelijke geweest zijn als ndl. ten ware often zij, die wat hunne vorming betreft met maar zijn te vergelijken. Doch terwijl een zin ingeleid door tenzij of ten ware tot de onderstellende of niet-werkelijkheids zinnen behooren (waarom zij zelfs nogheden een conjunctief regeeren), wordt de met neware beginnende zin als werkelijk voorgesteld’.

Maar is de oorsprong van maar werkelijk ware het niet? Zijn deze twee conjuncties wel op één lijn te stellen?

Wij kunnen ons nog steeds van de woordgroep ware het niet bedienen en maar gebruiken we volop. In deze twee gevallen brengen we echter verschillende betekenissen tot uitdrukking. Een vormverschil (en betekenisverschil) ligt daarin, dat zinnen ingeleid door maar nevengeschikt zijn en zinnen ingeleid door ware het niet (dat) ondergeschikt.3.) In

[p. 79]

geval van nevenschikking komt na de komma een nieuwe mededeling, maar leidt nieuwe informatie in. In geval van onderschikking volgt een zinsdeel, niet een nieuwe op zichzelf staande mededeling. Het is onder meer hierom niet bevredigend ware (het) niet als oorsprong en betekenis van ons maar aan te nemen. Misschien brengt de tegenstellende aard van het woord ons dichter bij een oplossing.

1.3. De functie

‘Tegenstelling’ lijkt de belangrijkste functie van maar als voegwoord te zijn. Het begrip tegenstelling vereist een nadere explicatie. In een zin als: hij is klein, maar dapper zijn de begrippen klein en dapper niet zuiver elkaars tegengestelde. Toch is in deze zin sprake van een oppositie, zij het niet van een binaire oppositie. De Vriendt & Van de Craen formuleren het aldus:

‘Dit wil niet per se zeggen dat, in p maar q, q het tegenovergestelde betekent van p, maar wel - over het algemeen - dat: anders dan wat de hoorder uit p zou kunnen afleiden (de implicatie van p), anders dan hij op grond van p zou kunnen denken, vermoeden, verwachten, hopen:q.’ (p.51)

Tegenstelling, en wel tegenstelling met de verwachting is de belangrijkste functie van het voegwoord maar en zoals uit de volgende paragraaf zal blijken geldt dit niet minder voor het gelijkluidende bijwoord.

2. Het bijwoord maar

Ook dit maar wordt in het Middelnederlands afgewisseld door neware of enware4.) en men vindt het in zinnen als:

(4)Ghine hebt der live maer een (Lsp. III, 3, 391)
(5)Tallen dien dat si nochtan so mager was, sone hadsi an ne waer enen roc (Rose, 215)

en daarnaast twee voorbeelden uit het hedendaagse taalgebruik:
(6)Het is maar voor de helft echte zijde
(2)De slager had nog maar drie tartaartjes

Om te kunnen beoordelen wat het bijwoord maar ‘teweegbrengt’ in een zin als bijvoorbeeld (2), bekijken we dezelfde zin ook eens zonder dit bijwoord:

(2')De slager had nog drie tartaartjes

Zin 2' is een feitelijke constatering, een objectieve mededeling in tegenstelling tot zin 2. Zin 2 is niet objectief; hij verraadt de houding van

[p. 80]

de spreker ten opzichte van de hoeveelheid. De spreker is blijkbaar teleurgesteld, verbaasd; hoe dan ook, het aantal tartaartjes valt tegen, het is lager dan verwacht.

2.1. Het bereik

Het bereik van het bijwoord maar is klein. Het heeft betrekking op een woord of woordgroep. Het voegwoord echter leidt een geheel nieuwe mededeling - die weliswaar ook uit één woord kan bestaan - in. In

(1)Dat licht is niet rood, maar oranje
heeft maar niet alleen betrekking op oranje. Zin 1 is inhoudelijk vergelijkbaar met de volgende zin:
(1')Dat licht is niet rood, maar het is oranje

De gehele zin na de komma valt onder het bereik van maar. Rood en oranje staan dan ook niet als twee elkaar uitsluitende kleuren tegenover elkaar, maar de veronderstelling, de verwachting dat het licht rood is, staat tegenover de vaststelling, het feit, (de werkelijkheid) dat het licht oranje is.

Het restrictieve bijwoord maar echter heeft slechts betrekking op het direct eropvolgende woord, het functioneert dan ook als een bepaling. In zin 2 slaat maar enkel en alleen op drie. Het zegt niets over de tartaartjes als zodanig.

2.2 Het gebruik

We hebben geconstateerd dat het voegwoord maar een ruimer bereik heeft dan het bijwoord. We hebben het verschil in betekenis alleen nog maar aangestipt: het ‘feitelijke’ voegwoord tegenover het ‘waarderende’ bijwoord.

We bekijken nu nog een aantal zinnen waarin maar als restrictief bijwoord voorkomt:

(7)Guus is maar zeven dagen weggeweest
(8)Hij is maar een pennelikker5.)

In beide zinnen is sprake van de implicatie niet meer dan. Door maar wordt het aantal of de eigenschap gering geschat. Maar heeft een geringschattende betekenis.

Er zijn meer woorden die een vergelijkbaar betekenisaspect hebben ontwikkeld: matig bijvoorbeeld en minder. Op zichzelf kan men met dit laatste woord geheel objectieve mededelingen doen: ‘dit boek kost minder dan dat’. Maar zowel voor minder (zonder vergelijkende bepaling) als voor matig geldt dat het meestal niet om een neutrale vaststelling van een

[p. 81]

maat gaat, maar om het aangeven van een inferieure kwaliteit of een teleurstellende situatie: ‘Staken de spoorwegen? Dat is minder mooi’ en: ‘De resultaten waren dit jaar matig’.

Zo ook is ten aanzien van maar de stap van niet meer dan naar niet zo belangrijk begrijpelijk.6.) Blijft de vraag hoe maar aan de betekenis van niet meer dan is gekomen. Op dit probleem zal in paragraaf 4.7 worden ingegaan.

2.3. Vergelijking met het voegwoord

We gebruiken het voegwoord maar als we willen aangeven dat iets niet aan onze verwachting, welke geëxpliceerd is in de voorzin, voldoet. We gebruiken het bijwoord maar als we willen aangeven dat iets niet voldoet aan onze verwachting, die we hebben op grond van bestaande normen.

Het bijwoord maar behoeft geen voorzin, de verwachting is altijd geïmpliceerd. In beide gevallen is echter sprake van een verwachting; deze wordt bij het voegwoord uitgedrukt in de vorm van een feitelijke tegenstelling. Bij het bijwoord wordt hetgeen men verwacht niet tot uitdrukking gebracht, omdat dit bekend wordt verondersteld op grond van de algemeen heersende normen. Vergelijk de zinnen 9 en 9':

(9)Dit is geen zijde, maar kunststof
(9')Dit is maar kunststof.

3. Het partikel maar

Maar leidt dus een zin, woordgroep of woord in, dat tegengesteld is aan de verwachting: dit geldt ook voor het partikel maar, dat door de in dit artikel al vaker genoemde auteurs De Vriendt & Van de Craen een afgezwakte vorm van het restrictief bijwoord wordt genoemd.7.) Zij geven een grondige beschrijving van het modale partikel maar en gaan met name in op de betekenis van dit woord. Zij komen tot de conclusie dat dit maar zou worden gekenmerkt door het feature ‘banaliteit’, en laten dat zien aan onder andere de volgende zinnen (10) We gaan maar weer naar Spanje

(11)We gaan dit jaar weer naar Spanje
‘In het eerste geval is er sprake van iets gewoons, niets origineels, terwijl in het tweede geval een nieuw feit uitgesloten schijnt’. (p.59)

 

Nu spreekt er mijns inziens uit het maar van zin 10 eerder teleurstelling,

[p. 82]

iets van ‘we leggen ons er maar bij neer’ dan ‘banaliteit’: we gaan maar weer naar Spanje, hoewel we best ergens anders heen hadden gewild. Ze gaan dus wel, maar het lijkt erop dat het tegengesteld is aan hun wensen. Door de context of de uitdrukking/houding van de spreker kan de uitspraak een banaal karakter krijgen, echter niet door toedoen van maar. Het partikel maar heeft, ook in zin 10, net als het voegwoord en het bijwoord een tegenstellende functie. Die tegenstellende functie komt voort uit de oorspronkelijke betekenis, die naar ik meen, geen banale trekken vertoont.

4. De grondbetekenis van maar

Zoals in 1.1 is beschreven, luidde de vorm maar oorspronkelijk anders. Naast de vormen nemaer en newaer kwam ook enwaer(e) voor; soms aan elkaar, soms van elkaar geschreven. Of het nu twee woorden zijn of één samengesteld woord, er is sprake van twee betekenisdragende elementen: en en waere.

Elk van beide woorden heeft meer dan één betekenis. Vermeld is reeds dat en ‘niet’ betekende en waere de conjunctief van zijn kon vormen.

 

Maar het MNW en het WNT schrijven aan en ook de functie toe van de prepositie in en aan waere die van het bijvoeglijk naamwoord/bijwoord waar of van het zelfstandig naamwoord waarheid.

4.1. en = in

Verdam (MNW 2, 632) vermeldt bij het voorzetsel en:

‘I.Als voorzetsel met de derden of vierden naamval In, op.
en trouwen, hetzelfde als ons in trouwe. Werkelijk, wezenlijk, inderdaad, als bevestigende formule gebruikt.
II.In samenstellingen
a)met znw: enwaerheit
b)met bijwoorden... enboven, enbinnen, enbuten, entusscen.’

 

De bijwoorden onder IIb gebruiken wij alleen zonder het voorvoegsel en: boven, binnen, buiten. Slechts intussen is een levend voorbeeld van de oude samenstelling, en we kennen bovendien nog: daarenboven, daarentegen.

[p. 83]

Onder IIa staat de samenstelling enwaerheit. Ook deze treffen wij in onze huidige taal niet meer aan. De samenstelling enwaerheit verdween, we kennen alleen nog in waarheid.

4.2. waer = waar(heid)

Verdam (MNW 9, 1531) begint zijn behandeling van waer met het bijwoord:

‘1)waar, zijnde overeenkomstig de waarheid, zeker, juist, betrouwbaar.
2)van personen ... a) wettig, echt...
b) betrouwbaar, oprecht...’.

Waer was, anders dan nu, ook een zelfstandig naamwoord en betekende:

‘1)De waarheid, Dat waer (dwaer, twaer), dat ware (dware, tware), soms ook zonder lidwoord’, onder meer
‘2)In de uitdr. waer seggen, de waarheid zeggen’. (MNW 9, 1533)

4.3. maar = in waarheid

De oorspronkelijke vorm van maar, het samengestelde enwaere betekende dus ‘in waarheid’! Maar benadrukte het waarheidsgehalte van een uitspraak en doet dat nog steeds; ik zal dat in 4.5 en 4.6. aan de hand van voorbeeldzinnen laten zien. Niet alleen in onze taal komt maar van waar. Als we naar een verwante taal, het Latijn, kijken, zien we eenzelfde ontwikkeling: vero, dat zowel een bijwoord is, met de betekenis van: in waarheid, inderdaad, in werkelijkheid, eigenlijk, als een voegwoord, met de betekenis van: maar, doch, echter, evenwel!8.)

4.4. Waarheid/werkelijkheid

In 1.1. heb ik het MNW geciteerd betreffende het verschil tussen tenzij en tenware aan de ene kant en enwaere aan de andere kant. Op tenzij volgt een irrealis en op enwaere een realis. Enwaere leidde dus een zin in waarvan de inhoud als een werkelijkheid wordt gepresenteerd.

Waarom zou men onderstrepen dat iets werkelijkheid of waarheid is? Dan moet er toch tenminste twijfel bestaan, anders is de toevoeging ‘in waarheid’ overbodig.

4.5. Het voegwoord

Een zin ingeleid door maar houdt dus een tegenstelling in: tegenoverwat

[p. 84]

waar is, staat iets dat niet waar is, of anders lijkt te zijn. Met andere woorden: de werkelijkheid is niet vanzelfsprekend, gaat tegen de verwachting in. Men dacht, hoopte, vermoedde dat het een of ander dit was, of zus lag, maar het is dat, of het ligt zo:

(1')Dat licht is niet rood, maar het is oranje
(7)De buurman lijkt aardig, maar is het niet

Vervang in bovenstaande zinnen maar door in waarheid en de mededeling krijgt méér zin.

We gebruiken het voegwoord maar vanwege zijn tegenstellende functie. Die functie heeft zozeer de overhand gekregen, dat de lexicale betekenis op de achtergrond is geraakt. Net als alle andere woorden in de taal moet echter ook maar oorspronkelijk een eenheid zijn geweest van vorm en betekenis. Op grond van de oorspronkelijke woordbetekenis kan een vorm een bepaalde functie gaan vervullen. Maar heeft door zijn betekenis van ‘in waarheid’, die benadrukt dat iets anders is dan verondersteld wordt, een tegenstellende functie gekregen.

4.6. Het bijwoord

(2)De slager had nog maar drie tartaartjes
(6)Het is maar voor de helft echte zijde

Van zinnen als (2) en (6) is al aangegeven (onder 2, p.3 en 4) dat ze van net zo'n tegenstellend karakter zijn als zinnen met het voegwoord maar. De tegenstelling in (2) en (6) is alleen impliciet. Maar is de betekenis van dit restrictieve bijwoord wel helemaal te rijmen met die van het voegwoord?

Als we uitgaan van het principe van Von Humboldt, de 1 op 1 - relatie van vorm en betekenis, dan zou ook dit maar ‘in waarheid, waarlijk, werkelijk, moeten betekenen en zouden we moeten parafraseren:

(2')De slager had nog waarlijk drie tartaartjes
(6')Het is in werkelijkheid voor de helft echte zijde

Maar is echter slechts een woord ter overtuiging, ter acceptatie van de werkelijkheid. Het bijwoord maar heeft de betekenis van ‘slechts’ gekregen en heeft daarmee een negatieve connotatie. Blijkbaar valt de werkelijkheid eerder tegen dan mee. Niet aan de verwachtingen voldoen wordt bijna hetzelfde als onder de verwachtingen blijven. Tegenstelling wordt teleurstelling.

4.7. Van beperking naar diskwalificatie

Het bijwoord maar houdt een (impliciete) tegenstelling in en duidt op een

[p. 85]

teleurstelling. Dit laatste betekenisaspect kan worden verklaard vanuit de beperkende functie die maar als bijwoordelijke bepaling heeft en beperking is in de meeste gevallen niet iets positiefs. We zien liever meer dan minder: hoe meer zielen hoe meer vreugd: hoe meer hoe beter.

Het bijwoord maar is een restrictief bijwoord met in oorsprong de betekenis van ‘in waarheid’. Ook het voegwoord maar gaat op dit beperkende bijwoord terug. In een zin als

(1)Dat licht is niet rood, maar oranje
is sprake van een ‘kwantitatieve’, ‘lokale’ restrictie: binnen het gebied van de schijnbare of gewenste werkelijkheid wordt de wérkelijke stand van zaken aangegeven:

illustratie

Er was reden voor de veronderstelling dat het licht rood zou zijn, in waarheid echter is het oranje. De beperkende tegestelling is niet van kwalitatieve doch van ‘kwantitatieve’ aard. Het gaat niet om een subjectieve waardering, maar om een objectieve beperking van het gebied waarvoor de uitspraak geldig is. In vele gevallen echter valt de werkelijkheid tegen, en leidt maar een het aantal of de kwaliteit beperkende bepaling in:
(2)De slager had nog maar drie tartaartjes (minder dan verwacht of gewenst)
(8)Hij is maar een pennelikker

 

Het op zichzelf neutrale, een beperking inleidende maar wordt gevolgd door een zinsdeel dat geringschatting inhoudt: in (2) het tegenvallende aantal drie, in (8) het denigrerende een pennelikker. En deze frequente verbinding van [maar + diskwalificatie] is geherinterpreteerd.

Het geringschattende aspect dat in de bepaling ligt besloten, is gehecht

[p. 86]

aan het neutrale, doch beperkende maar, dat slechts aangaf dat het om de waarheid ging. Dat verklaart de nu bestaande oppositie tussen het voegwoord en het bijwoord, waarbij het voegwoord een neutrale tegenstelling inleidt en het bijwoord een kwalitatieve connotatie heeft. Ook in het partikel, als in:

(3)Kom maar hier
(12)Geef mij dat werk maar
klinkt door, dat het om een oplossing bij gebrek aan beter gaat.9.)

Bibliografie

W. Abraham (1975) ‘Deutsch aber, sondern und dafür und ihre Äquivalenten im Niederländischen und Englischen’. In: I. Batori e.a. (red.): Syntaktische Studien zur Koordination. Tübingen. p.105-136.
F. Balk-Smit Duyzentkunst (1980) ‘Semantics of but’. In: Linguisticsin the Netherlands 1977-1979, p.244-253.
A.M. Duinhoven (1985) ‘Dubbele negatie + of’. In: Leuvense Bijdragen 74,
[p. 87]
p.289-322.
A.M. Duinhoven & F.A.M. Riem Vis (1986) ‘Of terug naar af. Over het heden en verleden van een voegwoord’. In: NTG 79, p.114-133.
MNW (1885-1952): Middelnederlandsch Woordenboek. 's-Gravenhage. 11 din. J. de Rooij (1977) ‘Maar en alleen (maar)’. In: Spektator 6, p.461-463.
W. van den Toorn (1977) ‘'t Is maar een pennelikker’. In: Gramma 1, p.33.
W. Vandeweghe (1978) ‘Een reaktie op het pennelikkerhangijzer van Van den Toorn’. In: Gramma 2, p.80-101.
S. de Vriendt & P. van de Craen (1984) ‘Maar als modaal partikel’. In: Antwerp Papers in Linguistics 35, p.49-63.
WNT (1882-....): Woordenboek der Nederlandsche taal. 's-Gravenhage-Leiden.
J. van Wageningen (1921) Latijnsch Woordenboek. Groningen-Den Haag.