Voortgang. Jaargang 14 (jaargang 1993 en 1994)


auteur: [tijdschrift] Voortgang


bron: Voortgang. Jaargang 14 (jaargang 1993 en 1994). Stichting Neerlandistiek VU, Amsterdam / Nodus Publikationen, Münster 1994


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 187]

Rode en groene volgorde en analytische taalkunde
J.M. van der Horst

1. Inleiding

Een zin als

 

(1)Ik weet dat ze het haar opgestoken heeft

 

laat twee verschillende interpretaties toe: a) in de ene interpretatie heeft zij iets gedaan met het haar (niet noodzakelijk d'r eigen haar); b) in de andere interpretatie heeft zij d'r haar in een bepaalde toestand (en we weten niet wie dat gedaan heeft). Vergelijken we zin (1) met

 

(2)Ik weet dat ze het haar heeft opgestoken

 

dan valt op dat zin (2) eigenlijk alleen maar geïnterpreteerd kan worden als (a) en niet als (b). Dit vergt een verklaring.

Het verschijnsel is vaker opgemerkt en allerlei verklaringen zijn voorgesteld, maar die maken steevast gebruik van begrippen als ‘samengesteld perfectum’, ‘de constructie hebben + voltooid deelwoord’, en/of zij onderscheiden twee werkwoorden hebben (resp. hebben-1: hulpwerkwoord van tijd, hebben-2: zelfstandig werkwoord).1

In dit artikel wil ik zinnen als (1) en (2) en het genoemde interpretatieverschil bezien in het kader van de analytische taalkunde. Daarmee bedoel ik een benadering die ervan uitgaat dat een taal geheel en al te beschrijven is in termen van taaltekens, d.w.z. eenheden van vorm en betekenis.2 Dit leidt ertoe dat we geen ‘constructies’ aannemen, noch ook zoiets als een samengesteld perfectum, en dat we voor het Nederlands één werkwoord hebben aannemen, met steeds dezelfde betekenis in al zijn gebruikswijzen. Ik wil laten zien hoe we, steunend op Verhagen (1986), Pardoen (1991) en vdHorst (1992) het verschil tussen zinnen als (1) en (2) in een analytisch kader kunnen verklaren. Dat leidt tevens tot twee correcties op Verhagen (1986), en tot een verklaring van de observatie van Pardoen (1991).

2. Volgorde en analytische taalkunde

Om het hoofd te kunnen bieden aan de veelheid van ongelijksoortige woordvolgordeverschijnselen, heb ik in vdHorst (1992, 140-141) drie types onderscheiden, welke de kern zouden kunnen zijn van een analytische volgordetheorie. Die zeer summiere schets vergt uiteraard nadere uitwerking, maar naar het zich laat aanzien kan hij nu reeds zijn bruikbaarheid bewijzen.

[p. 188]

De drie types die ik onderscheid, noem ik type I, type II en type III. Type I zijn de volgordes waarin betekenis gecodeerd ligt, en die dus taalteken genoemd moeten worden. Deze zijn arbitrair, en taalspecifiek, en horen daardoor in de grammatica thuis. Voorbeelden uit het Nederlands zijn waarschijnlijk de positie van de persoonsvorm (zie vdHorst (1984) en Binnerts & vdHorst (1984, 76-83)), en de volgorde x/y waarin de betekenis van x betrokken moet worden op de referent van y (zie verder vdHorst 1991). Volgordeverschijnselen van type II zijn volgordes die rechtstreeks voortvloeien uit de menselijke psychologische gesteldheid; in de literatuur meestal aangeduid als functioneel zinsperspectief, thème-propos-verhouding, topicalisatie of iconiciteit. Het verschil tussen type I en type II is niet alleen dat I taalspecifiek is en II universeel, maar ook dat type I arbitrair is terwijl bij type II de ‘vorm’ in zekere zin de ‘betekenis’ weerspiegelt of zelfs ‘is’. Volgordes van type II horen niet thuis in de grammatica in engere zin, de grammatica van deze of gene taal. Daarnaast onderscheid ik nog een derde type volgordeverschijnselen: geen taalteken, noch ook een iconisch verschijnsel, maar een volgorde(tendens) die de resultante is van een bundel factoren. Als voorbeeld kan dienen het fenomeen dat in het Nederlands het subject significant veel vaker voor de persoonsvorm staat dan erna.3 Ook type III hoort als zodanig niet in de grammatica thuis.

Merk op dat de luisteraar aan alle drie informatie kan ontlenen bij zijn interpretatie. Maar hun linguïstische status is zeer ongelijk. En ook al verdient alleen type I een plaats in de grammatica in eigenlijke zin, ze zijn alle drie wel taalfeiten en uit dien hoofde object van onderzoek voor de taalkundige.4

3. De werkwoordelijke eindgroep

Voorzover mij bekend, is Verhagen (1986, 184) de enige die wel eens iets gezegd heeft over de betekenis of waarde van de werkwoordelijke eindgroep in het Nederlands. Het komt bij hem maar zijdelings ter sprake. Verrassend zijdelings, in een boek dat verder helemaal over volgorde in middenveld en uitloop gaat. Hij zegt erover:

What I want to propose now is that the occurrence of such a ‘manifestation of the category Verb’ after two or more elements functions as a specific sign in Dutch, instructing the hearer to complete the interpretation of the process or state of which the idea evoked by the present verb (or group of verbs) is a part’ (Verhagen 1986, 184).

 

Wanneer dus na twee of meer zinsdelen er een ‘manifestatie’ is ‘van de categorie werkwoord’, dan functioneert die in het Nederlands als een teken om de interpretatie af te ronden, de interpretatie van het proces dat onder andere door dat werkwoord wordt uitgedrukt. De formulering lijkt omslachtig, maar is dunkt me exact wat hij bedoelt: ‘manifestatie van de categorie werkwoord’ is: een infinitief, een deelwoord, een persoonsvorm, of zelfs een zogenaamd afgesplitst stuk van een scheidbaar samengesteld werkwoord. Kortom: iets werkwoordelijks in de ruimste zin. En uiteraard

[p. 189]

op de derde of verdere plaats, want het geldt niet voor de persoonsvorm op de eerste of de tweede plaats. Daar achteraan ‘functioneert’ dat werkwoordelijke element ‘als een teken’. ‘Sign’/‘teken’ is bij Verhagen een gedefinieerde term: eenheid van vorm en betekenis. In mijn terminologie: Verhagen zegt dat de werkwoordelijke eindgroep functioneert als een taalteken. Met als betekenis iets als: hier kunt u overgaan tot interpreteren.

Merk op dat Verhagen niet zegt: is een teken, maar functioneert als een teken. Hij lijkt toch wat te aarzelen. Merk ook op, dat Verhagen niet zegt, dat er daarna niets meer kan komen. De spreker kan natuurlijk doorgaan. Hij zegt alleen dat de werkwoordelijke eindgroep een afrondingsteken is. Hij zegt evenmin dat de zin daar afgelopen is. Dat lijkt me heel verstandig, want de zin is waarschijnlijk geen grammaticaal af te bakenen iets. Hij zegt alleen dat er bij zo'n werkwoordelijke eindgroep een punt bereikt is waarop het voorgaande verwerkt kan gaan worden. Dat kan aan het zinseinde zijn, maar het kan ook ergens halverwege zijn, als een soort de-balansopmaken, als tussentijdse balans. Merk bovendien nog op dat uit Verhagens woorden geenszins voortvloeit dat elke zin dient afgesloten te worden met zo'n signaal tot interpreteren. De luisteraar is vrij om op elk moment dat hem goeddunkt, een poging tot interpreteren te wagen. En als de spreker uitgesproken is, ophoudt met spreken, als er gewoon ‘niks meer komt’, ook zonder werkwoordelijke eindgroep, ook dan zal de spreker aan de slag gaan om tot een samenhangende interpretatie te komen. Het teken van de werkwoordelijke eindgroep, in de visie van Verhagen, zet de luisteraar ergens toe aan, expliciet, maar dat belet niemand om niet eerder al, eigener beweging, pogingen te wagen. Met andere woorden: het feit dat er ook veel zinnen zijn zonder werkwoordelijke eindgroep, is geen weerlegging van Verhagens voorstel. De waarde ervan zal moeten blijken uit wat we ermee kunnen doen.

Ik meen dat Verhagens idee in essentie juist is, maar het vergt volgens mij twee correcties. In de eerste plaats deze: ik geloof niet dat de werkwoordelijke eindgroep in het Nederlands een taalteken is, in de gedefinieerde betekenis van dat woord, dus niet een type I volgorde. Het komt mij voor dat we aan een type III moeten denken, berustend op een bundel factoren, i.c. de soort betekenis van werkwoorden als zodanig plus een herhaalde toepassing van het x/y-teken.

Werkwoorden hebben een sterk organiserende soort betekenis. Of met andere woorden: hun betekenis vertoont open plekken, minstens één, soms twee, soms drie. Dat is karakteristiek voor de soort betekenis van werkwoorden. Dat het werkwoord de rollen uitdeelt, wordt trouwens ook bij andere taalkundige richtingen wel gesteld. Het lijkt mij niet syntactisch gebaseerd maar voortvloeiende uit het type betekenis dat werkwoorden als zodanig hebben. De diverse elementen van de zin krijgen als het ware pas hun rol toegemeten door de werkwoordsbetekenis. Een subject en een object hebben uit zichzelf niets subject-achtigs of object-achtigs, ze worden slechts geïnterpreteerd als subject resp. object omdat de werkwoordsbetekenis daarom vraagt. Dit heeft maar al te vaak geleid tot de misvatting dat subject en object ook al in de zin als zodanig aanwezig zijn, waarmee in feite interpretatieve noties geprojecteerd worden in de zin.

[p. 190]

Niet alleen voor het subject en voor de objecten geldt dat ze hun (interpretatieve) status ontlenen aan, of krijgen via, de interpretatie van het werkwoord; het geldt uiteraard ook voor adverbiale bepalingen, in de traditie gedefinieerd als bepalingen bij het gezegde of bij de hele zin (= gezegde + objecten + subject). Alles draait om de werkwoorden. Met enige overdrijving zou men kunnen stellen dat alle zinsdelen er alleen maar zijn terwille van het werkwoord: aankleding respectievelijk versiering van het werkwoord.

Nu het x/y-teken in het Nederlands: naar mijn mening zowel werkzaam binnen bijvoorbeeld nominale groepen als binnen zinnen als geheel. Over de oplopende hiërarchie van zinsdelen in het middenveld is door Koster en andere generatieve taalkundigen maar ook Verhagen (1986), zij het uit zeer verschillende optiek, al veel gezegd. Aan hun observaties heb ik op dit moment niets toe te voegen. Alleen over de vraag: hoe kan die hiërarchie verklaard worden? Het komt mij voor dat deze al zo vaak gesignaleerde hiërarchie voortvloeit uit een herhaalde toepassing van het x/y-teken. Bij een herhaalde toepassing komt het element dat het meest belangrijk is, het element waar alles om draait, het ‘verlossende woord’, als laatste, hoe de haakjes ook komen te staan:

a --> b --> (c --> d) --> e --> f
a --> (b --> c) --> (d --> e) --> f
a --> b -> (c --> d) --> (e --> f)

In een taal als het Nederlands, met het x/y-teken, komt het werkwoord als het ware vanzelf achteraan. Het komt vanzelf achteraan, als gevolg van zijn zo organiserende, en daardoor absoluut centrale soort betekenis, + de herhaalde toepassing van het x/y-teken.

Ik denk dat als deze gedachte verder uitgewerkt wordt, we de werkwoordelijke eindgroep in het Nederlands niet hoeven op te vatten als een taalteken (type I) maar haar kunnen duiden als5 de resultante van factoren die we toch al, onafhankelijk gemotiveerd, moesten aannemen (i.c. het soort betekenis dat werkwoorden hebben, en het x/y-teken). Kortom: dat de werkwoordelijke eindgroep een type III verschijnsel zal blijken te zijn.6

En niet alleen wat betreft de formele kant ervan (werkwoorden achteraan), maar ook wat betreft het door Verhagen geobserveerde signaal dat ervan uitgaat. Verhagen had geopperd: een teken aan de luisteraar om de interpretatie een althans voorlopige afronding te geven. Welnu, in de oplopende hiërarchie die de herhaalde toepassing van het x/y-teken creëert, is de betekenis van het werkwoord ook bijna letterlijk het verlossende woord. Want precies daarmee kàn de luisteraar pas echt aan het interpreteren slaan. Met de werkwoordsbetekenis, dan pas en niet eerder, valt alles op zijn plaats. Ik meen daarom dat het verschijnsel van de werkwoordelijke eindgroep niet een taalteken is, in de gedefinieerde betekenis van dat woord. De luisteraar heeft dat ook eigenlijk niet nodig; die wil als het ware niets liever dan gaan interpreteren, en hij doet ook voortdurend al halve pogingen. Maar alles valt pas echt goed op z'n plaats zodra het werkwoord weerklonken heeft. Ik kan dus wel globaal akkoord gaan met de waarde die Verhagen aan het signaal toekent, maar ik meen dat het geen

[p. 191]

taalteken is, doch een volgordeverschijnsel van type III, zowel wat betreft de formele kant als wat betreft de waarde ervan.

Overigens geldt deze analyse alleen als ik tevens een tweede correctie aanbreng op Verhagen. Namelijk dat het niet gaat om ‘een manifestatie van de categorie werkwoord’ in het algemeen, maar om het hoofdwerkwoord, het semantisch belangrijkste werkwoord. De hier bedoelde organiserende soort betekenis moeten we namelijk primair zoeken in het hoofdwerkwoord. Bij een zogenaamd samengesteld gezegde is het vooral het weerklinken van het hoofdwerkwoord dat de luisteraar in staat stelt tot een al of niet voorlopige afronding van zijn interpretatie te komen.78

Met deze twee correcties (a: het gesignaleerde interpretatieve effect komt niet door een taalteken maar door een type III verschijnsel; b: het gaat om het hoofdwerkwoord) lijkt het voorstel van Verhagen me bijzonder inzichtgevend in wat er gebeurt in Nederlandse zinnen.9 Bijvoorbeeld voor de vraag wat wel en wat niet goed in de uitloop kan staan. Maar ook voor de kwestie van de rode en de groene volgorde, die nu aan de orde is.

4. Rode en groene volgorde

Pardoen (1991) observeert een betekenisverschil tussen zinnen met de volgorde persoonsvorm/voltooid deelwoord (= rode volgorde) en de volgorde voltooid deelwoord/persoonsvorm (= groene volgorde). De rode volgorde wordt opgevat als dynamischer, de groene als statischer. Ook hier, evenals bij Verhagen, denk ik dat de observatie min of meer juist is. Pardoen bespreekt het interpretatieverschil in termen van interpretatiestructuren, door haar getekend als een stelsel van boogjes en lijntjes onder de behandelde zinnen.

Merk op, dat Pardoen niet zegt dat de zinnen zus of zo gestructureerd zijn. Over de structuur van de zin zegt ze niets; haar schema's betreffen interpretaties van zinnen. Dat acht ik van belang, omdat zodoende de valkuil vermeden wordt dat interpretatieve noties ten onrechte op zinnen geprojecteerd worden.

Toch heb ik een bedenking. Het is wel zo dat de luisteraar het taalaanbod lineair te horen krijgt, eerst dit en dan dat, maar daaruit volgt natuurlijk niet dat die luisteraar ook lineair interpreteert: interpretatiestappen kunnen, als bij een geavanceerde computer, zeer wel simultaan geschieden. Het menselijk brein hoeft niet lineair te werken. Overigens meen ik dat het proces van interpreteren geen object van taalkundig onderzoek is maar in de psychologie thuishoort. Zoiets lijkt Pardoen trouwens ook te vinden, want ze zegt met nadruk dat haar schema's niet de pretentie hebben het proces van interpreteren weer te geven. Haar schema's willen slechts de structuur van de (voltooide) interpretatie weergeven.

Of dat nuttig is, weet ik niet. Maar het lijkt me, dat ze op deze manier niet een verklaring biedt voor het door haar geobserveerde interpretatieverschil tussen rood en groen. Het interpretatieschema althans kan niet als verklaring gelden, aangezien genoemd schema juist gebaseerd is op een (voltooide) interpretatie, d.w.z. inclusief het al of niet dynamische of statische aspect ervan. Als ik Pardoen goed lees, behelst

[p. 192]

haar artikel dus geen verklaring voor het interpretatieverschil tussen de rode en de groene volgorde, en heeft ze die ook niet willen geven.10

Hoe dit ook verder zij, ik meen dat als we haar interpretatieschema's terzijde laten, de verklaring toch dicht in de buurt is. En wel precies aan de hand van het hierboven bij Verhagen besproken effect van hoofdwerkwoord in derde of verdere positie: een type III volgorde, waarbij de luisteraar door het passeren van het hoofdwerkwoord zijn interpretatie tot een althans voorlopige afronding kan brengen. Het verschil tussen rode en groene volgorde is dan dat we in het eerste geval een interpretatie krijgen inclusief de persoonsvorm, in het andere geval exclusief de persoonsvorm:

..... heeft gedaan .....
..... gedaan heeft .....

 

Gegeven de soort betekenis van persoonsvormen en van deelwoorden (waarover Pardoen ook een en ander zegt), is dit genoeg om het interpretatieverschil ‘dynamisch’/‘statisch’ te verklaren. Een interpretatie inclusief persoonsvorm leidt tot een dynamische lezing, een interpretatie exclusief persoonsvorm leidt daar niet toe, of althans niet noodzakelijk.11

5. heeft opgestoken/ opgestoken heeft

Voordat we nu terugkeren naar de zinnen (1) en (2) die ons uitgangspunt waren, bekijken we eerst

(3)Ze heeft het haar opgestoken.

 

Ook bij zin (3) kunnen we vaststellen dat er twee verschillende interpretaties mogelijk zijn, globaal overeenkomende met wat we bij zin (1) zagen. Daarover bestaat bij mijn weten geen verschil van mening. Minder duidelijk is de kwestie of deze zin daarom ook twee structuren behelst, d.w.z. of hij grammatisch homoniem is. Ik meen van niet, omdat het namelijk niet nodig is dat aan te nemen.

De twee interpretaties laten zich als volgt verwoorden:

(a)zij heeft met een bepaalde reeks handelingen het haar bewerkt, hetgeen tot een bepaald resultaat heeft geleid; mededeling over een voorbije, voltooide, handeling;
(b)haar haar verkeert in opgestoken toestand; zo heeft zij d'r haar; (en we weten niet hoe dat tot stand gekomen is; misschien heeft ze het zelf gedaan, misschien heeft een vriendin of een kapper het gedaan).

Ik zal (a) en (b) kortheidshalve aanduiden als de ‘activiteits-interpretatie’ en de ‘kapsel-interpretatie’.

In termen van de traditionele grammatica zou het verschil als volgt verwoord worden: bij (a) is heeft opgestoken een (samengesteld) werkwoordelijk gezegde, waarbinnen heeft hulpwerkwoord is en opgestoken zelfstandig werkwoord, en het

[p. 193]

haar is object bij opgestoken; bij (b) is heeft een zelfstandig werkwoord, het haar is object bij heeft, en opgestoken is een predicatieve toevoeging. Dit lijkt mij in essentie niet onjuist, maar het betreft de interpretatie en niet de zin zelf. Dat wil zeggen: deze analyses zijn gebaseerd op een interpretatie, niet grond voor een interpretatie. Zoals trouwens de hele traditionele redekundige ontleding niet de zinnen zelf betreft doch de interpretatie ervan, en dus geen grammatica zou moeten heten.

Opmerkelijk is, dat we bij de kapselinterpretatie bijna zeker weten dat het haar eigen haar is;12 bij de activiteits-interpretatie blijft dat onzeker: ze kan ook het haar van bijvoorbeeld een vriendin of van d'r moeder bewerkt hebben. Omgekeerd weten we bij de kapselinterpretatie niet wie het gedaan heeft, terwijl we bij de activiteitslezing weten dat ‘zij’ iets gedaan heeft. Ook dit gegeven zullen we bij de analyse moeten betrekken.

Mij dunkt dat het niet nodig is om in de zinnen twee werkwoorden hebben aan te nemen (een zelfstandig werkwoord en een hulpwerkwoord), twee woorden opgestoken (een voltooid deelwoord en een adjectief), of iets als een samengesteld gezegde. De grammatica heeft dat alles niet nodig. Of het wellicht voor de beschrijving van de structuur van de interpretatie nodig is, is een heel andere vraag, maar geen taalkundige vraag. De grammatica moet verantwoorden wat er in de zin zelf aanwezig is, en daar zijn de genoemde onderscheidingen niet voor nodig.

Het werkwoord hebben is in het Nederlands een transitief werkwoord. Daarmee is niet iets syntactisch gezegd, maar een aspect van de betekenis van hebben. Ook opsteken is een transitief werkwoord. Het deelwoord opgestoken heeft nog wel zo veel van z'n werkwoordsbetekenis behouden, dat er een object bij ingevuld kan worden. Daardoor ontstaan er bij onze zin (3) twee mogelijkheden: twee transitieve werkwoorden die kunnen strijden om de voorrang, want wie mag het object tot het zijne rekenen? Of correcter geformuleerd: omdat er twee transitieve werkwoorden in deze zin voorkomen, zal de luisteraar moeten kiezen bij welk van beide hij het object in zijn interpretatie betrekt.

Die dubbelheid bij twee transitieve werkwoorden bestaat in beginsel bij iedere zin met een zg. voltooide tijd met hebben. Dus ook bij bijvoorbeeld

 

(4)- ze heeft haar handen gewassen
(5)- ze heeft haar jurk uitgetrokken
(6)- ze heeft de hond uitgelaten

 

Dat dit in veel gevallen (à la (4) t/m (6)) niet leidt tot twee interpretaties zoals bij (3), hoeft niet toegeschreven te worden aan zoiets als een samengesteld gezegde, maar vloeit mijns inziens louter voort uit het feit dat toevallig opgestoken (en gemillimeterd en geverfd etc.) een cultureel geaccepteerde en gangbare soort van haardracht noemt, terwijl gewassen, uitgetrokken en uitgelaten niet, of niet in die mate, zoiets zijn voor handen, jurken en honden. Wij maken in onze cultuur onderscheid tussen opgestoken haar, gemillimeterd haar en haar in een vlecht, terwijl zelden of nooit de onderscheiding tussen uitgetrokken en niet-uitgetrokken jurken aan de orde is, of tussen uitgelaten en onuitgelaten honden. Niet omdat de taal ons dat belet maar omdat dat in onze cultuur nu eenmaal zo is.

[p. 194]

Dit is voldoende om de twee interpretaties te verantwoorden. In het ene geval (b) wordt heeft opgevat als het centrale werkwoord (en dan wordt het haar opgevat als object bij heeft); in het andere geval (a) wordt opgestoken opgevat als het centrale werkwoord (en dan wordt het haar opgevat als object bij opsteken). Zowel hebben als opsteken kunnen dat. Als opsteken de hoofdrol krijgt, leidt dat tot een ander plaatje dan als hebben de hoofdrol krijgt. Bij hebben gaan we denken aan een toestand, en het deelwoord opgestoken is prima in die contekst te duiden (nl. als cultureel geaccepteerd type haardracht); als opgestoken de hoofdrol krijgt, denken we eerder aan een activiteit. Bij zinnen als (4) t/m (6) is een interpretatie à la (b) erg ver gezocht.13

Het feit van de twee interpretaties bij zin (3) kan dus geen voldoende argument zijn om van syntactische homonymie (twee structuren) te spreken. De beide interpretaties laten zich ook zonder dat heel goed verantwoorden.14

Nu de vraag: hoe komt het dat we bij de kapsel-interpretatie denken aan: d'r eigen haar (door wie dan ook bewerkt), en bij de activiteits-interpretatie aan een handeling van de subject-‘zij’ (gericht op eigen of andermans haar)? Het antwoord ligt geheel in het verlengde van het voorgaande betoog. Bij de kapsel-interpretatie is hebben het centrale werkwoord, dat het haar als object toegewezen krijgt. De betekenis van hebben vergt stellig een diepgaand onderzoek, maar ze zal beslist iets te maken hebben met bezit in enigerlei zin. In de kapsel-interpretatie, dus met hebben als het centrale werkwoord, is er een of andere bezitsrelatie tussen de ‘zij’ en ‘het haar’. Dat zit 'm in het werkwoord hebben, dat hier als centrale werkwoord breeduit zijn betekenis kan doen gelden. Bij de activiteits-interpretatie is opgestoken het centrale werkwoord dat het haar als object toegewezen krijgt. De relatie tussen ‘zij’ en ‘het haar’ is nu heel anders: de ‘zij’ heeft iets met ‘het haar’ gedaan. Eigen haar of andermans haar, want bezit wordt dan niet uitgedrukt: ‘het haar’ is dan geen object van hebben doch van opgestoken.

Na het voorgaande zijn nu alle ingrediënten beschikbaar voor de verklaring van het interpretatieverschil tussen (1) en (2):

(1)Ik weet dat ze het haar opgestoken heeft.
(2)Ik weet dat ze het haar heeft opgestoken.

 

De rode volgorde van zin (2) stimuleert, geheel conform de observatie van Pardoen, een dynamische interpretatie, wat in dit geval de activiteitslezing (a) oplevert. De groene volgorde van zin (1) stimuleert niet een dynamische interpretatie maar sluit haar evenmin uit (zie noot 11), zodat daar zowel de kapsellezing (b) als de activiteitslezing (a) mogelijk zijn.

6. Slot

Het interpretatieverschil tussen zin (1) en zin (2), waarbij (1) opgevat kan worden als (a) of als (b), terwijl (2) eigenlijk alleen maar (a) toestaat, kan dus rechtstreeks

[p. 195]

in verband gebracht worden met de observatie van Pardoen: de rode volgorde stimuleert een dynamische lezing, de groene niet.

Hadden we nu hiermee volstaan, dan was er weinig anders gedaan dan een nieuw geval naar voren brengen dat eveneens het reeds gesignaleerde interpretatieve effect vertoont. Dat versterkt wel ons vertrouwen in de observatie, maar meer ook niet. Ik heb echter geprobeerd het verschijnsel van de rode en groene volgorde, en algemener de werkwoordelijke eindgroep als zodanig, de plaats te geven die het in de analytische taalkunde toekomt, i.c. een volgordeverschijnsel van type III. Dat wil zeggen: de werkwoordelijke eindgroep is geen taalteken maar kan geanalyseerd worden als de resultante van de betekenis van werkwoorden als zodanig en de herhaalde toepassing van het x/y-teken: zowel wat betreft de waarneembare kant ervan als wat betreft de interpretatieve effecten. Daarmee hebben die interpretatieve effecten tevens een verklaring gekregen.

Naar het zich laat aanzien, is zo'n analyse heel wel mogelijk binnen de aannames van de analytische taalkunde, waaronder deze, dat een grammatica geheel en al in termen van taaltekens te beschrijven is en dat we daarbij geen ‘constructies’ etc. hoeven aan te nemen, i.c. geen ‘samengesteld gezegde’.

[p. 197]

Literatuur

Binnerts&vdHorst (1984)
E.A. Binnerts & J.M. van der Horst, Jan Klaassen op herhaling. Een andere kijk op grammatica, Amsterdam.
vdHorst (1984)
J.M. van der Horst, ‘Over vorm en inhoud van bijzinnen’, in: Vorm en funktie in tekst en taal, Leiden, 154-179 (Ook in vdHorst (1986, 101-126)).
vdHorst (1986)
J.M. van der Horst, Historische grammatica en taaltekens, Alblasserdam.
vdHorst (1991)
J.M. van der Horst, ‘Taaltekens en moeilijke zn-groepen’, Voortgang. Jaarboek voor de Neerlandistiek 12, 265-279.
vdHorst (1992)
J.M. van der Horst, ‘Splitsen of niet splitsen van voornaamwoordelijke bijwoorden’, Forum der Letteren 33, 127-147.
Jakobson (1965)
R. Jakobson, ‘Quest for the essence of language’, Diogenes 51, 21-37.
Janssen (1985)
Th.A.J.M. Janssen, ‘De constructie hebben/zijn + (')voltooid deelwoord(')’, Voortgang. Jaarboek voor de Neerlandistiek 6, 49-84.
Janssen (1986)
Th.A.J.M. Janssen, ‘Het voltooid deelwoord’, Glot 9, 57-78.
Pardoen (1991)
Justine Pardoen, ‘De interpretatie van zinnen met de rode en de groene volgorde’, Forum der Letteren 32, 1-22.
Verhagen (1986)
A. Verhagen, Linguistic theory and the function of word order in Dutch. A study on interpretive aspects of the order of adverbials and noun phrases, Dordrecht.