Voortgang. Jaargang 17 (1997 en 1998)


auteur: [tijdschrift] Voortgang


bron: Voortgang. Jaargang 17 (1997 en 1998). Stichting Neerlandistiek VU, Amsterdam / Nodus Publikationen, Münster 1997


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 191]

Het woordenboekcitaat in de oudste WNT-delen
Dick Wortel *

Abstract - With his Woordenboek der Nederlandsche Taal Matthias de Vries wanted to demonstrate the beauty of the language. Therefore the citations included in the articles needed to come from the works of the best and greatest writers. They had to show the ‘reader’ how to use a particular word ‘beautifully’ in a well-formed sentence. They were the examples-imitatio. With this imitatio De Vries joined a literary principle which originated as early as the Renaissance: the imitation of the great classics. Words which were not found in the important literary works were looked upon very critically, their aesthetic value playing an important role. The citation included in an article also had to explain to the reader how a word was used correctly. It then had the function of illustration: the example-illustratio. Only after the scientification of the WNT which was started off around 1900 by various editors, the citation adopted the function of the example-verificatio: it served to enable the user to check a meaning formulated by the editor.

A dictionary is a word-book which collects somebody's words into somebody's book.
(lemma Dictionary in A Feminist Dictionary 1985)

1. Inleiding

Hoewel er over het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) veel is gezegd en geschreven, is het citaat opmerkelijk weinig als onderwerp van onderzoek aan de orde gesteld in de verschillende studies over het WNT. Met betrekking tot het Deutsches Wörterbuch (DWB) zijn recentelijk enkele studies gepubliceerd rond het citaat, hetgeen bewijst dat het citaat wel degelijk kan dienen tot een object van grondige studie. Omdat de ontstaansgeschiedenis van het WNT ongeveer gelijk oploopt met die van het DWB en ook de inrichting en structuur van de artikelen grote gelijkenissen vertonen, wil ik mij in dit artikel laten leiden door de artikelen van Ulrike Hass (1991 en 1997).

In het artikel van Hass worden de verschillende tradities van het citaat uiteengezet. De oudste, al in de Middeleeuwen bekende traditie, is die van het ‘voorbeeld-imitatio’, vooral in leerwoordenboeken, waarin een vreemde taal wordt behandeld. Onder invloed van de Renaissance ontstaat in de zestiende eeuw de traditie van het ‘voorbeeld-illustratio’. Tenslotte, in de loop van de negentiende eeuw onder invloed van de Verlichting, stelt zij de opkomst vast, voornamelijk in wetenschappelijke woordenboeken, van de Nachweis-traditie, die ik de verificatie-traditie zal noemen, of, om in haar terminologiegebruik te blijven, het ‘voorbeeld-verificatio’. Citaten worden in een woordenboekartikel opgenomen ten einde de gebruiker in staat te stellen om zelf de door de lexicograaf geformuleerde betekenis te controleren, te verifi-

[p. 192]

eren. In dit artikel stel ik alleen het voorbeeld-imitatio aan de orde. De door Hass (1991) geschetste ontwikkeling geldt niet alleen voor de geschiedenis van de Duitse lexicografie, maar ook voor die van de Nederlandse.

2. De invloed van het DWB op het WNT

2.1. De Vries en de gebroeders Grimm

De Vries had veelvuldig contact met de gebroeders Grimm, die in de jaren veertig met het Deutsches Wörterbuch (DWB) waren begonnen. Hij ontmoette hen voor het eerst op de Germanistenversammlung die in 1846 te Frankfurt plaats vond. Dat was een belangrijke gebeurtenis, omdat alle beoefenaars van de Germaanse talen, geschiedenis en rechtswetenschap elkaar konden ontmoeten (Karsten 1949, 54). Op de eerste vergaderdag, 24 september, kozen de aanwezigen Jacob Grimm tot voorzitter. De Vries ontvouwde tijdens een vergadering van de taalkundige sectie zijn plannen tot het samenstellen van een Middelnederlands woordenboek (Karsten 1949, 57), een plan dat hij overigens al heel lang koesterde. Tijdens de vergadering deed Wilhelm Grimm mededeling over de voortgang van het algemeen Duits woordenboek waar hij samen met zijn broer al enige jaren aan werkte. Na 1846 onderhield De Vries zijn contacten met de gebroeders.

Tijdens het Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres, dat in 1849 voor de eerste maal te Gent plaatsvond, werd het initiatief genomen om een ‘Algemeen Nederlandsch Taelkundig Woordenboek’ samen te stellen. Er werd een commissie benoemd die als opdracht meekreeg om voor het volgende congres een voorstel te formuleren om een ‘schatkamer’, een ‘muzeüm onzer taalvormen’ tot stand te brengen (Alberdingk Thijm 1865, 396). Tijdens het tweede letterkundig congres, te Amsterdam in 1850, werd het besluit genomen, dat er inderdaad een Algemeen Nederlandsch Woordenboek zou worden geschreven. Er werd een nieuwe commissie benoemd, die als taak kreeg de praktische organisatie ter hand te nemen, onder verantwoordelijkheid van het Congres. De Vries werd tot secretaris van deze commissie benoemd. In 1851 vond het derde congres plaats, nu te Brussel. Hier las Matthias de Vries zijn Ontwerp van een Nederlandsch Woordenboek voor. Het Congres besloot dat volgens dat ontwerp het woordenboek zou worden vervaardigd en er werd een redactie benoemd (De Vries, Versl. 1854, 8).

Bij het nadenken over de redactionele organisatie van het Woordenboek keek De Vries uitdrukkelijk naar de opzet van het Duitse woordenboek, dat hij als voorbeeld nam. Hij wilde weten hoe de gebroeders Grimm hun ‘reuzenarbeid’ uitvoerden. In een brief van 25 juni 1852 aan Grimm uitte De Vries zijn wens om

in de gelegenheid te mogen worden gesteld om persoonlijk de zaak van ons Woordenboek met U en Uwen hooggeëerden Broeder te mogen bespreken. Mogt ik hopen, dat Uwe welwillendheid mij het voorregt van een persoonlijk onderhoud daartoe wilde schenken, dan is mijn besluit genomen. Dan wensch-

[p. 193]

te ik binnen weinige weken een reisje naar Berlijn te ondernemen, ten einde van Uwen raad, van Uwe inlichtingen en teregtwijzingen te kunnen gebruik maken, tot groot voordeel der goede zaak (Soeteman 1982, 35).

 

In dat zelfde jaar bracht hij een bezoek aan de gebroeders (Karsten 1949, 59). Van een eerste contact maakte Jacob Grimm gewag in een brief van 30 juni 1852 aan zijn uitgever Hirzel te Leipzig:

im sommer, merke ich, fällt die ausarbeitung schwerer, zumal wegen der besuche, die stunden und viertelstage in beschlag nehmen. auf nächsten monat sind angekündigt Gervinus, der die Meusebachischen bücher gebrauchen will, Uhland, in gleicher absicht, aus groningen kommt ein prof. De Vries fünf tage her, um sich wegen eines niederländ. wörterbuchs zu berathen, (als fände er meinen plan nicht ausreichend im erschienen heft!) (Kirkness 1980, 150).

 

Maar aan De Vries schreef Jacob Grimm op dezelfde 30 juni:

Es wird mir und meinem bruder grosze freude machen, Sie bald hier in Berlin zu sehen [...]. Da wollen wir über die angelegenheit der wörterbücher freundschaftlich sprechen [...] (Soeteman 1982, 36).

 

De Vries moet tijdens dat bezoek aan Jacob Grimm, die toen in Berlijn woonde, veel hebben opgestoken. Zijn brieven aan de gebroeders, die hij na zijn verblijf te Berlijn schreef, bevatten onverholen zijn bewondering voor ‘het edele broederpaar, waaraan beiden [t.w. Duitsland en de wetenschap] zóóveel te danken hebben’ (brief van 18 oktober 1852, gecit. naar Soeteman 1982, 37).2

De Vries stelde het vierde congres in 1854 te Utrecht op de hoogte van de voortgang van het Woordenboek. Hij deelde mee, dat hij zich ook ‘het voorbeeld van hetgeen elders geschiedde’ ten nutte had gemaakt door een studie van de lexicografie in andere landen. Hierbij viel ‘te leeren [...] uit den reuzenarbeid, waarmede de gebroeders J. en W. Grimm thans den roem van Duitschland verhoogen’. Hij wees zijn gehoor erop, dat ‘die arbeid, die aan een zoo werkzaam leven van het edele broederpaar de schoonste kroon opzet’ weliswaar aan vinnige aanvallen voor een reeds verschenen deel van hun woordenboek onderhevig was, maar even uitbundige lofspraken stonden daar tegenover. ‘Uit dien letterkundigen strijd [...] is voor de Redactie van het Nederlandsch Woordenboek [...] veel goeds te leeren’, concludeerde De Vries (Versl. 1854, 45).

2.2. De aanleg van materiaalverzamelingen

De Vries heeft zich door de Grimms zeer nauwkeurig op de hoogte laten stellen van allerlei praktische zaken die nu eenmaal bij het opzetten van een groot woordenboekproject komen kijken. Hij moet zich tijdens zijn visite in Berlijn uitvoerig hebben laten informeren hoe de gebroeders hun materiaal

[p. 194]

voor het DWB verzamelden. Dat zal wel een belangrijk gespreksonderwerp geweest zijn.

Al in 1838 gaf Wilhelm Grimm richtlijnen voor het maken van citaten:

Ich wünsche dass die Excerpte zu dem Wörterb. auf einzelne kleine Duodezblättchen geschrieben werden, die man alle in Kasten werfen muss, u. zu deren endlicher alphabet [...]. Das Wort muss jedesmal unterstrichen werden. Dies ist eine mühselige mechanische, aber an sich gar nicht schwierige Arbeit (Kirkness 1980, 68).

 

Deze richtlijnen werden in een andere brief 20 september 1838 aan een medewerker nog verduidelijkt:

alle auszüge müssen auf sedezblätter [sedecimo], die man bequem ordnen kann, auf jedes blatt nur ein wort mit genauem citat, so dass die möglichst beste ausgabe gebraucht und in der einleitung vornen angegeben wird. der ausziehende darf sich nicht verdriessen lassen merkwürdige wörter zehnmal und mehr aufzuzeichnen und in dem zusammenhang der ganzen phrase, der redactor muss diese sicher und ohne nachzuschlagen verstehn können, wenn er von den zehn beispielen etwa nur zwei behält, die andern wegwirft (Kirkness 1980, 71).

 

Een medewerker van Grimm die de aangeleverde citaten bezag, constateerde al spoedig enkele problemen, onder meer dat het veel voorkomt dat een excerpent iets over het hoofd had gezien ‘was aufzeichnung verdiente’,

wiederum wird aufgeschrieben sein was entbehrlich ist oder wofür Ein beispiel genügte, aber auf eine menge unnützer zettel müssen wir wohl überall rechnen. mir scheint das hauptgesetz beim ausziehen lieber zu viel als zu wenig zu thun und anstatt sich lange zu bedenken lieber einen zettel zu schreiben (Kirkness 1980, 73).

 

Op 3 december 1839 kon Wilhelm het werk dat werd aangeleverd door talloze excerpenten niet meer aan. Hij wendde zich toen tot een bevriende taalkundige met een verzoek om ondersteuning: ‘Die vorarbeiten zum deutschen wörterbuch haben guten fortgang und schon kann ich fast sechzig mitarbeiter zählen, die uns bei den auszügen beistand leisten’ (Kirkness 1980, 84).

In navolging van Grimm wilde ook De Vries graag dat elk woord dat in het Woordenboek zou worden opgenomen, zou worden ‘aangeteekend’ op een afzonderlijk blad ‘Nederlandsch schrijfpapier’, kwarto formaat, met afgesneden randen. Deze bladen moesten worden beschreven in de breedte. Aan de linkerzijde van elk blad moest een kleine ruimte worden wit gelaten, en het woord, waar het om ging, moest bovenaan in de linkerhoek worden geplaatst, uitspringend en onderstreept (De Vries, Versl. 1854, 65). De Vries wilde dat de opgetekende woorden, waar mogelijk, werden voorzien van aanhalingen, of van opmerkingen met betrekking tot etymologie of grammatica. Zo wordt dan op die bladen alles bijeengebracht wat voor het maken van een artikel

[p. 195]

nodig is. Men spaart dan heel veel tijd omdat ‘bijna geheel zonder het naslaan en vergelijken van boeken’ het woord zou kunnen worden bewerkt (De Vries, Versl. 1854, 14).

Er waren enkele medewerkers aangesteld, die onder leiding van de redacteuren zich bezighielden met het maken van ‘uittreksels, deels door afschriften, door nazoeken, vergelijken, rangschikken enz.’.3 De Vries bewaarde de uittreksels ‘in opzettelijk daartoe ingerigte dozen’ (De Vries, Versl. 1854, 10). Aan een ‘zestigtal vaderlandsche letterkundigen’ werd een gedrukte brief gestuurd om hen uit te nodigen bijdragen te leveren. In die brief waren ook ‘de voornaamste bepalingen’ aangegeven ‘ter bevordering der noodige eenparigheid en gelijkmatigheid’ (De Vries, Versl. 1854, 26). In deze brief van 1 februari 1852 (afgedrukt in De Vries, Versl. 1854, 62 e.v.) worden de ‘letterkundigen’ opgeroepen ‘uittreksels’ te maken uit de voornaamste vaderlandse dichters en prozaschrijvers. De ‘aanhaling der plaatsen’ moest zo beknopt mogelijk zijn, ‘doch lang genoeg om de beteekenis van het woord in een helder licht te stellen’ (De Vries, Versl. 1854, 66).4

2.3. De terminologie

Jacob Grimm gebruikte in zijn Vorrede in het eerste deel verschillende woorden: Beleg, Stelle, Belegstelle, Anführung met dezelfde betekenis. Stelle betekende bij hem in de eerste plaats Belegtext en daarnaast ook Angabe der Belegstelle. Citat gebruikte hij zowel in de betekenis Belegtext als in de betekenis Angabe der Belegstelle (Hass 1991, 540).

Een precieze opgave van de vindplaats vond Grimm niet nodig. Wat het voorbeeld, dus de tekst zelf, kan prijsgeven is niet noodzakelijk aan de kennis van het paginanummer gebonden. Een dergelijke vermelding had nog geen wetenschappelijke functie, maar moest de lezer, indien die dat wilde, met de literatuur in aanraking brengen. Weliswaar schreef Grimm in de inleiding van het DWB: ‘unbelegte citate sind unordentlich zusammengerafte, unbeglaubigte, unbeeidete zeugen’, maar die uitspraak was, volgens Hass (1991, 557), slechts bedoeld om zijn critici, als Daniel Sanders, te doen zwijgen. Sanders meende namelijk dat opgave van de precieze vindplaats wel nodig was om als bewijsplaats voor een uitspraak van het woordenboek te kunnen dienen. Hij maakte het onderscheid tussen Beispiele, voorbeelden, en Belege, te vertalen met bewijsplaatsen (1854, gecit. naar Hass 1991, 552). Voorbeelden hebben tot doel het gangbare gebruik te tonen, terwijl de bewijsplaatsen de verificatio-functie vervullen. De laatste dienen om iets bijzonders, merkwaardigs of opmerkelijks te bewijzen. Maar het ging bij Grimm niet om de verificatio-functie van het citaat, de imitatio-functie was voor hem veel belangrijker: hij wilde immers ‘die Gewalt der Sprache’ en ‘die Gewalt der Poesie’ aan de lezer tonen. Hierin volgt De Vries de Grimms na. In de Inleiding wijst hij op de klacht van ‘het groote publiek’ dat er zoveel aanhalingen nodig zijn om de betekenis van bekende woorden te bewijzen. ‘Ziedaar al aanstonds de oorzaak van het misverstand. Men beschouwt onze aanhalingen als bewijs-

[p. 196]

plaatsen. Doch die voorstelling is te eenen male onjuist’ (WNT I, Inl. lxiv). Bewijsplaatsen zijn nuttig bijvoorbeeld in een Middelnederlandsch Woordenboek, waar men de betekenis van verouderde thans onbekende termen door voorbeelden staven moet. ‘Maar in alle andere gevallen hebben onze aanhalingen eene geheel verschillende strekking. Een woord, op zich zelf genomen, is een bloote klank, eene ijdele abstractie. Eerst in verbinding met andere woorden wordt het de uitdrukking, het beeld eener gedachte. Eerst als onderdeel van een volzin verkrijgt het ziel en leven’ (WNT I, Inl. lxiv).

Ook De Vries gebruikte verschillende termen door elkaar heen, zoals uittreksel: ‘Het bureel staat, behalve uit voornoemden Redacteur, uit twee of meer bezoldigde klerken, die dagelijks eenige uren aan den arbeid (overschrijven, uittreksels maken, enz.) zullen te wijden hebben’ (De Vries, Ontw. 83), en ook ‘uittreksels, [...] door verschillende medearbeiders ingezonden’ (De Vries, Versl. 1854, 10), of, enkele bladzijden verder, spreekt hij van ‘aanhalingen uit schrijvers’ (De Vries, Versl. 1854, 14). Elders gebruikt hij de term voorbeeld: ‘voorbeelden uit de klassieke schrijvers’ (De Vries, Ontw. 80). Voor De Vries was er blijkbaar een verschil tussen uittreksels en aanhalingen tegenover de term voorbeeld: ‘Ge neemt ze [de schrijvers] ter hand en doorleest ze met aandacht, om van die bekende woorden en beteekenissen duidelijke, treffende, schoone voorbeelden te verzamelen’ (De Vries, Versl. 1862, 27) en dan geven ze aan de ‘dorre woordverklaring’ leven en frisheid. Voorbeelden zijn aanhalingen met het specifieke doel aan de gebruiker van het woordenboek te laten zien hoe een woord ‘mooi’ moet worden gebruikt. In 1910 gebruikte Beets (WNT V, Inl.) nog ‘uittreksels uit geschriften’, maar ook heeft hij het over ‘werken [...] waaruit wij aanhalingen kunnen opnemen’. Nog in 1931 wendde Beets het woord uittreksel (WNT XII, Inl.) aan, toen nog een gangbare term, maar Knuttel stelde in 1940 (WNT XV, Inl.) dat ‘nieuwe excerpten’ hem van verschillende zijden nog bereikten, opmerkelijk omdat Knuttel het woord excerpt kennelijk als onnederlands heeft verworpen en niet in zijn C-fuut-deel heeft behandeld, hoewel dat woord reeds in het Kunstwoordenboek van P. Weiland in 1824 voorkomt in een Nederlandse vorm: ‘Excerpt, uittreksel’ en in v. dale [1872]. Literaire plaatsen zijn er in fruin, Geschr. 7, 189 uit 1874 en in 1898 bij paap, Haman 7. Knuttel moet het dus wel gekend hebben. Overigens werd de term excerpt weinig gebruikt, in tegenstelling tot het werkwoord excerperen.

De term citaat werd door Jacob Grimm reeds gebruikt in de betekenis van ‘aangehaalde tekst’, in het Duits Belegtext en ook in de betekenis van ‘opgave van de vindplaats’ (Hass 1991, 540). De Vries gebruikte het woord in 1892 bij het lemma althans: ‘Het mag bevreemdend heeten, dat geen enkel citaat uit de eerste helft der vorige eeuw eene min of meer gewijzigde opvatting, bij wijze van overgang, vertoont’. In het artikel oranje (kol. 1443) uit 1910, bewerkt door Boekenoogen, komt citaat ook voor. In de inleiding, tenslotte, uit 1912 op deel VI van het WNT van Beets: ‘onze keus van citaten (is) nog ruimer geworden’. Het woord citaat wordt dan zoals in het WNT gedefinieerd staat: ‘Eene plaats bij een schrijver, die men schriftelijk of mondeling, als

[p. 197]

bewijs, getuigenis of voorbeeld aanhaalt; aanhaling’ (WNT III, 2, 2045). De oudste literaire vindplaats is die bij v. lennep, K. Zev. 1, 292 [1865]: ‘Als [...] juffrouw Katoo met citaten aankomt’, verder bij fruin, Geschr. 2, 39 en 2, 50 [1897], een woord dus dat ongeveer in 1860 moet zijn ontstaan. In zijn Levensloop schreef redacteur Knuttel dat hij in 1906 begon met het ‘uitschrijven van citaten’ (p. 173).

De term bewijsplaats vond ik op p. 239 van het artikel ‘Het Woordenboek’ van T.H. de Beer in het tijdschrift Noord en Zuid van 1877, waar hij trouwens ook spreekt van ‘aanhalingen uit schrijvers’ (p. 240).

Tegenwoordig gebruiken de WNT-redacteuren niet meer de term citaat, maar de term aanhaling.

3. De traditie van het voorbeeld-imitatio

3.1. De traditie in de letterkunde

Het woord bispel heeft in de Middeleeuwen nog de betekenis van ‘spreekwoord’, bijvoorbeeld in het Glossarium Bernense uit 1240: ‘proverbium: bispel’. Een Middelnederlands citaat luidt: ‘Men seit in een bispel (Rein. I, 181: hets een out bispel): viants mont seit selden wel’ (Maleg. 366) of ‘Dat bispeel seghet wel: [...] sulc waent wreken sine scande ende slaet hem selven uytten lande’ (Troyen f. 20c). Deze bispelen hebben dikwijls een moraliserende strekking. Onder invloed van het Latijnse exemplum wordt de betekenis van bispel ‘verhaal waar je iets van kunt leren’. In het MNW (i.v. Exempel) staat bijvoorbeeld: ‘Hetzelfde als mnl. bispel Leerzaam verhaal, hetzij van eene ware, hetzij van eene verdichte geschiedenis; toepasselijke geschiedenis, een verhaal met eene zedeles of met eene zedelijke strekking (om als aanmoedigend, als opwekkend of als waarschuwend, afschrikkend voorbeeld te dienen)’, met als een van de citaten: ‘Ene scone exempel willic ontbinden van enen meester die ic wel kinde’ (Belg. Mus. 1, 326, 1). Dikwijls was het bispel of het exempel direct ontleend aan de bijbel of het evangelie. In het Glossarium Bernense vindt men: ‘parabola: bispel’ en in de Teuth. ‘bispel, parabel, parabola’, hier verwijzend naar de parabels, de gelijkenissen van Christus. Het woord exempel verdringt na verloop van tijd het Middelnederlandse bispel. In een citaat van het MNW (i.v. parabel(e)) kan men lezen: ‘Hoort noch ene andre parabole: vanden exemple van den man die enen wijngart plantde’ (L.v.J.c. 168). Voorbeelden werden gebruikt om didactische redenen: zij moesten laten zien aan de lezer - in de Middeleeuwen voornamelijk aan scholieren en studenten - hoe een bepaalde handeling correct moest worden uitgevoerd en hoe men goed en rechtvaardig diende te leven om het eeuwig leven te verdienen. Zij lieten aan de lezer zien, wat de consequenties van onjuist en ondoordacht gedrag konden zijn. Zij riepen de lezers op tot nauwgezette navolging van zekere regels, wilde men allerlei ellende voorkomen. Zij waren een pedagogisch middel om morele waarden over te dragen of om kennis te vergaren of te vermeerderen, zoals uit servilius [1552] blijkt:

[p. 198]

‘Exemplar [...] een voorbeeldt [...] een daet dat wij gae te slaen behooren, ende dat ons wat leert’. De impliciete of expliciete oproep tot navolging, imitatie, van het juiste gedrag, de voorgeschreven handeling is essentieel in het exempel. De waarde van het voorbeeld ligt hier in het verhelderen van een morele regel, die onafhankelijk van voorbeelden berust op de regels van het verstand. De bekendheid met de regel is het uitgangspunt, het voorbeeld is slechts een afgeleide, voor didactische doelstellingen geconstrueerd geval.

De Renaissance bracht een hernieuwde belangstelling voor de Oudheid naar voren. De grootste klassieke schrijvers werden in de volkstaal vertaald om ze voor een breder publiek toegankelijk te maken. Maar tevens moesten die vertalingen het bewijs zijn dat het Nederlands als taal niet onderdeed voor het Latijn wat betreft sierlijkheid en geleerdheid. Daarbij probeert men Latijnse en andere vreemde woorden te vervangen door Nederlandse woorden. In het in 1553 verschenen Het Tresoor der Duytscher Tale van Jan van der Werve staat zijn hartenkreet: ‘Helpt my ons moeders tale [...] wederom so brenghen op de beenen, dat wy moghen bewijsen [...] dat sy aen andere talen gheen onderstandt en behoeft te versueckene’ (v.d. werve A ij vo [1553]). Het is niet verwonderlijk dat Het Tresoor in de titel van de tweede editie van v.d. werve was vervangen door Den Schat. Aan het einde van de proloog in kiliaan [1588] staat in een Latijns vers: Configite in proprias procul hinc exotica terras; Omnia Teutonicus sermo referre potest: ‘Stuur de vreemde woorden naar hun eigen streek ver van hier; het Duits is in staat alles weer te geven’ (vert. van Van Den Branden 1956, 99). Woorden die rechtstreeks waren ontleend aan het Hoogduits, werden niet als vreemde woorden beschouwd. De lexicografen zochten opzettelijk naar Hoogduitse woorden om die als alternatieven voor Franse en Latijnse woorden te kunnen toevoegen aan de woordenschat van de Nederlandse taal (Van de Wal en Van Bree 1992, 197).

Het ‘grammatisch-kritisch’ gebruik van citaten is rechtstreeks uit de literatuur overgenomen. Het didactisch doel daarvan was aan de hand van het taalgebruik van gerenommeerde schrijvers te laten zien wat het foute en correcte gebruik van een woord is. De citaten werden genomen uit bekende werken uit de tijd van de lexicograaf. Zij komen vooral voor in leerwoordenboeken. Aan het einde van de achttiende eeuw komt dit gebruik van citaten voor bij Adelung [1774], die in de Vorrede [p. XV] schreef: ‘Um [...] einige der vornehmste Fälle zu zeigen, [...] sind Beyspiele nöthig [...]. Beyspiele aus den neuesten und beliebtesten Schriftstellern entlehnet’.

De citaten zorgen ervoor dat een woordenboekartikel ‘voorleesbaar’ wordt en daarom kunnen ze dienen als een didactisch middel om een taal te leren. De ‘afgebakende tekstpassages met het betreffende woord in zijn context’ (Moerdijk 1994, 96) kunnen heel goed oneigenlijk gebruikt worden: niet in hun functie als vind- of bewijsplaats ter staving van een betekenis, maar als een van het woordenboekartikel onafhankelijke leestekst. In de inleiding van het Deutsches Wörterbuch van de gebroeders Jacob en Wilhelm Grimm wordt nogal vermakelijk een toneel voorgesteld van een Duits gezin rond het knap-

[p. 199]

perend haardvuur, waar vader een kolom van het woordenboek aan zijn kinderen voorleest, terwijl moeder toehoort.1 Op die manier leren de kinderen al de Duitse taal kennen. Zo kon Grimm - en in zijn navolging De Vries - in eerste instantie het ‘gewone’ volk als potentiële gebruikers aanspreken, in mindere mate de wetenschappelijke gebruikers. De Vries sprak voortdurend van ‘lezers’ van het woordenboek: ‘Dat is toch wel degelijk de bestemming van het boek, door onze taalgenooten gelezen te worden’ (WNT I, Inl. lxxxiv). Men bezoekt een museum niet alleen, om bij een bepaalde gelegenheid een enkel voorwerp na te kijken, maar men vertoeft er een tijdlang, om op zijn gemak het geheel te overzien, de onderdelen van nabij te beschouwen, te vergelijken en te genieten. ‘Waarom zou men niet hetzelfde doen in eene schatkamer der taal?’, aldus De Vries, ‘Wij kunnen slechts in oprechtheid verklaren, dat wij gepoogd hebben onze artikelen te bewerken in leesbaren vorm [...]. Wij mogen hopen dat het Woordenboek, in overeenstemming met de bedoeling, niet alleen bij voorkomende behoefte opgeslagen, maar ook wel eens gelezen zal worden’ (WNT I, Inl. lxxxv).

3.2. De imitatio-traditie in het WNT en het DWB

In de Duitse lexicografie is het oudste gebruik van citaten al te vinden in het Bayerisches Wörterbuch van J.A. Schmeller, dat in 1827 te Stuttgart verscheen. Dit woordenboek beschrijft woorden op basis van verifieerbare, schriftelijke vind- en bewijsplaatsen. Het bevat geen ‘voorbeelden’, maar plaatsen uit allerlei documenten, als oorkonden en letterkundige werken. Juist daardoor werd het Beierse dialect opgewaardeerd. Voor het DWB won dit principe meer en meer terrein, omdat het feit dat een verouderd en vergeten woord werd aangetroffen in belangrijke oorkonden of in andere schriftelijke bewijsplaatsen, een argument was om eigentijdse taalgebruikers op te roepen om dat woord weer te gaan gebruiken:

nicht sollte den heutigen oder künftigen schriftstellern verboten werden, wörter zu gebrauchen, sondern erleichtert sie wieder einzuführen (Jacob Grimm in 1853, gecit. naar Kirkness 1908, 154).

 

Ook De Vries had als doelstelling de taalgebruiker te bewegen om het taalen woordgebruik van oude schrijvers en dichters na te volgen, zuiver de imitatio:

Een aantal woorden, ja, zijn bepaald en stellig verouderd, alleen bij weinigen door historische studie bekend, en zij hebben zoodanig alle levenskracht verloren, dat elke poging om ze terug te roepen, op louter bespotting uitloopt. Maar in andere is die levenskracht nog niet zoo geheel uitgedoofd (De Vries, Ontw. 19, ook in iets gewijzigde formulering in De Vries, WNT I, Inl. xxxix).

[p. 200]

Dikwijls is er slechts ‘de adem van het genie’ voor nodig om een verouderd woord ‘tot nieuwe ontwikkeling en bloei te doen brengen’. Hij verwijst hierbij naar Bilderdijk, ‘die zoovele halfverouderde woorden in eere herstelde’. Bij het lemma Aandwingen ‘Dwingen of noodzaken iets aan te nemen’ vindt men enkele citaten van Hooft: ‘Als hem boode op boode 't geloof aandwong (hem noodzaakte die tijding te gelooven), werd hem 't verdriet te maghtigh’ (HOOFT, N.H. 249). ‘Ook is 't geloof geen ding dat men yemandt aandwingen kan’ (hooft, Henr. d. Gr. 22). Bij dit artikel plaatste De Vries een aanmerking:

Het woord was reeds in 't mnl. bekend, doch is thans in onbruik geraakt. Het verdient echter te herleven. Het is volkomen zuiver gevormd, terstond voor elkeen verstaanbaar, en zou eene wezenlijke behoefte vervullen; want geen ander woord drukt het denkbeeld even juist uit. Opdringen is niet hetzelfde: dringen is zwakker dan dwingen en onderstelt nog de mogelijkheid van weigering, die bij dwingen geheel wegvalt.

 

Het ging Wilhelm Grimm steeds om termen als de ‘Erhebung’, ‘Lauterung’ en ‘Reinheit’ van de taal. Ook spreekt hij van ‘Kraft’, ‘Leben’, ‘Geist’ en ‘Sinn’ zowel met betrekking tot het volk als tot de taal (Hass 1997, 16). Maar bovenal dachten de Grimms bij deze begrippen aan de poëzie, als uiting van kracht, vitaliteit en schoonheid van de taal. Het belangrijkste criterium voor de keuze van zijn bronnen is voor Grimm het ‘sprachgewalt’ van een dichter:5

Die gewalt der poesie, die in jeder sprache das meiste vermag, sollte das wörterbuch vor augen stellen, und wo man es aufschlage zeigt es deutliche und abgesetzte verse (DWB I, xxxvi).

 

Jacob Grimm waardeerde reeds in 1853 de ‘genaue heranziehung der schriftsteller und dichter’ als de ‘hauptvorzug’ van het woordenboek (Kirkness 1980, 154). Ook in de inleiding van het DWB komt de doelstelling daarvan duidelijk tot uiting:

Das Deutsche Wörterbuch soll den nationalen Schatz, den Sprache und Literatuur darstellen, allen hiervon abweichenden Textsortenerwartungen zum Trotz als solchen präsentieren und die Macht der Sprache, ‘die gewalt der poesie’, einem Publikum nahebringen, die Sprache und Literatur als Quelle nationaler Identität begreift (Hass 1997, 15).

 

De citaten uit de werken van dichters worden door de gebroeders dan ook veelvuldig becommentarieerd met opmerkingen die beogen het gewone taalgebruik te verbeteren, mooier te maken. Zo merkt Grimm, om een voorbeeld te geven, i.v. Denkweise op: ‘Göthe liebte das wort [...] Göthe gebraucht es auch um den einem kunstwerk eigenen geist auszudrücken’.

Daarom werden de citaten uit gedichten in het DWB - en ook in het WNT - typografisch als regels van een gedicht zodanig gezet dat er witregels omheen verschenen. Zo kwam de schoonheid nog beter uit. Ook De Vries

[p. 201]

plaatste bij citaten uit werken van dichters opmerkingen en commentaren, zoals Grimm dat ook deed. I.v. Aanbraak merkte De Vries op:

Het woord schijnt door bild. gevormd, die het talrijke malen bezigt; doch op zijn voorbeeld is het ook bij andere dichters in gebruik gekomen. De vorming is geheel onberispelijk, naar analogie van afbraak, doorbraak, inbraak.

 

De gebroeders Grimm wilden in hun woordenboek de Duitse taal beschrijven vanaf de bijbel van Luther tot Goethe. Zij gingen uit van een ‘Programm eines neuen Wörterbuches der deutschen Sprache’, waar zij de wens uitten voor een ‘Wörterbuch der deutschen Sprache. Mit Belege von Luther bis auf die Gegenwart’. Reeds in de Kasseler Allgemeine Zeitung van 1 september 1838 wordt die periode benadrukt:

[...] Es [het DWB] soll von Luther bis auf Goethe den unendlichen Reichthum unserer vaterländischen Sprache, den noch Niemand übersehen und ermessen hat, in sich begreifen. Alle edeln Schriftsteller sollen vollständig eingetragen, die übrigen ausgezogen werden (Kirkness 1980, 69).

 

Jacob Grimm onderbouwde in een brief van 20 september 1838 aan Lachmann zijn visie:

Aber, ich meine, alle wörter von schönheit und kraft seit Luthers zeit dürfen zur rechten stunde wieder hervorgeholt und neu angewandt werden; das soll als erfolg und wirkung des wörterbuchs bedacht werden, dass die schriftsteller daraus den reichthum der vollkommen anwendbaren sprache ersehen und lernen (Kirkness 1980, 70).

 

Die ideeën sloten naadloos aan bij de ethische opvattingen van De Vries. In 1852 is dat ook de stelling van De Vries:

de verschillende beteekenissen der woorden zullen worden gestaafd door voorbeelden uit klassieke dichters of prozaschrijvers, uit het geheele tijdperk sedert 1637 [...]. Men zal trachten vooral zulke plaatsen uit te kiezen, die het schoone gebruik, dat van een woord in den stijl kan worden gemaakt, helder in het licht te stellen (De Vries, Ontw. 80).

 

In alle publicaties van De Vries leest men dat bij hem de schoonheid van de Nederlandse taal voorop stond. Die schoonheid van de taal moest worden aangetoond door citaten uit de werken van de beste Nederlandse schrijvers in het woordenboekartikel op te nemen. Het woordenboek ‘moet de taal niet uitsluitend als een voorwerp van wetenschap, maar ook als een kunstgewrocht, te beschouwen geven’ (WNT I, Inl. lxxxv). Met het oog op dat doel was het voor De Vries al voldoende het Woordenboek te laten aanvangen bij de Statenbijbel [1637], een hoogtepunt van het literaire gebruik van het Nederlands, aangevuld door de Nederlandsche Histooriën van Hooft, dat kort

[p. 202]

daarop, in 1642, verscheen en dat hij een ander belangrijk werk vond voor de ontwikkeling van het Nederlandse proza.

Daarbij kwam hij uit bij de naar zijn mening grootste drie schrijvers in de zeventiende eeuw: Hooft, Vondel en Huygens. ‘De namen van Coornhert, Visscher en Spieghel, van Cats, Hooft, Vondel en Huyghens, van Bredero, Coster en Starter, Zevecote, Poirters’ leverden allen een bijdrage ‘tot den nationalen taalschat’, maar, zo waarschuwde De Vries, ‘de keuze dier bijdragen moet altijd met oordeel en smaak geschieden’ (WNT I, Inl. xli). En verder: ‘Met de sieraden van Hooft's prozastijl moge het Woordenboek zich verrijken, maar het hoede zich voor zijne feilen’ (De Vries, Ontw. 23). Ook aldaar: ‘Men zamele uit de lettergewrochten van omtrent 1637 af - des noods van eenige jaren vroeger - met bedachtzaamheid en met een zuiver taalgevoel al het bruikbare op’. Het leidend beginsel moet nooit uit het oog worden verloren door uit ‘de schrijvers der 17de eeuw onbepaald alles op te nemen, om het even of het met de taal van latere dagen al dan niet in verband sta’ (WNT I, Inl. xli), want dan blijven de

[...] werken van een Hooft, Vondel, Zevecote en zoovele andere dichters, waarop Nederland roem draagt, [...] niet ongebruikt, maar leveren kostbare bijdragen op, om het groote gebouw op eene waardige wijze te voltooijen (De Vries, Ontw. 22).

 

Van de latere schrijvers konden slechts Bilderdijk, Beets en Van Lennep op bewondering van De Vries rekenen. Voor De Vries was het niet nodig om alle schrijvers te excerperen:

Is het denkelijk - zo vroeg hij aan het gehoor op het Letterkundig Congres te Brugge in 1862 - dat gij uit Nomsz of Hulshoff, uit Kantelaar of Loosjes, uit Coninckx of Ter Bruggen, veel zult bijeenlezen, wat niet even goed, ja vrij wat beter, bij Bilderdijk en Van der Palm, bij Tollens en Haafner, bij Ledeganck en Willems te vinden is? (De Vries, Versl. 1862, 27).

 

Een gelijkaardige uitlating vindt men bij Jakob Grimm:

Viele neuere schriftsteller z.B. Schiller (nicht Göthe, auch Lessing nicht) erscheinen mir [...] wortarm und unsrer sprache nicht recht mächtig; das gilt auch von einem gedankenreichen autor wie Jean Paul, der sich so ziemlich mit den gewöhnlichen wörtern behilft (Kirkness 1980, 70).

 

Het ging De Vries - net als Grimm - voornamelijk om de schoonheid en de rijkdom van de taal. De citaten dienden slechts om de gebruikers, of lezers, van zijn woordenboek uit te nodigen om het getoonde taalgebruik na te volgen: ‘Er moet niet alleen leering, maar ook bezieling van uitgaan’ (WNT I, Inl. lxxxv).

[p. 203]

4. Besluit

Beschouwing van het gebruik van citaten in de oudste WNT-delen, die door De Vries en zijn naaste medewerkers zijn geredigeerd, leidt tot de conclusie, dat citaten afkomstig van oudere werken uit de Nederlandse letterkunde - zowel proza als poëzie - die zijn ontstaan of verschenen voor ongeveer het jaar 1800, preciezer gezegd: voor de door De Vries zo bewonderde predikant Van der Palm, zijn voornamelijk voorbeelden-imitatio. Dit geldt in het bijzonder voor de Statenbijbel en voor de werken van Hooft en Huygens. Citaten uit letterkundig proza dat verscheen in de negentiende eeuw zelf, dus in de eeuw van De Vries, zijn voorbeeld-illustratio, met het doel de gebruiker van het Woordenboek te tonen hoe het desbetreffende woord correct moet worden gebruikt. Citaten uit poëtische werken, van bijvoorbeeld vooral de door De Vries hoog gewaardeerde Bilderdijk en Van Lennep, blijven voor hem als voorbeelden van schoon taalgebruik echter nog de imitatio-rol vervullen.

Het ‘voorleesideaal’ van De Vries werd door de redactie die hem opvolgde spoedig geheel verlaten. De verwachtingen van de gebruikers - toen voornamelijk de gewone Nederlanders (en Vlamingen) uit alle lagen van de bevolking - veranderden en werden breder. Men zocht niet uitsluitend normatieve informatie, maar men verwachtte van het woordenboek ook een raadgevend en adviserend antwoord op alledaagse vragen over bijvoorbeeld het gebruik of de spelling van een woord. De rol van de citaten veranderde mee: van voorbeeld-imitatio werd deze tot voorbeeld-illustratio. De tweede generatie WNT-redacteuren stelde bovendien vast dat citaten die voorleesbaar moesten zijn door hun lengte nogal veel ruimte in het woordenboek in beslag namen. De artikelen namen alleen daardoor al aanzienlijk in omvang toe, en als gevolg daarvan ook het woordenboek. De uitgevers werden geconfronteerd met hoge productie- en uitgavekosten.6

Later, na ongeveer 1900, zijn de wetenschappelijke gebruikers het woordenboek gaan aanwenden. Zij stelden hoge eisen aan de methodologie van een woordenboeksartikel. Citaten zijn voor hen materiaal waarmee zij zelf de door de lexicograaf geformuleerde betekenis kunnen verifiëren. Naast het citaat als voorbeeld-illustratio functioneert het citaat dan als voorbeeld-verificatio.

Opmerkelijk was het dan ook dat, na de verschijning van de cd-rom van het WNT in 1996, het citatenmateriaal het eerste onderdeel was dat de gebruikers of lezers bekeken: welke auteurs zijn het meeste geciteerd; en welke werken zijn gebruikt en welke citaten. Nog in 1951 merkte de schrijver Thomas Mann op dat het DWB door diegenen die zich voor de Duitse taal interesseren, ‘die unterhaltsamste Lektüre von der Welt’ is (gecit. naar Hass 1991, 586). Dat geldt ook voor velen die het WNT in hun bezit hebben.

[p. 205]

Literatuur

De aanhalingen uit historische literaire bronnen zijn conform de Bronnenlijst van het Woordenboek der Nederlandsche Taal. De citaten zijn volgens de conventies van het WNT. De citaten uit het hedendaagse Nederlands zijn afkomstig van de Taalbank van het INL te Leiden.

Alberdingk Thijm 1865
J.A. Alberdingk Thijm, ‘Het Nederlandsche Woordenboek’. In: De Gids 1865, 393-420.
Van den Branden 1956
L. van den Branden, Het streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands in de 16de eeuw. Gent: Secretarie der Academie, 1956 (KVATL VI, 77).
DWB
Deutsches Wörterbuch. Herausgeg. von J. und W. Grimm. Leipzig, 1854-1954.
Hass 1991
U. Hass, ‘Zu Bedeutung und Funktion von Beleg- und Kompetenzbeispielen im Deutschen Wörterbuch’. In: Studien zum Deutschen Wörterbuch von Jacob Grimm und Wilhelm Grimm. Herausgegeben von A. Kirkness, P. Kühn und H.E. Wiegand. Band 2 (Lexicographica. Series Maior 34 (Tübingen), 535-594 [1991].
Hass 1997
U. Hass-Zumkehr, ‘“Alle Welt erwartet hier eine Erklärung von mir” - Jacob Grimms Vorrede zum Deutschen Wörterbuch zwischen Apologie und Programm’. In: Zeitschrift für germanistische Linguistik 25 (1997), 1, 1-24.
[p. 206]
Karsten 1949
G. Karsten, 100 jaar Nederlandse philologie. Matthias de Vries en zijn school. Leiden.
Kirkness 1980
A.L. Kirkness, Geschichte des Deutschen Wörterbuchs. 1838-1863. Dokumente zu den Lexikographen Grimm. Stuttgart.
Knuttel, Levensloop
J.A.N. Knuttel, Levensloop. Leiden, 1989.
MNW
Middelnederlandsch Woordenboek. Red. E. Verwijs en J. Verdam. 's-Gravenhage, 1985-1952. Er is gebruik gemaakt van een bèta-versie van de CD-rom van het MNW (met dank aan D. Geirnaert).
Moerdijk 1994
A. Moerdijk, Handleiding bij het Woordenboek der Nederlandsche Taal. 's-Gravenhage.
Murray 1995
K.E.M., Murray, Caught in the Web of Words. James Murray and the Oxford English Dictionary. New Haven, London.
Noordegraaf 1997
J. Noordegraaf, ‘Kleinkinderen van Ten Kate? Nederlandse taalkunde in de negentiende en twintigste eeuw’. In: Nederlands 200 jaar later. Handelingen Dertiende Colloquium Neerlandicum, Leiden, 24-30 augustus 1997. Woubrugge: Internationale Vereniging voor Neerlandistiek IVN [Münster: Nodus Publ.], 1998, 29-52.
Soeteman 1982
C. Soeteman, 130 jaar Woordenboek der Nederlandsche Taal 1851-1981. De briefwisseling tussen Matthias de Vries en Jacob Grimm 1852-1863. Leiden: INL.
De Vries, Ontw.
M. de Vries, M. de, Ontwerp van een Nederlandsch Woordenboek. Groningen, 1852.
De Vries, Versl. 1854, 1856, 1860, 1862
M. de Vries, M, de, Verslag der Redactie van het Nederlandsch Woordenboek. Haarlem: Kruseman, 1854-1862.
Van de Wal en Van Bree 1992
M. van de Wal en C. van Bree, Geschiedenis van het Nederlands. Utrecht.
Willinsky 1994
J. Willinsky, Empire of Words. The Reign of the OED. Princeton, New Jersey.
WNT
Woordenboek der Nederlandsche Taal. 's-Gravenhage (enz.), 1882-1998. Er is gebruik gemaakt van de CD-rom, ed. 1996, waarvan de citaten afkomstig zijn.
WNT I, Inl.
M. de Vries, Inleiding in Woordenboek der Nederlandsche Taal. Dl. I, I-XCV. 's-Gravenhage (enz.) 1882.