|
|
|
| |
| | | |
De lexicografische activiteiten van de familie Calisch1
Jan Posthumus
Abstract - The name Calisch features on quite a number of Dutch 19th century dictionaries. The men that produced them were the two cousins (also brothers-in-law) Isaac Marcus Calisch (1808-1884), schoolhead and translator, and Nathan Salomon Calisch (1819-1891), journalist and secretary of the Stock Exchange. Both were also prominent figures in the Amsterdam Jewish community. In their lexicographical work they had a forerunner in Marcus Isaac Calisch (1778-1842), father of Isaac Marcus. They are probably best remembered for their short-lived Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal (1864), which served as the starting-point for the later Van Dale dictionaries. More succesful and important in their day, however, were their various bilingual dictionaries, in which their knowledge of French, German and English was turned to account. They also had a hand in various editions of the remarkable Viertalig Woordenboek (1848) developed on the initiative of the publisher Koenraad Fuhri (1814-1858). The description of these now largely forgotten dictionaries in their several editions is intended to fill a gap in the historiography of 19th century Dutch lexicography.
| |
1. Inleiding
In het Nederlandse woordenboeklandschap van de negentiende eeuw komt men, met verschillende voorletters, verscheidene malen de auteursnaam Calisch tegen. Het nu nog bekendste werk van de neven en zwagers Isaac Marcus en Nathan Salomon Calisch is vermoedelijk het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal (1864). Het wordt nogal eens genoemd, omdat het in de bewerking van de Sluise schoolmeester Johan Hendrik van Dale vervolgens onder diens naam triomfen zou vieren. Maar daarnaast brachten de Calischen nog een flink aantal andere woordenboeken op de markt, die in hun tijd een veel groter debiet hadden en toen ook verschillende edities beleefden.
Wie zich voor nader onderzoek in het Pica-bestand oriënteert, treft een verwarrende hoeveelheid titels aan. De insider herkent daarin het nodige dorre hout. Hetzelfde werk blijkt soms onder verschillende titel te zijn geregistreerd of met verschillend ingeschat publicatiejaar. Dat is op zich niet verwonderlijk, want, net als de Nationale Centrale Catalogus (NCC), is het PICA-bestand in wezen een ongeredigeerde collage van de gegevens zoals die eens in allerlei plaatselijke bibliotheken werden opgesteld.
Zinvolle redactie behoorde wel tot de doelstelling van de Bibliography of Dutch
| | | |
Dictionaries (1995) van Frans Claes en Peter Bakema. Inderdaad is daar gepoogd samenhang in de verschillende publicaties aan te brengen, maar de daar aanwezige data behoeven niettemin hier en daar aanvulling en correctie.
Dit artikel bedoelt orde te scheppen in een soms nogal ingewikkelde materie, en een beeld te schetsen van de inhoud van de verschillende werken die uit het Calisch-scriptorium de wereld in gingen. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de interne ontwikkelingen binnen die producten. Slechts sporadisch wordt iets meegedeeld over het gebruik dat zij maakten van door hen genoemde bronnen. Een vollediger onderzoek in deze materie viel buiten het door mij gestelde kader.
Grondslag voor dit artikel waren allereerst de 25 woordenboekdelen en deeltjes die ik zelf in de loop der jaren antiquarisch heb kunnen verzamelen. Gaten in die collectie konden ten dele worden opgevuld door bezoek aan een aantal universiteitsbibliotheken. Informatie over verschijning van de werken en soms wisseling van uitgever werd, waar mogelijk, geverifieerd in Brinkman's Catalogus en het Nieuwsblad voor den Boekhandel.2 Ook konden in de UBA en UBL enkele brieven worden geconsulteerd die de auteurs aan een bepaalde uitgever hadden gericht.
Potentieel waardevolle bronnen zijn verder de mappen met uitgeversbescheiden, bijeengebracht in de bibliotheek van de KVB, thans geïncorporeerd in de UBA. Of daarin iets belangrijks aanwezig is hangt sterk af van het toeval. A.C. Kruseman (1818-1894) beklaagde zich destijds al over de ‘opruimings- en verdelgingswoede’ in uitgeversland: ‘Niet genoeg is het te bejammeren, dat de papiermolen zoo wreedaardig pleegt te vermalen wat voor een napluizer goud waard is’, zo merkte hij terecht op.3
Gebruik van de beschikbare bronnen maakte het niettemin mogelijk een vrij stevig overzicht van de Calisch-produkten op te stellen, waarin mogelijk te zijner tijd nog bepaalde details kunnen worden ingevuld.
Bij de behandeling van de woordenboeken is een indeling naar onderwerp aangehouden. Allereerst aan de orde komt het aanvankelijk anonieme Viertalig
| | | | Woordenboek, waaraan al spoedig de naam Calisch werd verbonden. Vervolgens passeren per taal apart de woordenboeken voor Duits, Frans, Nederlands en Engels de revue. Opvallend is dat de Calischen woordenboeken samenstelden voor elk van de drie vreemde talen waarmee de Nederlander in de eerste plaats te maken kreeg. Zij waren in de negentiende eeuw niet de enige lexicografen die zich daartoe capabel achtten. D. Bomhoff (1792-1860) was hen al voorgegaan en ook Jacob Kramers Jz. (1802-1869) verzorgde woordenboeken in alle drie talen.4 In dezelfde traditie stond ook Servaas de Bruin (1821-1901).5 Een laatste opvallende generalist in dit rijtje was F.P.H. Prick van Wely (1867-1926).6 Na hem beperken woordenboekauteurs zich normaliter tot één vreemde taal.
De behandeling per onderwerp doorbreekt noodgedwongen de chronologische volgorde waarin de verschillende edities van de werken verschenen. Deze is wel aangehouden in de bibliografie aan het eind van dit artikel, waarin zodoende kan worden nagegaan hoe de Calischen hun tijd over de verschillende projecten verdeelden.
| |
2. De auteurs
Voorafgaand aan de inhoudelijke beschrijving van de woordenboeken moet iets worden meegedeeld over de auteurs, alleen al om enig inzicht te geven uit welke voedingsbodem dit werk ontsprong. De twee vervaardigers van deze werken, Isaac Marcus Calisch en Nathan Salomon Calisch waren kleinzoons van een stamvader, Isaac Marcus Calisch (1743-1819), die zich in 1776 vanuit Polen in ons land had gevestigd.7
Van beide auteurs, Isaac Marcus zowel als Nathan Salomon, is het nodige
| | | | bekend, zowel uit de aan hen gewijde artikelen in naslagwerken als uit overlijdensartikelen in de kranten.8 Woonachtig in Amsterdam, genoten ze waardering als eerzame en gerespecteerde leden van de samenleving. Ze speelden ook een actieve rol in het joodse maatschappelijke leven. Isaac Marcus Calisch (1808-1884) bekwaamde zich als onderwijzer en werd hoofd van een goed bekend staande joodse school, die hij zelf in maart 1834 was begonnen. Zijn status als talenkenner werd bevestigd door zijn benoeming in augustus 1837 tot beëdigd translateur voor de Franse, Duitse en Engelse taal. Aan zijn ambities gaf hij kort daarna nog verder gestalte door op zondagavonden thuis college te geven in de Franse en Nederlandse taal- en letterkunde voor degenen die na het verlaten van de school zich op die gebieden verder wilden bekwamen. In de joodse gemeenschap was hij de ‘toonaangevende kracht’9 van het letterlievend genootschap ‘Tot Nut en Beschaving’. Naast de woordenboeken waaraan zijn naam verbonden is, bezorgde hij ook vertalingen van Franse literatuur, waaronder die van Victor Hugo's Les Misérables.
De iets jongere Nathan Salomon (1819-1891) was aanvankelijk onderwijzer, maar begaf zich vervolgens in de journalistiek. Van 1844 tot 1883, het jaar waarin dat blad ophield te bestaan, was hij verbonden aan de Amsterdamsche Courant. Vervolgens werkte hij voor het Algemeen Handelsblad. Daarnaast was hij secretaris van het Beurscomité. In de joodse gemeenschap vervulde hij de functie van secretaris van het Nederlands Israëlitisch armbestuur. In het verlengde daarvan publiceerde hij een algemeen overzicht met de titel Liefdadigheid in Amsterdam (1851).10 Ook hij vertaalde naast zijn lexicografische bezigheden Frans literair werk.
Over hun familierelatie werd aanzienlijke verwarring gesticht doordat ze in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek ‘broeders’ werden genoemd. Dat de verhouding anders lag, bleek uit een passage in het voorwoord van de vijfde druk (1887) van de Nouveau Dictionnaire Français-Hollandais et Hollandais-Français. Daarin memoreerde Nathan Salomon het heengaan van zijn ‘diep betreurde behuwdbroeder en vriend’ (d.w.z. de in 1884 gestorven Isaac Marcus), samen
| | | | met wie hij de vierde druk (1874) had bewerkt. Nader onderzoek wees uit dat hij in maart 1846 op 26-jarige leeftijd was gehuwd met de 35-jarige Marianne Calisch, een zuster van Isaac Marcus.11
Het vervaardigen van woordenboeken vloeide bij Isaac Marcus duidelijk voort uit zijn taak als schoolleider en opvoeder. Nathan Salomon, die als onderwijzer werkzaam was geweest voor zijn overstap naar de journalistiek, sloot zich daar met zijn uitgebreide talenkennis bij aan. Maar het was onmiskenbaar Isaac Marcus die in de ontwikkeling van bepaalde woordenboeken de hoofdrol speelde. Zo zag hij dat zelf kennelijk ook, want hij noemt Nathan Salomon ergens ‘sedert jaren mijn corrector en enkele malen mijn medewerker’.12 Die uitspraak doet mijns inziens het werk van Nathan Salomon te kort. Hoewel ze niet zelden samenwerkten, traden beide ook zelfstandig op.13
Minder bekend is dat de twee zwagers, die ook elkaars neven waren, bij het samenstellen van woordenboeken binnen de familie een voorganger hadden in Marcus Isaac (1778-1842), de vader van Isaac Marcus.14 Ze maakten dit bij wijze van terugblik bekend in voorwoorden van bepaalde woordenboekedities. In de derde druk (1854) van de Nouveau Dictionnaire Français-Hollandais et Hollandais-Français laat bewerker Isaac Marcus weten, dat hij hier het werk van zijn vader voortzet. Diens naam staat als M.J. Calisch inderdaad onder het voorwoord van de voorafgaande tweede druk (1841).15 Door een ongelukkig toeval ontbrak zijn naam aanvankelijk in de daarvoor bestemde bibliografische repertoria. De tweede druk van het woordenboek stond weliswaar op een tweetal plaatsen gesignaleerd, maar in één geval met foutief vermelde auteur, en elders
| | | | zonder auteursnaam.16 Marcus Isaac bleek verder nog betrokken bij het hieronder te bespreken Viertalig Woordenboek.
| |
3. De woordenboeken
3.1 Het Viertalig Woordenboek
Dit ambitieuze werk kwam in 1848 op de markt zonder vermelding van auteursnamen. Al vrij spoedig werd echter de naam Calisch eraan verbonden. Ook al werd niet bekend gemaakt welke personen het hadden vervaardigd, we weten wel het nodige van de ontstaansgeschiedenis.
| |
Uitgever Koenraad Fuhri (1814-1858)
In zijn overzicht van de negentiende-eeuwse boekhandel wijdt A.C. Kruseman in de rubriek ‘Persoonlijke Waardeering’ (Bouwstoffen, I: 783-803) een uitgebreide beschouwing aan deze controversiële boekhandelaar en uitgever. Het is de moeite waard de beginalinea's hier te citeren:
Koenraad Fuhri's boekverkoopersloopbaan telt maar achttien jaren. Neemt men er de drie eerste onbeteekenende jaren af, dan krimpt het eigenlijke getal tot vijftien in. Een betrekkelijk heel kleine tijdsruimte. Fuhri is in den handel niet gelukkig geweest. Hij heeft er alles in verspeeld en heeft met minder dan niets het land moeten verlaten. Niemand heeft zooveel aanstoot moeten lijden als hij en, wat erger is, er zooveel aanleiding toe gegeven. Er is een tijd geweest, dat boekverkoopers, zelfs zij die hij onder zijn vrienden telde, dat heele stedelijke boekverkooperskringen, dat, men zou kunnen zeggen allen tegen zijn manier van doen openlijk opkwamen. Ook was Fuhri niet wat men noemt een toeschietelijk mensch, iemand die door zijn voorkomen innam. Integendeel, hij was stil, in zich zelf gekeerd, kortaf, stug. Ten overvloede, bij zijn uitwijken is menigeen aanzienlijk aan hem te kort gekomen, en dat wel bitter teleurstellend.
En in weerwil van dat alles wordt Fuhri's naam niet dan met eerbied genoemd. Zijn tijdgenooten zagen tegen hem op, en het jonger geslacht spreekt van den ‘grooten’ Fuhri. Waar zijn beeld voor de herinnering verrijst, zijn alle grieven vergeten, verdreven door waardeering en bewondering.
| | | |
En, als voorlopige samenvatting:
Fuhri is een zeer merkwaardig man geweest. Hij heeft onzen boekhandel niet alleen gedeeltelijk hervormd en op nieuwe paden geleid, hij heeft meer gedaan: hij heeft over dien handel een geest van leven uitgestort, er is van hem een kracht uitgegaan, die nawerkt.17
Het is maar al te duidelijk dat hij bij zijn grote ondernemingslust zijn zaken onvoldoende onder controle had. Dit leidde ertoe dat in januari 1856 zijn faillissement werd uitgesproken. Eind 1855 had hij al de wijk genomen naar Amerika, waar hij zich in New Orleans opnieuw als boekhandelaar vestigde. Hij bouwde daar een nieuw bestaan op, maar bezweek op 23 augustus 1858, nog maar 44 jaar oud, aan de gele koorts.18
| |
Aankondiging (1840) en verschijning van het woordenboek (1848)
Een van de visionaire ondernemingen die moet hebben bijgedragen aan Fuhri's deconfiture, was de opzet en verwezenlijking van een ambitieus viertalig woordenboek. Dit project wordt op 19 november 1840 in het Nieuwsblad voor den Boekhandel uitvoerig onder de aandacht gebracht. Het betrof:
Een NIEUW VOLLEDIG WOORDENBOEK DER NEDERDUITSCHE, FRANSCHE, ENGELSCHE EN HOOGDUITSCHE TALEN, naar de nieuwste bronnen bewerkt, door eene Vereeniging van Taalkundigen, onder toezigt van Mr G. Dom Seiffen, Rector aan de Latijnsche school te Utrecht, Ridder der orde van den Nederlandschen leeuw, enz.19
Het wordt als volgt aangeprezen:
Zoo ooit eene onderneeming eene ongewone belangstelling van de zijde des Boekhandels, zoo wel als van die des Publieks verdiende, dan is het gewis deze. De Ondergeteekende wil daartoe niet verwijzen naar de zamenstelling der REDACTIE, noch naar de wijze van UITVOERING, waardoor hij veler bijval hoopt te zullen verwerven, maar kan echter niet nalaten te dezer plaatse den
| | | |
Boekhandel te doen opmerken, dat dit woordenboek EEN DER COURANTSTE ARTIKELEN mag genoemd worden, welke in den Boekhandel slechts kunnen voorkomen. Iedereen van welken rang en stand in de maatschappij ontbeert hetzelve en heeft hetzelve noodig, te meer dusdanige POLYGLOTTE tot heden DE EERSTE IS, die in ons Vaderland het licht ziet, en dezelve voor haren bezitter DE PLAATS VAN ZES WOORDENBOEKEN VERVANGEN ZAL.20
Hij vertrouwt dat de Heren boekhandelaren voor deze onderneming bijzonder hun best zullen doen en heeft nog 1500 prospectussen beschikbaar, die zij onder hun klandizie kunnen verdelen. Er is een aanzienlijk debiet vereist om de grote uitgaven van deze onderneming enigermate te dekken. En hoewel hij ‘iedere opgaaf, hoe gering ook, met dankbaarheid zal aannemen, zoo is het dus hier eigenlijk niet om Een of Twee exemplaren, MAAR OM GETALLEN TE DOEN’. Hij sluit dan als volgt af:
De ondergeteekende derhalve zijne Confraters oproepende, om zooveel in hun vermogen is deze nationale en kostbare onderneming te helpen bevorderen; en van hunne belangstellende werkzaamheid, ten dien aanzien, alles goeds verwachtende, heeft de eer zich met achting te noemen:
Hunlieder Dienstw. Dienaar,
K. FUHRI
Het boven genoemde prospectus, gedateerd 15 november 1840, benadrukt nogmaals het belang van de kennis van de Engelse, Franse en Duitse talen. Deze zal het mogelijk maken dat Nederlanders werken uit de vreemde taal in het origineel kunnen lezen, en niet hoeven te wachten ‘op de veeltijds gebrekkige overplanting [daarvan] op onzen bodem’. Met de kennis van die talen is ook een meer algemeen belang gediend: ‘Wij Nederlanders zijn ten naauwste met West-Europa verbonden en moeten, terwijl bijna met den dag het verkeer met de naburige staten toeneemt, trachten door de kennis hunner talen, onze stoffelijke en zedelijke belangen te bevorderen’.
Fuhri zet door en kan in een schrijven, gedateerd 's-Gravenhage 1848, tevreden over ‘den ongemeenen bijval die het plan van dit Viertalig Woordenboek overal ontmoet heeft’, aan de boekhandel het volgende melden:
Na een' onvermoeiden en onverpoosden arbeid van ZES JAREN, mag ik het genoegen smaken UEd. thans aan te kondigen dat het NIEUW WOORDENBOEK VAN VIER TALEN bijna geheel gereed is. Het werk telt 2300 bladzijden, waarvan ieder nagenoeg 9000 letters telt; de uitgave van het Woordenboek is mij op f. 30.000 komen te staan.21
| | | |
Het ambitieuze werk, dat dus pas in 1848, acht jaar na de eerste aankondiging, op de markt verscheen, kende vier verschillende afdelingen, elk met één van de vier talen als ingang. Bij ieder trefwoord volgde dan het equivalent, of vertaalwoord, in de overige drie talen. Brinkman's Catalogus geeft de titel als Nieuw Volledig Woordenboek der Nederduitsche, Fransche, Engelsche en Hoogduitsche Talen, vermeldt als publicatiejaar 1847 en als verschijningsvorm 4 afdelingen in 1 band.22 Een uitvoering met 2300 pagina's in één band is echter moeilijk hanteerbaar, en het zal niet verbazen dat er alleen exemplaren zijn gevonden, waarin de vier delen apart zijn gebonden, of twee bij twee.23
De afdelingen dragen de volgende titels:
afd.: 1 Nouveau Dictionnaire Français-Hollandais-Allemand-Anglais (pp. 1-396),
afd. 2: Neues Deutsch-Holländisch-Französisch-Englisches Wörterbuch (pp. 403-903),
afd. 3: A New English-Dutch-German-French Dictionary (pp. 911-1662),
afd. 4: Nieuw Nederduitsch-Fransch-Hoogduitsch-Engelsch Woordenboek (pp. 1669-2311). Opvallend is het verschil in omvang: het deel met Frans als ingang telde ca. 400 pagina's, dat met Duits als eerste taal 500 pagina's, het deel met Engelse ingangswoorden niet minder dan 750 pp., en ten slotte het deel dat Nederlanders aan hun vertaalequivalenten moest helpen circa 650 pp.
In de woordartikelen is een vaste taalvolgorde aangehouden. In de delen waarin deze talen niet als ingang fungeren, komt het Nederlands steeds op plaats twee, Duits op plaats drie en Engels op plaats vier. Alleen het Frans heeft geen vaste stee en krijgt achtereenvolgens plaats 1, 3, 4 en 2 toebedeeld.
Het verschil in omvang van de delen hangt samen met het verschil in aantal trefwoorden dat voor elke van de talen als ingang werd gekozen. En dat zal ermee te maken hebben gehad welke bestaande woordenboeken, meer beknopte of meer uitgebreide, als basis voor de nieuwe onderneming werden gebruikt. Welke werken als bronnen dienden, wordt echter nergens vermeld. Het gebrek aan symmetrie tussen de delen betekent ook dat er in de omvangrijkere delen vertaalequivalenten worden gegeven die niet als ingang in een ander
| | | | deel voorkomen. In de latere Nederlandse tweetalige woordenboeken was dit vaak een punt van kritiek. Pas door het gebruik van de computer, waarmee omkeertechnieken mogelijk werden, kon worden gezorgd dat wat in het ene deel als vertaalequivalent werd opgevoerd, ook in het andere deel als trefwoord voorkwam.24
Welke personen Fuhri aanzocht en bereid vond om de onderdelen van dit magnum opus te verzorgen, is in het duister gebleven. Namen werden nergens genoemd. De auteurs werden als collectief opgevoerd, in de verschillende afdelingen successievelijk aangeduid als ‘Une Société des Gens de Lettres’, ‘Eine Gesellschaft Sprachgelehrten’, ‘A Society of Learned Men’ en ‘Eene Vereeniging van Taalkundigen’. Na enige tijd werd toch de naam Calisch aan de onderneming verbonden. Als Kruseman (1886, I: 174) het viertalig woordenboek noemt in de lijst van publicaties over de jaren 1840-1849, noteert hij daarbij ‘door Calisch’, en de door een vroegere eigenaar aangebrachte rugetiketten van mijn eigen tweedelig exemplaar dragen de tekst ‘Calisch Woordenboek in Vier Talen. 'I., resp. 'II.’.
Mogelijk zijn dit toeschrijvingen achteraf, in de hand gewerkt doordat in volgende edities de naam Calisch inderdaad op de titelpagina verscheen. Dat gebeurde al in 1854 toen N.S. Calisch werd opgevoerd als de bewerker van de tweede druk. Jaren later lichtten de zwagers I.M. en N.S. in het voorwoord van de derde druk (1882) alsnog een tipje van de sluier op door te onthullen dat vader Marcus Isaac destijds een van de samenstellers was geweest, en dat Nathan Salomon onder diens leiding mee had gewerkt bij de correctie.25 Maar wie de anderen waren die hun steentje hadden bijgedragen, blijft voorlopig nog een mysterie.
Dat een woordenboek zonder auteursnaam verschijnt, is heden ten dage ondenkbaar.26 Was Fuhri misschien bang dat het noemen van vooralsnog onbekende auteurs het vertrouwen in zijn onderneming zou schaden? Alleen toe- | | | | zichthouder Dorn Seiffen - maar wat deed hij nu precies? - had kennelijk voldoende gewicht om als uithangbord te mogen dienen. Toen de Calischen echter een zekere faam hadden verworven, werd hun naam maar al te graag aan verdere uitgaven van het werk verbonden.
Wat was nu eigenlijk het nut van deze megalomane onderneming? Voor wie was deze bestemd, wie had er wat aan? Voor de Nederlander was het misschien wel handig een woordenboek (in casu deel vier) te bezitten dat na elke Nederlandse ingang achtereenvolgens de equivalenten in het Frans, Duits en Engels vermeldde. In de andere drie delen kon hij de Nederlandse vertaling van een woord in een van de vreemde talen vinden, waarbij als extraatje ook de equivalenten in de overige twee talen werden meegeleverd, informatie waarnaar hij op dat moment waarschijnlijk niet op zoek was. Die delen leken welbeschouwd eigenlijk vooral geschikt voor native speakers van respectievelijk het Frans, het Duits en het Engels.
Het lijkt er inderdaad op dat Fuhri dit buitenlands gebruik ook in gedachte had, want blijkens de gegevens op de titelpagina bracht hij het werk tegelijkertijd onder bij een aantal buitenlandse uitgevers en boekverkopers. Men vindt hun namen, met plaats van vestiging, op de titelpagina vermeld als London, Dulau en Comp. - Coblenz, Essen en Rotterdam, Baedeker - Paris, Stassin en Xavier - Brussel, Périchon. Geen van alle, lijkt het, huizen van zodanige faam, dat ze het werk in het buitenland aan een flinke omzet konden helpen. Aangetroffen exemplaren met jaartal 1849 en als uitgever Meline, Cans et Compagnie, Bruxelles, met op de titelpagina genoemde nevenvestigingen in Livourne (Même Maison) en Leipzig (J.P. Meline), bewijzen dat in elk geval deze Belgische uitgever mogelijkheden zag om het werk ook in het buitenland aan de man te brengen.27
| |
3.1.2 De tweede druk (1854-1855)
Kennelijk om beter uit de kosten te komen bracht Fuhri, nu alleen voor Nederland, onder iets gewijzigde titel - de aanduiding ‘volledig’ was verwijderd - een tweede druk uit, die op andere leest was geschoeid. De titelpagina luidde nu: Nieuw Woordenboek der Nederduitsche, Fransche, Hoogduitsche en Engelsche talen Tweede Uitgave. Vermeerderd en verbeterd door N.S. Calisch. Te 's Gravenhage, bij K. Fuhri. 1854.
| | | |
Nathan Salomon Calisch geeft in een bijzonder informatief voorwoord de volgende toelichting:
VOORBERIGT
Het Woordenboek dat hier het publiek wordt aangeboden, is een herdruk van het vierde of laatste gedeelte van het Woordenboek in vier talen, dat voor enige jaren bij uitgever dezes is in het licht verschenen.
De groote aftrek dien genoemd werk mogt ten deel vallen, deed al spoedig de behoefte ontstaan aan eene tweede uitgave, en aangezien die behoefte zich sterker deed gevoelen aan dat deel, dat door zijne zamenstelling meer geschikt is ten gebruike van den landgenoot, besloot de uitgever, vooreerst het hollandsche gedeelte, waarin namelijk de hoofdwoorden der artikelen hollandsch zijn, het licht te doen zien. De ondergeteekende, vroeger behoord hebbende tot de redaktie van den dictionnaire polyglotte, nam, op verzoek des uitgevers, de bezorging van dezen herdruk op zich. Het werk, zoo als het thans is gewijzigd, is een op zich zelf staand woordenboek, en ten einde het beter beantwoorde aan het met de nieuwe uitgave beoogde doel, zijn de aanwijzing der rededeelen, de verkortingen enz. alle in het nederduitsch overgebragt.
Overigens onderscheidt zich dit nieuwe Woordenboek van het vroegere, door eene vermeerdering van beteekenissen bij de reeds opgenomen woorden, de zooveel mogelijke juiste overzetting, zonder omschrijving, in de drie talen, en eindelijk door eene reeks van woorden welke er zijn ingelascht.
Op het nadrukkelijk verlangen des uitgevers, heeft de ondergeteekende zijnen naam op den titel doen plaatsen, hoewel hij geene andere taak dan die van herzien volbragt.28
Amsterdam, 15 December 1853. N.S. Calisch.
Terwijl het ‘Hollandse’ deel vier zijn als nuttig ervaren functie voortzette, ondergingen de andere drie viertalige delen een gevoelige amputatie. Toen hiervan een jaar later een tweede uitgaaf verscheen, waren ze gereduceerd tot tweetalige woordenboeken, waarvoor, net als tevoren, het Frans, respectievelijk het Duits en het Engels de ingangen leverde, maar alleen het Nederlandse vertaalequivalent volgde. Ook deze delen waren volgens de titelpagina herzien en vermeerderd door N.S. Calisch. Helaas is deze keer geen voorwoord aangetroffen dat uitleg verschaft over deze koerswijziging, een voor de Nederlandse markt eigenlijk niet onlogische inkorting. Exemplaren zijn aangetroffen zowel met de drie delen in één band verenigd, als apart gebonden. De titels van deze drie, eveneens als tweede uitgaaf bestempelde delen luidden achtereenvolgens Nouveau Dictionnaire Français-Hollandais, Neues Deutsch-Holländisch Wörterbuch en A New Dictionary of the English and Dutch Languages. Verschenen te 's-Gravenhage bij K. Fuhri droegen ze het jaartal 1855 op de titelpagina.
| | | |
Hoewel in de nieuwe uitvoering de symmetrie tussen de oorspronkelijke vier delen was verbroken - we hadden nu immers één viertalig deel naast drie tweetalige - werden ze nog wel degelijk geacht bij elkaar te horen. Dit blijkt duidelijk uit een advertentie in het Nieuwsblad voor den Boekhandel van 2 oktober 1856 (pp. 207-208), waarin de Dordtse boekverkoper P.K. Braat aan zijn vakbroeders meedeelt dat hij het woordenboek van Fuhri in bezit heeft gekregen en het in een voordelige aanbieding kan leveren.29
Zijn annonce, gedateerd Dordrecht, 25 Sept. 1856, verstrekt de volgende gegevens:
Eigenaar geworden zijnde van het, in October des gepasseerden jaars, door den heer K. Fuhri uitgegeven NIEUW WOORDENBOEK DER NEDERDUITSCHE, FRANSCHE, HOOGDUITSCHE EN ENGELSCHE TALEN. Tweede uitgave. Vermeerderd en verbeterd door N.S. Calisch. 2 deelen, kl. 4o form. in 2 kolommen, met een kleine duidelijke letter gedrukt en ruim 2030 pag. bevattende, ben ik te rade geworden dit met extra voordeel aan te bieden.
De beschrijving van zijn ‘voordelige aanbieding’ maakt duidelijk in welke uitvoering die in omloop wordt gebracht:
Het 1e deel bevat: Nederduitsch-Fransch-Hoogduitsch-Engelsch.
Het 2e deel bevat: Fransch-Nederduitsch, Hoogduitsch-Nederduitsch, Engelsch-Nederduitsch. (Naar verkiezing bij elkander, of ieder gedeelte afzonderlijk ingenaaid).
De exemplaren welke men compleet (2 deelen) neemt, ontvangt men gebonden in 2 nette heel linnen banden, met vergulde rugtitel voor f. 7,20.
[...]
Ieder deel is afzonderlijk te bekomen, maar niet de onderscheidene afdeelingen van het tweede deel.30
Braat merkt nog op ‘dat dit uitmuntend Woordenboek door ieder verkocht kan worden, hetzij men een groot of een klein debiet heeft, daar het de beide hoofdvereischten dezes tijds - goed en goedkoop - in zich verenigt’. Hij hoopt dan ook op een ruime deelneming van zijn confraters.
Het gunstig oordeel over de inhoud wordt bevestigd door een recensie in De Gids. Een zeer late beoordeling verscheen in deel 2 van de jaargang 1864, waar recensent ‘M.’ liet weten dat hij had verkozen het werk voor een gefundeerd
| | | | oordeel een aantal jaren aan de praktijk te toetsen.31 Het oordeel viel verrassend positief uit:
[Z]owel bij het lezen van vreemde auteurs als het schrijven in vreemde talen, heb ik het menig en menigmaal ter hand genomen en volgaarne leg ik hierbij de dankbare getuigenis af, dat ik het bijna nooit onvoldaan heb neêrgelegd. Het heeft mij trouw gediend en vaak uitnemend geholpen, zoodat ik dan ook niet aarzel, op grond van eene jarenlange ervaring, om het warm aan te bevelen aan allen die minder tevreden zijn over hun gids in vreemde talen, of die, zoo als vroeger ik, den last ondervinden, om meer dan eene dictionaire ter hand te moeten nemen, zoodra zij [...] op een duister of hun onbekend woord stuiten. (p. 454)
Ongelukkigerwijs konden deze lovende woorden uitgever Fuhri, ‘wiens val dit werk geweest is’, aldus ‘M.’, niet meer bereiken. Deze was immers al vele jaren eerder naar Amerika uitgeweken en vrij kort daarna overleden. Maar misschien, zo opperde de recensent, kon de nieuwe eigenaar van het werk nog voordeel trekken van zijn recensie.32
| |
3.1.3 De derde druk (1878-1882)
Ondertussen was het woordenboek in bezit gekomen van het gerenommeerde uitgevershuis A.W. Sijthoff.33 Toen de voorraad uitgeput raakte, zag deze uitgever nog genoeg nut en kwaliteit in Fuhri's ambitieuze schepping om een derde editie te ontwikkelen. Daarvoor werd Nathan Salomon benaderd, een logische keuze, want hij was het immers die in 1854/1855 de tweede editie had bezorgd. In een brief aan Sijthoff, gedateerd 2 Dec. 1877, laat hij uitgebreid zijn gedachten gaan over de voorbereiding van een nieuwe druk.34 De vereiste herziening is
| | | | volgens hem moeilijk en tijdrovend. De tweede editie van Fuhri, waarop, zo memoreert hij, later Braat zijn naam zette, is immers al bijna 25 jaar oud. Uitbreiding zou dus nodig zijn, en hij vraagt Sijthoff hoe ver hij mag gaan. Om praktische redenen wil hij de volgorde van bewerking omdraaien: eerst dus het oude deel 2, dat wil zeggen F-N, D-N en E-N, waarna het oude deel N-F-D-E vlugger gaat.35 Zal hetzelfde formaat worden aangehouden? En moet de nieuwe spelling worden gebruikt? (‘Ja!’, noteert Sijthoff in de marge). Nathan hanteert die zelf niet, zo zegt hij, en er zullen veel omzettingen nodig zijn.
Hij somt ook de woordenboeken op die hij op uitgeverskosten als werkmateriaal nodig zal hebben. Zulk materiaal wordt door hem intensief gebruikt: ‘Na afloop zijn die dictionaires scheurpapier’, zo merkt hij op. Hij noemt, buiten de woordenboeken Frans, Duits en Engels die in de loop der tijden inmiddels door de Calischen zelf zijn ontwikkeld - ze worden verderop in dit artikel beschreven - Kramers' tweedelige woordenboek Frans en twee Duitse werken van respectievelijk Mozin (F-D en D-F) en Böttger (E-D en D-E). Ook de Woordenlijst van De Vries en Te Winkel mag natuurlijk niet ontbreken, zo voegt hij nog toe in een brief van 7 december, waarin hij ook zijn teleurstelling uit dat hij maar 135 vel mag vullen. Niettemin wil hij, samen met zijn zwager en neef Isaac Marcus, snel beginnen.
Als de nieuwe bewerking vier jaar later verschijnt, is het meest substantiële deel de derde druk van het viertalig gedeelte, dat weer uitkomt onder de titel Nieuw Woordenboek der Nederlandsche, Fransche, Duitsche en Engelsche Talen, zij het dat onze taal inmiddels niet langer als ‘Nederduitsch’ wordt aangeduid. De titelpagina geeft aan dat het woordenboek is ‘herzien, verbeterd en vermeerderd’ door I.M. Calisch en N.S. Calisch. Het ongedateerd voorbericht geeft het volgende korte overzicht van de publicatiegeschiedenis:
Toen de Heer SIJTHOFF, te Leiden, nu twee jaren geleden ons voorstelde de bewerking eener nieuwe uitgave van het Woordenboek in vier talen op ons te nemen, meenden wij te minder ons aan deze vereerende opdracht te mogen onttrekken, daar wij, thans 35 jaren geleden, bij de geboorte ervan aanwezig waren, en de tweede ondergeteekende destijds, onder leiding van de Heer M.I. CALISCH, een der vervaardigers, de drukproeven der eerste uitgave corrigeerde, en tien jaren later de tweede uitgave, - in veranderd formaat en, op uitdrukkelijk verlangen van nu wijlen den eersten uitgever, aanmerkelijk verkort, - geheel alleen bezorgde.36
| | | |
In de rest van het voorwoord laten de bewerkers weten dat veel denkwerk was vereist om te beslissen wat wel en wat niet moest worden opgenomen. Enerzijds waren, door nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en het steeds toenemend internationaal verkeer, in alle vier talen veel nieuwe begrippen en uitdrukkingen in omloop gekomen op het gebied van wetenschap, kunst, scheepvaart, handel en nijverheid, welke niet in het woordenboek mochten worden gemist. Omdat anderzijds het woordenboek niet te zeer uitgebreid mocht worden, moest er ook worden geschrapt. Bronnen die specifiek worden genoemd zijn de Dictionnaire de l'Académie, en de woordenboeken van Mozin, van Webster, van Smith en Hamilton en van Flügel.37 Dat, het woordenboek van Mozin uitgezonderd, hier heel andere werken worden genoemd dan die welke N.S.
Calisch eerder aan Sijthoff opgaf, zal te maken hebben met de inbreng van zijn neef I.M. Calisch.
Na alle verrichte arbeid, zo vinden de bewerkers, is deze derde uitgave ‘te beschouwen als een geheel nieuw werk, waartoe de vorige uitgaven slechts als grondslag en leiddraad dienden’. Dit is een nogal verrassende bewering, want in een nieuwe editie blijft normaliter het overgrote deel van de inhoud ongewijzigd. Ook hier is het niet anders. Wie de nieuwe editie naast de voorgaande legt, ziet inderdaad blijken van bewerking, maar die zijn in kwantitatief opzicht weinig opzienbarend.
Ook de drie tweetalige woordenboeken, eerder aangemerkt als ‘deel 2’ van het geheel, verschijnen in een derde editie. Hun oorspronkelijke titels Nouveau Dictionnaire Français-Hollandais, respectievelijk Neues Deutsch-Holländisch Wörterbuch en A New Dictionary of the English and Dutch Languages zijn behouden. Dat ze deel uitmaken van het grotere geheel blijkt soms uit een extra voorpagina met de algemene titel Nieuw Woordenboek der Nederlandsche, Fransche, Duitsche en Engelsche Talen, en in elk geval door de aanduiding Viertalig Woordenboek op de rugtitel, met J.M.& N.S. Calisch als de auteursnamen.38
| | | |
Van der Meulen (1891: 185) verstrekt over de productie de volgende bijzonderheden:
Ruim vijf jaren tijds was er noodig om dezen herdruk, die bij afleveringen het licht zag, te voltooien. [...] De oplaag van het eerste deel was 2500 exempl., van het tweede daarentegen 1000 meer met het oog op de splitsing er van in drie op zichzelf staande in afzonderlijke deelen uit te geven woordenboeken, nl. Fransch-Hollandsch, Duitsch-Hollandsch, en Engelsch-Hollandsch, die dan ook achtereenvolgens verkrijgbaar werden gesteld.
De precieze datering van de verschillende onderdelen kon niet worden vastgesteld. In de gevonden exemplaren van de nieuwe uitgave ontbreekt een jaartal en helaas laat ook Sijthoffs Fondscatalogus over de jaren 1851-1899 ons hier in de steek.39 We blijven dus aangewezen op Brinkman's Catalogus, die de verschijning van de publicatie situeert in de periode 1878-1882. In deze gevallen is het laatst genoemde jaar doorgaans het jaar van uiteindelijke verschijning.40 Bepaalde onderdelen waren misschien al eerder verkrijgbaar.
| |
3.1.4 De vierde druk (1886-1890)
Sijthoff publiceerde aan het eind van de negentiende eeuw nog een vierde uitgave van het woordenboek, waarin ten slotte ook het laatst overgebleven viertalig gedeelte werd ontmanteld. Wie voor een Nederlands woord het vreemdtalig equivalent zocht, was tot dusverre aangewezen geweest op het deel, dat achter elk Nederlands ingangswoord de vertaling in alle drie vreemde talen opsomde.
Nu werd die informatie per taal opgesplitst en kregen we dus aparte deeltjes N-F, N-D en N-E, die aan de al in de tweede uitgave geformeerde delen F-N, D-N en E-N konden worden toegevoegd. Deze nieuwgevormde tweetalige delen kregen ook een nieuwe titel. Sijthoffs Fondscatalogus vermeldt nu achtereenvolgens, met publicatiejaar, de titels:
Nieuw Woordenboek Nederlandsch-Fransch en Fransch-Nederlandsch (1886),
Nieuw Woordenboek Nederlandsch-Duitsch en Duitsch-Nederlandsch (1887) en
| | | |
Nieuw Woordenboek Nederlandsch-Engelsch en Engelsch-Nederlandsch (1890).41
Gevonden exemplaren bewijzen dat beide helften ook apart verkrijgbaar waren. Opmerkelijk in de samengebonden edities - de titels geven dit ook aan - was dat het gedeelte met het Nederlands als ingangstaal vooropging. Gewoonlijk wordt in tweetalige woordenboeken de omgekeerde volgorde aangehouden.
De edities golden op de titelpagina nog als ‘herzien, verbeterd en vermeerderd’ door I.M. Calisch en N.S. Calisch, maar van een echte inhoudelijke herziening was eigenlijk geen sprake. De overgang van de derde editie naar de vierde was weinig meer dan een administratieve operatie. De delen naar het Nederlands toe bleven ongewijzigd en voor de toegevoegde delen N-F, N-D en N-E werd, zo blijkt, de inhoud van de derde editie van het viertalig woordenboek eenvoudig opgesplitst. Deze drie delen hebben namelijk exact dezelfde Nederlandse ingangen, met daarachter de uit de viertalige editie overgenomen vertaling in de vereiste vreemde taal. Een dergelijke uitsplitsing, die alleen accuratesse vereiste, kon binnen de uitgeverij door een willekeurig persoon worden verricht. Isaac Marcus was in 1884 al voor de verschijning van de vierde editie overleden. Of Nathan Salomon bij de operatie betrokken was, of er ten minste een toeziend oog op hield, heb ik niet kunnen vaststellen. De gevonden exemplaren van de vierde editie ontberen helaas een voorwoord dat duidelijkheid zou kunnen verschaffen over de uitvoering van de operatie.
| |
3.1.5 Latere uitgaven bij de Gebrs. Cohen
Na de dood van Nathan Salomon (1891) werd het leven van het woordenboek, enigszins onverwacht misschien, nog tot in het eerste decennium van de twintigste eeuw verlengd. Sijthoff deed zijn vierde editie al spoedig over aan ramsjuitgever Gebrs. E & M. Cohen. Zo raakte het verzeild in een circuit dat zich in de tweede helft van de negentiende eeuw steeds wijder uitbreidde en een plaats ging innemen, ‘welke die van den gewonen handel schier te boven ging’.42
In de loop der tijden waren te veel uitgevers te veel boeken gaan produceren. Of, zoals een opmerker dat stelde: ‘Eerst kraakten de persen, toen kraakten de zolders onder de vracht van onverkochte fondsartikelen’.43 Er was dus een flinke hoeveelheid materiaal dat het modern antiquariaat kon opkopen om er zijn voordeel mee te doen. Deze waar werd aan de man gebracht met behulp van moderne verkooptechnieken: ‘Dag aan dag verlokten reusachtige advertentiën, soms met vrijwat hinderlijk kermisgeraas en trompetgeschetter, de blikken
| | | | en beurzen der lezers.’44 De volgende advertentie, geplaatst door uitgever en boekenhandelaar D. Bolle in het Algemeen Handelsblad van 22 juli 1880 is daarvan een goed voorbeeld:
Wie wil f 2000 met eene Pianino hebben? Wie wil een Premie-aandeel van ruim f 100, waarop men nooit een Niet, maar wel f 10.000 en ook minder kan trekken? Wie wil een Goud of Zilver Horloge, enz., enz., enz., PRESENT hebben? Daar is nu al weder eene zeer mooie, eene buitengewoon voordelige Aanbieding, waarin prachtige, nieuwe Boeken, bijna alle van den laatsten tijd, zijn opgenomen. Ongewoon laag zijn de Prijzen genoteerd, fraai en degelijk zijn de cadeaux, die men krijgt.45
De reguliere boekhandel zag deze acties met lede ogen aan, maar uitgevers waren niet zelden tevreden dat ze op deze manier af werden geholpen van wat in de magazijnen of op zolders als onverkoopbaar was blijven liggen. Als Kruseman de balans opmaakt, geeft hij toe dat de reguliere handel door de verkoopstunts van deze parasieten soms schade leed, maar dat met het uitgeven van boeken tegen verminderde prijzen ook een nieuw lezerspubliek werd aangeboord. En naar zijn oordeel kwam dat in algemene zin het boekenvak ten goede.
Als prominente handelaars in deze branche noemt Kruseman de Gebrs. Koster te Amsterdam, de Rotterdamse uitgever D. Bolle en de in Arnhem en Nijmegen gevestigde Gebrs. E. & M. Cohen. Het waren vooral de laatste twee die zich in de woordenboekensector actief betoonden. Wat Kruseman niet vermeldt, is dat ze hierbij gebruik maakten van dubieuze praktijken. Opvallend aan de nu onder eigen imprint verschijnende werken, was dat eerder aanwezige voorwoorden en aangeduide publicatiejaren rigoureus werden verwijderd. Zo werd de eerdere publicatiegeschiedenis bewust aan het zicht onttrokken en konden verouderde werken worden gepresenteerd als waren het nieuwe. Dat gebeurde dan zonder nieuwe datering. Publicatiejaren werden nooit expliciet aangegeven.46
Terwijl uitgever Bolle - we zullen hem in volgende delen van dit artikel nog een enkele maal tegenkomen - zich normaliter beperkte tot het slijten van overgenomen restanten, gingen de Gebrs. Cohen nog een stap verder. Als er voldoende vraag bestond, werd er in ruime mate nagedrukt. Zo ging het ook met de delen van de vierde druk van het Viertalig Woordenboek. Nadat ze van Sijthoff waren overgenomen, werden ze aanvankelijk onder eigen imprint in de
| | | | oude uitmonstering, maar tegen verlaagde prijs, aan de man gebracht.47 Naar behoefte nagedrukt werd dit oude materiaal, gevat in stevige, vaak ook aantrekkelijke, boekbanden vervolgens om de paar jaar ongewijzigd in de markt gezet, nu steeds met beide gedeelten in één band. Brinkman's Catalogus vermeldt een zesde editie met jaartal 1893 en een tiende uit 1901.48 De titelpagina werd iets anders ingedeeld: zo verhuisden de namen van de auteurs, J.M. Calisch en N.S. Calisch, naar de kop van de pagina.49
Ronduit misleidend hierbij was dat onder de steeds verhoogde druknummers dezelfde oude inhoud school. Dat de titelpagina van elke ‘nieuwe’ druk dan ook nog steeds sprak van een ‘Verbeterde en vermeerderde uitgave’, was een aperte onwaarheid. We hebben hier dus te maken met een schoolvoorbeeld van zogenoemde ‘woordenboekcriminaliteit’.50
Niettemin zal het de uitgever niet zijn ontgaan - mogelijk kwamen er ook klachten van gebruikers - dat de verouderde woordenboeken ernstige gebreken vertoonden. Hoewel vanwege de kosten en de eraan te besteden moeite een geheel nieuwe editie kennelijk niet werd overwogen, werden nieuwe gebruikers op een bepaald moment toch nog verblijd met wat extra informatie. Deze werd in het voorwerk ondergebracht. De toevoeging was in de drie delen verschillend van omvang: tegenover de twaalf pagina's in het Franse deel stonden er twintig in het Duitse en zestien in het Engelse.
Het meest voor de hand lag eigenlijk het verstrekken van een aanvullende woordenlijst.51 Maar alleen in het Franse deel vond op deze manier enige opvul- | | | | ling van lacunes in het woordbestand plaats, zij het met mate en niet zonder willekeur. Slechts drie van de twaalf extra pagina's worden in beslag genomen door een ‘Lijst van eenige woorden die in de meeste Fransche woordenboeken ontbreken’. Dat men zich hier beperkingen oplegt, blijkt, als na de welkome vertaling van ‘fabrieksstad’ als ‘ville industrielle, ville manufacturière’, een apart zinnetje volgt dat de afwezigheid signaleert van ‘bijna alle woorden betrekking hebbende op machines’. Deze moet men kennelijk zelf maar elders proberen op te zoeken.
Ook in het Engelse deel staat een ‘Lijst van eenige woorden, die in de woordenboeken [welke?; JP] ontbreken’, ditmaal echter zonder vertaling. Hier staan achter elkaar, zonder alfabetische volgorde, ruim tachtig termen, naast enkele algemene veel vaktermen uit handel en industrie, met de mededeling dat behalve de genoemde ‘het grootste gedeelte van de scheepstermen, machinetermen en rechtstermen’ ontbreekt. Ook hier wordt dus een tekort gesignaleerd zonder dat daarvoor een oplossing wordt geboden.52
Ander materiaal in deze toevoegingen lijkt meer op zijn plaats in een leergang of idioomboek dan in een woordenboek. In het Franse deel staat een lijst met woorden die volgens zeggen gemakkelijk fout vertaald zouden worden. Dat ze in een korte inleiding als ‘bastaardwoorden’ gekenschetst worden, wat ze doorgaans bepaald niet zijn, wijst op taalkundig amateurisme. Zowel in het Franse als het Engelse deel vinden we lijsten met ‘homoniemen’, woorden die met verschillende spelling hetzelfde klinken. In het Engelse deel zijn verder nog te noemen lijsten van bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden met bijbehorende voorzetsels. Interessant is daar de ‘lijst van meest voorkomende barbarismen’, ingedeeld in reeksen met ‘Zeg nooit: [...] maar zeg: [...]’. Sommige veroordeelde frasen lijken overigens niet echt fout. Ook elders is op de gegeven informatie wel het nodige aan te merken.
Van groter belang is de toevoeging in het Duitse deel van een vier pagina's lange tekst met ‘Regels voor de spelling der Duitsche taal’. Die krijgen hier niet de vorm van een droge opsomming, maar geven de Nederlander praktische aanwijzingen welke spelling hoort bij welk soort woorden, dit steeds geïllustreerd met voorbeelden. Handige informatie eigenlijk en wie twijfelt kan nog terecht in een aansluitende, zestien pagina's lange, lijst met Duitse woorden, die onder de titel ‘Wörterverzeichnis’ wordt aangeboden. Het is een kale woordenlijst met slechts hier en daar een geslachtsaanduiding of een extra werkwoordsvorm. De gebruiker moet zelf maar nagaan of er misschien een woord tussen staat dat nu anders gespeld wordt dan het trefwoord in het woordenboek. Dat blijkt slechts zelden het geval en zo wordt met deze lijst eigenlijk geen noemenswaardige extra informatie aangeboden. Wel nuttig zijn aan het eind de
| | | | afbeeldingen van de ‘Hoogduitsche Schrijfletters’.
Van enig nut is in het Engelse deel ook de in vier pagina's samengevatte informatie over ‘De uitspraak der Engelsche taal’, voor de Nederlander, zeker in die tijd, een problematisch punt. Nadat in de inleidende passage is geconstateerd dat een nauwkeurige beschrijving de precieze uitspraak van vele letters ‘zeer moeielijk en dikwijls geheel onuitvoerbaar’ is,53 wordt niettemin een alleszins acceptabel overzicht gegeven van letters en de klanken die ze kunnen vertegenwoordigen.54
De inhoudelijke toevoegingen in de drie delen vertonen maar al te vaak een schromelijk gebrek aan deskundigheid en normaal te verwachten zorgvuldigheid, en doen dus aan de reputatie van de door de Gebrs. Cohen uitgebrachte edities geen goed. Voor zover kon worden nagegaan, verschenen ze voor het eerst in de zevende druk, waarna ze in de volgende edities ongewijzigd werden herhaald.
Vanwege de verspreiding op brede schaal van belangrijke werken tegen schappelijke prijzen verdient de uitgeverij van de Gebrs. Cohen ongetwijfeld waardering.55 Maar bij de uitgave van bovengenoemde tweetalige woordenboeken is, ook met de aangebrachte toevoegingen, beslist een scheve schaats gereden. Dit werd nog eens onderstreept toen onverwacht, onder licht gewijzigde titel, een ‘Nieuwe Vijfde Uitgave’ van het viertalig woordenboek werd uitgegeven. Nieuw aan dit Nieuw Practisch Woordenboek in Vier Talen Nederlandsch - Fransch - Duitsch - Engelsch, dat in Brinkman's Catalogus wordt gedateerd op 1901, was alleen de buitenkant. Het was niets anders dan een heruitgave, met drukfouten en al, van de derde uitgave (1882) van zijn toen nog niet ‘practisch’ geheten voorganger.56 Maar misschien waren er toch nog kopers die zo'n drie-in-één vreemdetalenwoordenboek wel handig vonden.
Hoe dit ook zij, het valt niet te ontkennen dat door de vele heruitgaven het
| | | | Viertalig Woordenboek met zijn verschillende onderdelen het best bewaarde erfstuk van de Calischen is geworden: het is in zijn verschillend genummerde, maar in werkelijkheid identieke edities veruit het meest frequent aanwezig in de Nederlandse instituutsbibliotheken. Aan het bestaan van die edities is nog een bijkomend voordeel verbonden. Omdat steeds dezelfde tekst werd gereproduceerd, kan de historiograaf die moeite heeft oudere drukken op het spoor te komen, aan de hand van een latere Cohen-uitgave zich nog vergewissen van de precieze inhoud van de bij A.W. Sijthoff verschenen vier onderdelen van de derde druk (1878-1882) en de later daaruit samengestelde vierde.
Toen in de vierde druk het oorspronkelijke Viertalig Woordenboek definitief werd omgebouwd tot een reeks tweetalige woordenboeken die beide kanten uit werkten, gingen ze concurreren met andere woordenboeken die de Calischen al eerder hadden ontwikkeld. Deze komen nu aan de orde.
| |
3.2 De woordenboeken Duits
Anders dan het Viertalig Woordenboek kenden de Duitse woordenboeken, ditmaal alleen door Isaac Marcus samengesteld, geen regelmatige editieontwikkeling. Het werk waarvan hij in 1845 het eerste deel in druk zag, nog enige jaren voor de definitieve verschijning in 1848 van het viertalig woordenboek, onderging na een wisseling van uitgever een ongelukkig lot en kreeg geen rechtstreeks vervolg. Wel vormde het de grondslag voor een in 1870 verschenen bewerking door een zekere H.W. Müller. In 1883, een jaar voor zijn dood, bracht Isaac Marcus uiteindelijk nog een nieuw Duits woordenboek op de markt. Zo vormde een Duitse dictionaire zowel het begin als het eindpunt van zijn werkzaamheid als woordenboekauteur.
| |
3.2.1 Het woordenboek uit 1845 en de heruitgave uit 1851
Van dit werk verscheen het eerste, Duits-Nederlandse, deel in 1845 bij de Amsterdamse uitgever W. de Grebber. Tijdens de voorbereiding van het bijbehorende deel Nederlands-Duits ontstond er een conflict tussen auteur en uitgever, waarna Isaac Marcus zijn arbeid daaraan halverwege beëindigde, en het werk vervolgens door een ander werd voltooid. Op dit arbeidsconflict wordt verderop ingegaan. Hier volgt allereerst de beschrijving van het nieuwe woordenboek. Dit is niet alleen interessant vanwege de inhoud, maar ook omdat de auteur in een lange voorrede (pp. V-XII), gesigneerd ‘Amsterdam, I.M. Calisch. 1 November 1845’, zijn lexicografisch credo op papier zette.57
De titelpagina van deel I doet het werk kennen als ‘Neues, vollständiges Deutsch- | | | |
Holländisches und Holländisch-Deutsches Wörterbuch, nach den besten und neuesten Quellen bearbeitet. Erster Theil (Deutsch.)’ Op de onderste helft van de pagina wordt het aangeduid als ‘Nieuw volledig Hoogduitsch-Nederduitsch en Nederduitsch-Hoogduitsch Woordenboek, naar de beste en nieuwste bronnen bewerkt, Eerste deel (Hoogduitsch.)’ Op de titelpagina van deel II (‘Tweede Deel / Zweiter Theil’) is de volgorde van de titelbeschrijvingen omgedraaid. Boven staat de Nederlandse titel en op de onderste helft van de pagina de Duitse. Een auteursnaam wordt niet vermeld. Dat I.M. Calisch het woordenboek had vervaardigd blijkt alleen uit het onderschrift van de voorrede.
| |
De voorrede met inhoudsbeschrijving en lexicografisch credo
Met dit Duitse woordenboek ‘het eerste van dien aard waarmede wij het wagen opentlijk op te treden’, zoals hij zei, zette Isaac Marcus de eerste stap in zijn lexicografische carrière. Dat hij wenste serieus genomen te worden, bleek wel uit de uitvoerige inleiding die hij bij wijze van visitekaartje aan deze eersteling meegaf. Die voorrede verschaft enerzijds informatie over de context waarin het woordenboek ontstond en geeft anderzijds inzicht in de gedachtewereld en taakopvatting van de auteur, reden dus om daar ruim aandacht aan te besteden.
Hij ziet een bestaansrecht voor zijn nieuwe werk, omdat het aansluit bij recente ontwikkelingen in de maatschappij. Het onderwijs in het Duits is inmiddels op de meeste lagere scholen ingevoerd en op hoger niveau wordt kennis van die taal zelfs als onmisbaar beschouwd, dit vanwege de voortreffelijke werken die voor alle vakken in het Hoogduits zijn geschreven. Het wekt daarom bevreemding dat tot nog toe geen ‘goed’, of zelfs maar ‘dragelijk’ woordenboek ‘de talrijke beoefenaren dier schoone zustertalen’ ten dienste staat. In dat manco wil hij dus voorzien.
Waar het aan schort, is dat de bestaande woordenboeken slechts min of meer ‘bloote woordenlijsten’ zijn, vocabularia waarin alleen de meest algemene betekenis is opgenomen met voorbijzien aan de bijzondere betekenis en de spreekwoordelijke uitdrukking, terwijl ook de kunsttermen grotendeels worden gemist. Afgezien van de beperkte betekenisbeschrijving, ontbreken ook veel ingangswoorden. Zo is hij van mening dat in Thieme's Hollandsch-Hoogduitsch handwoordenboek, dat tot nog toe voor het beste en uitgebreidste wordt gehouden, op de eerste vijftig woorden van de letter B ‘niet minder dan acht en tachtig goede, bruikbare woorden’ worden gemist.58 Of zijn eigen woordenboek nu als ‘goed’ en ‘volledig’ mag gelden wil hij overlaten aan het oordeel van het publiek.
| | | |
Aan welke eisen een woordenboek idealiter moet voldoen, wordt dan als volgt verwoord:
Een woordenboek behoort te zijn: 1o. een getrouwe en onfeilbare tolk, die, hetzij in dezelfde taal, hetzij in eene vreemde, het gezochte woord in al deszelfs beteekenissen weergeeft; een heldere spiegel, die het grondwoord en de uitdrukking in al derzelver schakeringen terugkaatst; 2o. de bewaarplaats, het magazijn, waarin de gansche woordenschat bij een beschaafd volk, op het uitgebreide gebied van kunsten, wetenschappen, van den handel en de nijverheid, in gebruik, opgenomen, naar orde en regel gerangschikt, en hetzij in afleiding, hetzij in ontleding, hetzij in taalkundige beteekenis aangewezen is. (p. VI)
Daar kan natuurlijk iedereen het mee eens zijn, maar dat is, zo vindt Marcus Isaac, een ‘zware, ja onoverkomelijke taak!’ Dat hebben bekwame woordenboekmakers als Samuel Johnson (er wordt naar de voorrede van zijn English Dictionary verwezen) erkend, en ook Scaliger wordt er nog even bij gehaald met zijn bekende uitspraak over de ondankbaarheid van het lexicografische bedrijf, hier in de parafrase ‘dat het vervaardigen van een woordenboek in een lijfstraffelijk wetboek tehuis hoort’. Gelukkig is er in een zich ontwikkelende maatschappij genoeg materiaal voorhanden dat, samen met oude niet meer aan de eisen van de tijd voldoende woordenboeken, als grondslag kan dienen voor een ‘nieuw, meer volledig werk’. Nodig voor het samenstellen van zo'n woordenboek zijn volgens hem ‘eene veelzijdige kennis, veel oordeel en smaak, en bovenal een onvermoeibaar geduld’. Daar Isaac Marcus in de voorwoorden van zijn woordenboeken weinig blijkt geeft van bescheidenheid, vermoeden we dat hij dacht zelf in voldoende mate over deze kwaliteiten te beschikken.
Hij schildert vervolgens uitvoerig de problematiek verbonden aan het soort onderneming dat hij hier op zich heeft genomen. Iemand kan, zo zegt hij, met betrekkelijk weinig moeite een woordenlijst samenstellen voor een bepaald doel of op een bepaald gebied. Veel bewerkelijker is het vervaardigen van ‘een beredeneerd woordenboek, dat ook de beteekenis en het gebruik opgeeft’. Maar niets is moeilijker, zo gaat hij verder, dan het opstellen van een werk dat de woorden en begrippen van de ene taal in een of meer andere overzet: ‘daar duizelt inderdaad de verbeelding, als zij het onafmetelijke veld wil overzien, een veld dat op iedere schrede struikelblokken en hinderpalen oplevert’. De moeilijkheid wordt volgens hem nog vergroot als het twee zustertalen betreft als het ‘Nederduitsch’ en het ‘Hoogduitsch’, die uiterlijk zo zeer op elkaar gelijken, maar heden ten dage ‘niet anders dan de afkomst met elkaar gemeen hebben en in alle andere opzigten verschillen’. Deze laatste bewering is wel erg zwaar aangezet, maar menige oudere kent natuurlijk de vele ‘valse vrienden’, waarmee de middelbareschoolleerling in de bundel Schwere Wörter nog in de vorige eeuw
| | | | werd geconfronteerd.59
Nu hadden vele voorgangers al een tweetalig woordenboek vervaardigd zonder zo uitvoerig uit te weiden over de daaraan verbonden problemen. Als Isaac Marcus dat nu wel doet, wat moeten we daar dan van denken? Deed hij dat opdat de lezer met groter respect kennis zou nemen van het resultaat van zijn arbeid? Laten we deze uiting maar beschouwen als bewijs dat hij zich serieus met zijn vak bezig wilde houden.
Belangrijker dan dit soort algemene beschouwingen is de meer inhoudelijke informatie die hij verstrekt over de inrichting van zijn woordenboek. Wat de nagestreefde ‘volledigheid van beteekenis’ zou kunnen inhouden, demonstreert hij aan de hand van het lemma afval, zoals behandeld in Thieme's woordenboek. Hij laat zien met welke vertaalwoorden dat in een reeks van contexten dient te worden uitgebreid. Langer staat hij stil bij het begrip van ‘volledigheid der woorden’. Hier is absolute volledigheid van het op te nemen woordbestand een illusie. Hij beredeneert waarom ‘een woordenboek dat alle in de taal bestaande woorden zou bevatten, iets dat de meeste ongeletterden en helaas! ook veel zoogenaamde geletterden eischen, eene onmogelijkheid is’. Een oordeel waarmee iedere serieuze lexicograaf ook nu nog zal instemmen.60
Hierna volgt informatie over hoe de woordartikelen zijn ingericht. Daarbij wordt speciaal de aandacht gevestigd op het bekortingssysteem dat in rijtjes verwante trefwoorden wordt toegepast, waardoor ‘men groote ruimte wint, hoogst wenschelijk in het belang van uitgever en kooper beide, en tevens gemakkelijk voor den bearbeider’. Deze thans grotendeels verlaten praktijk, die door hedendaagse uitgevers als gebruikersonvriendelijk wordt beschouwd, wordt uitgebreid verdedigd in de volgende passage:
Inderdaad heeft het stelsel van woordafkapping en andere bekortingen, dat in de laatste jaren zoo zeer veld won, der uitbreiding en meerdere volledigheid van de woordenboeken oneindig in de hand gewerkt, en inzonderheid zijn de nederduitsche en hoogduitsche talen er vatbaar voor, daar zij meestal zamengestelde woorden bevatten, welke daardoor te ligter kunnen worden vaneengescheiden, iets dat het engelsch minder en het fransch bijna in het geheel niet toelaat. (p. XI)
Dit punt verdient kritische beschouwing. Het heeft inderdaad wel enige zin na een trefwoord als anschauen afleidingen daarvan in het onderhavige woordenboek te presenteren als: *...ung; *-d; en *...lich. De liggende streep geeft dan aan
| | | | dat het hoofdwoord in zijn geheel moet worden herhaald, de drie puntjes dat een deel van het hoofdwoord moet worden ingevuld. Als van zo'n afgeleid woord nog weer een verdere afleiding wordt meegenomen, wordt de opsomming soms behoorlijk gecompliceerd. In het woordenboek van 1883 ziet hetzelfde lemma (nu onderdeel van een uitgebreid cluster volgend op het vet gezette trefwoord ansässig) er dan als volgt uit: *...schauen, -d, *...schauer, -inn, *...schaulich, -keit, *...schauung, -sweise, -svermögen. Op zich is een dergelijk rijtje wel overzichtelijk, maar in het woordenboek volgt na ieder van deze woorden een kortere of langere vertaaltekst, en dat kan in de hand werken dat de snelle opzoeker het spoor bijster raakt.61 Een ander bekend nadeel van het werken met dergelijke clusters is dat daarmee de alfabetische volgorde van het totale woordbestand wordt doorbroken. Binnen dit systeem moet de woordenboekgebruiker dus bij het zoeken zijn analytisch taalvermogen aanspreken. Als hij dan, soms buiten de strikt alfabetische volgorde om, de afleiding of samenstelling op de juiste plaats heeft gevonden, kan hij op deze manier mogelijk zijn inzicht vergroten in bestaande woordvormingsprocessen en de betekenisrelaties die daarmee tot uitdrukking kunnen komen.
Waar echter woorden in clusters worden gepresenteerd zonder dat van nauwe betekenisrelaties sprake is, dus louter op grond van aanwezige vormkenmerken, wordt geen verdieping van inzicht bereikt. Dan wordt het gewoon een kwestie van zuinig zetten, zoals in het woordenboek van 1845 het in kleinere of grotere clusters presenteren van de vele werkwoorden met het prefix an-, zoals bijvoorbeeld anschmieren, *...schminken, *...schmücken, *...schnallen en het trio *...schnarchen, *...schnauben, *...schnautzen, alle drie met betekenis ‘toesnaauwen’.
Veel woordenboekmakers treden en traden op dit punt veel behoedzamer op dan de uitgevers van de Calischwerken. Voor het opzoekgemak worden dan allerlei clusters uit elkaar gehaald.62
In dit uitgebreide voorwoord ontbreekt niet een lijst van de woordenboeken die als bron hebben gediend. De rol van de Dictionnaire de l'Académie en van de Dictionnaire des dictionnaires kan hoogstens marginaal geweest zijn. Daarnaast worden vijf tweetalige Duitse woordenboeken genoemd, en van de Nederlandse het woordenboek van Weiland, ‘het voortreffelijke woordenboek’ van den heer Van Moock, en het werk ‘der heeren Jansen en Gocvic, voor de kunsttermen in de zeevaart en den oorlog’. Ronduit verrassend is dat onder de bronnen
| | | | ook het viertalig woordenboek wordt genoemd, ‘waarvan de uitgave door den heer K. Fuhri te 's Hage geschiedt’, wat bewijst dat dit werk, of althans een deel daarvan, al in 1845, dat wil zeggen zo'n drie jaar voor de definitieve publicatie, in eerste versie geconsulteerd kon worden.
De inleiding besluit met een dankwoord aan de heer N.S. Calisch, ‘welke, door eene naauwkeurige correctie en zeer oordeelkundige aanmerkingen, zoo veel tot de uitvoering van het geheel heeft bijgedragen’.
Naast het woordenboekgedeelte bevat de dictionaire nog een aantal destijds gebruikelijke supplementen. Het zijn in het Duits-Nederlandse deel: a) een lijst van de onregelmatige Duitse werkwoorden, b) een lijst van Duitse doop- en eigennamen, met een supplementje van namen uit de geschiedenis en fabelleer, c) een lijst van Duitse eigennamen uit de land- en volkenkunde. In deel II vinden we dezelfde onderdelen vanuit het Nederlands.
Zeer opvallend voor de hedendaagse woordenboekgebruiker is de lange lijst met getalscoderingen voor vaktalige woorden en uitdrukkingen. Onder de niet minder dan 206 genummerde categorieën vinden we meer algemene, zoals ‘in de natuurkunde / in der Naturlehre’, ‘in de heelkunde / in der Wundartzneikunst’, als ook nauw beperkte, zoals ‘bij den fonteinmeester / bei dem Brunnenmeister, Röhrmeister’ en ‘bij vijlmakers / bei dem Feilenhauer’. De soms wat ongemakkelijke Nederlandse equivalenten doen vermoeden dat een dergelijke lijst uit de praktijk van de Duitse lexicografie stamt.
Met deze opzet verschenen nu twee delen van handzaam formaat (13 × 22 cm) en flinke omvang op de markt. Het deel Duits-Nederlands telde 919 bladzijden, Nederlands-Duits had er zelfs 1096. Opvallend aan de nieuwe uitgave is de fraaie uitvoering. De tekst is verhoudingsgewijze ruim gezet. De weldoordachte typografie maakt, ondanks de lichte handicap van het gebruikte bekortingssysteem, alle informatie uitstekend vindbaar. Qua technische uitvoering steekt dit woordenboek uit boven alle andere die de Calischen vervolgens bij andere uitgevers tot stand zouden brengen.
| |
Een conflict tussen auteur en uitgever
Dat er zich moeilijkheden hadden voorgedaan bij het tot stand brengen van het deel Nederlands-Duits, blijkt pas als er in 1851 een heruitgave van het Duits woordenboek verschijnt bij de Amsterdamse uitgever G.W. Tielkemeijer. Toen firmant S. de Grebber kwam te overlijden, ging het De Grebberfonds in de verkoop en zo kon Tielkemeijer op 10 juni 1847 in het Nieuwsblad wor den Boekhandel zijn confraters kond doen dat hij eigenaar was geworden van het daar verschenen ‘Hoogd - Nederd en Nederd. - Hoogd. Woordenboek, 1e deel en 2e deel, 1e - 3e afl.’ Het werk was dus op dat moment nog niet compleet en pas in 1851 bracht Tielkemeijer onder eigen imprint beide delen tegelijkertijd op de markt.
| | | | Ondertekend door een zekere W. Dyckerhoff,63 Emmerik/Emmerich, Mei/Mai 1851, bevat het in deel II nieuw ingevoegde voorwoord de volgende ietwat duistere verklaring:
De Heer I.M. Calisch heeft slechts ten gevolge van eene oneenigheid omtrent door hem beweerde regten, hoezeer dan ook onvrijwillig, toch zonder eenige reden, die met zijn eer in verband staat, van de verdere bewerking afgezien.
De Duitse helft van de voorrede zegt wat summierder dat Calisch is teruggetreden ‘in Folge eines Rechtsstreites’, waarna Dyckerhoff het werk heeft afgemaakt, te beginnen met het woord likwidatie.64 Hij heeft daarvoor, zo zegt hij, grotendeels dezelfde werken geraadpleegd als zijn voorganger.
De aard van het rechtsgeschil wordt hier niet nader aangeduid. Isaac Marcus komt een kleine dertig jaar later nog terloops op deze affaire terug in het voorwoord, gedateerd Amsterdam 1883, van een Duits woordenboek dat hij heeft ondergebracht bij uitgever H.C.A. Campagne en Zoon. Hij maakt daarin een opmerking over een eerder Duits woordenboek van zijn hand, dat door de boekhandelaar Bolle te Rotterdam ‘sedert een paar jaar van tijd tot tijd in de dagbladen voor een spotprijs aangeboden wordt.’ Dit is een werk, zo zegt hij, dat door hem in 1845 voor de uitgever W. de Grebber werd vervaardigd. Hij had het tot op de helft van het tweede deel afgemaakt, ‘toen de firma hare betalingen en ik mijn arbeid staakte. Later werd dat 2e deel voor een anderen uitgever, die het fonds had gekocht, door den heer Muller, een Duitscher, voltooid’. Hij voelt zich daarom alleen verantwoordelijk voor de inhoud van het eerste deel, maar vraagt zich wel af, of aan een woordenboek dat 38 jaar geleden het licht zag, ‘na de hooge vlucht die de wetenschap en kunsten, in alle richtingen, in dat tijdsverloop hebben genomen, nog veel waarde kan worden gehecht’.
Wat hier wordt beweerd, is in strijd met de waarheid. Nadat Isaac Marcus zijn medewerking had beëindigd, werd volgens de ondertekening van het voorwoord de arbeid aan het woordenboek voortgezet door W. Dyckerhoff en niet door een ‘heer Muller’. Zijn geheugen liet hem hier kennelijk in de steek. De naam H.W. Müller (met umlaut) is verbonden aan een ander werk, namelijk een latere bewerking van Calisch' oude woordenboek uit 1845/1851, die hij in 1870 in het licht gaf. Het was ook deze versie, niet die van De Grebber/Tielkemeijer, die door Bolle ‘voor een spotprijs’ werd aangeboden.65
| | | |
Tegen de achtergrond van deze wordingsgeschiedenis, zoals verwoord in de voorwoorden bij de uitgave van Tielkemeijer, is het moeilijk te verklaren hoe De Grebber naast het in 1845 gepubliceerde eerste deel vervolgens nog het tweede op de markt kon brengen. In de Tilburgse universiteitsbibliotheek bevindt zich namelijk naast de tweedelige uitgave van Tielkemeijer eenzelfde set van De Grebber. Tekst en uitvoering zijn geheel identiek, alleen de voorwoorden verschillen. Bij De Grebber ontbeert deel I een voorwoord, en vindt men pas in deel II de lange voorrede die bij Tielkemeijer in deel I als algemene introductie fungeerde.66 Bij De Grebber bleef dus onvermeld dat Isaac Marcus het tweede deel niet zelf had voltooid.
Omdat Tielkemeijer in juni 1847 de rechten van een toen nog onvoltooid woordenboek had overgenomen, kan De Grebber, zoals de titelpagina ons wil doen geloven, niet al in 1846 het nog in bewerking zijnde deel Nederlands-Duits hebben uitgebracht. Dit moet pas later zijn uitgekomen en 1846 zal naar alle waarschijnlijkheid het oorspronkelijk geplande publicatiejaar zijn, afgedrukt op een titelpagina die al met de eerste afleveringen van het tweede deel was meegestuurd.67 De normale voortgang werd, zoals we zagen, onderbroken, en met de jaartallen 1845-1849 lijkt Brinkman's Catalogus een realistischer datering te verschaffen voor de twee delen van De Grebbers editie.68
Dat er na ruim een derde gedeelte van deel II een tweede hand aan het werk sloeg, is aan de inhoud niet echt te merken. Met, zoals hij verklaarde, gebruik van grotendeels dezelfde bronnen, werkte Dyckerhoff dus inderdaad geheel in de geest van zijn voorganger.
| |
3.2.2 H.W. Müllers bewerking uit 1870
Het woordenboek waarvan Isaac Marcus zijn handen had afgetrokken, bleef zijn naam dragen en werd ruim twintig jaar later nog waardevol genoeg bevonden voor een nieuwe bewerking. Het was een zekere H.W. Müller die er zijn oog op had laten vallen. H.W. Müller, die zich op de titelpagina van het woordenboek doet kennen als ‘Leeraar aan het Gymnasium en aan de Hoogere Burgerschool te Rotterdam’, voorzag de studie van het Duits in Nederland van een
| | | | aantal nuttige leerboeken, die verschillende edities beleefden.69 In dat geheel paste ook het woordenboek dat op de titelpagina werd aangeduid als ‘Nieuw Duitsch-Hollandsch en Hollandsch-Duitsch Woordenboek, volgens J.M. Calisch. Grootendeels bewerkt door H.W. Müller’.
In zijn voorwoord noemde hij weliswaar Calisch' woordenboek ‘het beste, dat tot dusverre bestond’, maar wees hij ook op de ‘vele gebreken’ die het aankleefden, met name in de juiste vertaling der termen.70 Müller liet weten dat hij hierin verbetering had aangebracht, en dat hij tevens veel nieuwe woorden en spreekwijzen van de latere tijd had toegevoegd. Over de inrichting zegt hij het volgende:
De woorden zijn zoodanig opgegeven, dat de voornaamste beteekenis, het woord, dat het meest te pas komt, ook de eerste plaats beslaat; terwijl de volgende, zoo noodig, met voorbeelden opgehelderd zijn. Ook houde men in het oog, dat een zakwoordenboek zich niet met de allerfijnste onderscheidingen voor het gebruik in alle vakken kan inlaten. De praktijk van elk vak leert dit beter, dan een woordenboek, en de synonymiek heeft in afzonderlijk daarvoor bestemde boeken hare plaats. Er behoort een rijke praktijk en veel geleerdheid toe, om uit een opgegeven hoeveelheid woorden het juist te pas komende te kiezen, en te veel doet dan meer kwaad, dan goed.
Het gedeelte Duits-Nederlands blijkt inderdaad in deze zin aangepast. Het betekenisprofiel is iets duidelijker gestructureerd en zo nodig uitgebreid. Het aantal woordingangen is nauwelijks verminderd. Er worden zelfs nog nieuwe trefwoorden toegevoegd. Zo duiken onder andere de Babuschen (‘overschoenen’) op en doet ook de Bacaliau (‘gedroogde stokvisch’) zijn entree. Het eerste helaas slecht vertaald, want het gaat om ‘huispantoffels’, en het tweede niet te vinden in andere gangbare Duitse woordenboeken, oud of nieuw.
Veel sterker bewerkt is het deel Nederlands-Duits. Het is vooral de inhoud van de woordartikelen die is veranderd. Müller geeft meer karakteristieke zinswendingen en uitdrukkingen, en vertaalt soms inderdaad ook scherper. In het lemma goed geeft Müller bijvoorbeeld behalve Goede Vrijdag ook de Goede Week
| | | | (‘Charwoche’) en het eerder ontbrekende voor goed (‘für fest, für immer’) en zoo goed als kwaad (‘so gut wie's ging, aufrichtig, treulich, aus redlichem Herzen’).71 Daarvoor sneuvelen zulke eenvoudige gebruiksvoorbeelden als goed brood (‘gutes Brot’), een goed boek (‘ein gutes, nützliches Buch’) en een goed soldaat (‘ein guter, tapferer Soldat’). Twee wendingen die Müller had moeten behouden, zijn waar is dat goed voor (‘wozu soll das dienen?’) en zoo goed als klaar (‘beinahe fertig’).72 Als Müller een goed uur vertaalt als ‘eine gute, starke, tüchtige Stunde (Weges)’ dan is dat puntiger dan wat Calisch in zijn voorbeeld een goed uur hier vandaan geeft als ‘es ist reichlich, mehr als eine Stunde (Meile) von hier’. Soms is het lood om ijzer: voor van goeden huize heeft Müller ‘von guter Herkunft’ tegenover Calisch ‘von ansehnlichen Hause’.73 Willekeur is ook zichtbaar in de vertaling die wordt gegeven voor de thans niet meer gebruikte uitroep (wel) goddeloos!, bij Calisch: ‘Potztausend; der Teufel’, bij Müller, nogal onverwacht, ‘Mein!’, meer gemeenzaam ‘Ei,
Schwernoth!’
Müller had niet gestreefd naar inperking van het woordbestand en dat maakte zijn bewerking naar sommiger oordeel eigenlijk niet bijzonder geschikt voor schoolgebruik. Toen de uitgever een proefstukje van de nieuwe onderneming had rondgestuurd, leverde een anonieme recensent daarop de volgende ironische reactie:
Wij hopen van harte, dat het onderwijs in de Nederlandsche taal aan Rotterdam's Hoogere Burgerschool den heer Muller is toevertrouwd. Onder zijne leiding zal onze moedertaal, wier rijkdom ten spreekwoord is, haar schatten met woekerwinst vermeerderd zien. In de 8 bladzijden, die ons ter proeve werden aangeboden, vinden wij tal van woorden, die door onze taalkenners met blijde verrassing zullen begroet worden.74
Ter illustratie geeft hij dan een lange rij woorden beginnend met ont-, van het type ontleeren, ontlegeren, ontlenden, ontligchamen, ontlijmen, ontlooden, ontlommeren, ontlorsen. Het is een selectie uit de massa samenstellingen met dit voorvoegsel, die in het oude woordenboek niet minder dan vijftien bladzijden beslaan en die door Müller praktisch integraal zijn overgenomen.75
Om aan te tonen dat ‘de inrigting van het nieuwe woordenboek voldoet aan alle billijke eisen’, citeert de recensent ten overvloede integraal de alinea uit het woordenboek aanvangend met ontoogen als vetgedrukt ingangswoord, waarna
| | | | zo'n dertig ont-samenstellingen volgen met hun vertaalequivalenten. Daarmee pakt hij ook het tere punt aan van de excessieve clustering van de ingangswoorden: ‘Wie de Hoogduitsche uitdrukking zoekt voor “Ontpakken” of “Ontploffing” zoekt natuurlijk 't eerst op “Ontoogen”’, zo merkt hij sarcastisch op.
In een passage toegevoegd aan het al eerder gezette voorwoord reageert Müller geprikkeld op dit nogal boosaardige stukje. Hij beschuldigt zijn recensent van onkunde. Die gewraakte woorden staan immers ook in andere gezaghebbende woordenboeken, dus had hij ook kritiek kunnen verwachten als hij ze niet had opgenomen.76
Tot Müllers verdediging moet opgemerkt dat hij nergens aangeeft dat zijn bewerking speciaal voor schoolgebruik bestemd was. Mogelijk vond hij ook dat voor de nieuwe elite die op de pas opgerichte Hogere Burgerscholen werd opgeleid, alleen het beste goed genoeg was.77
Toch wijst de recensent hier vooruit naar latere ontwikkelingen. Ook een degelijk schoolwoordenboek hoeft niet naar volledigheid te streven. In dat licht gezien bevat Müllers bewerking te veel onnutte woorden. Daarnaast laat ook het opzoekgemak veel te wensen over. Als Müller zijn bewerking als ‘zakwoordenboek’ aanduidt, dan is die status nagestreefd door met relatief weinig schrappingen de bijna 2000 pagina's van het origineel te comprimeren tot ruim 800. Voor dit doel is de inhoud in minuscule letter gezet en ondergebracht in lange alinea's waarin, met gebruik van het befaamde verkortingssysteem, alle woorden beginnend met een bepaald voorvoegsel in één lange reeks zijn ondergebracht. Een afschrikwekkend voorbeeld is de alinea waarin na het vetgedruke god alle trefwoorden die met deze drie letters beginnen, in klein cursief in doorlopende regels zijn samengepakt. Dit is een verslechtering ten opzichte van Calisch' oorspronkelijke editie. Daar werden ze, in kapitalen gezet en zeventig in getal, in veertien aparte clusters aangeboden, telkens met vooruitspringend initiaal trefwoord. Zo waren ze daar veel gemakkelijker vindbaar dan in de letterbrij van Müllers editie.
Tot overmaat van ramp was de inhoud van de nieuwe bewerking ook niet overal betrouwbaar. De auteur waarschuwde in het voorbericht dat de opgave der meervoudsvormen hier en daar onjuist was, en verwees de leerling voor betere informatie naar zijn Duitse spraakkunst. Die ongerechtigheid was in het werk geslopen, doordat naar zijn zeggen een groot deel van het Duits-Nederlands gedeelte zonder zijn medewerking was uitgebracht. Een wonderlijke gang van zaken, die de Haagse uitgever H.C. Susan, C.H.zoon, had moeten
| | | | vermijden.
Geen wonder dus dat het werk onvoldoende aftrek vond. Ramsj-uitgever D. Bolle nam na enige tijd de restanten over en deed ze, zoals Isaac Marcus zei, ‘voor een spotprijs’ in de verkoop.78
| |
3.2.3 Het woordenboek uit 1883-1885
Aan het eind van zijn leven leverde Isaac Marcus, ontevreden over wat de markt te bieden had, nog een laatste bijdrage aan de tweetalige Nederlands-Duitse lexicografie. Deze zwanenzang verscheen te Tiel bij H.C.A. Campagne & Zoon, bij welke uitgever van de hand van de Calischen al eerder het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal (1864) en het Nieuw Volledig Engelsch-Nederlandsch en Nederlandsch-Engelsch Woordenboek (1871-1875) waren verschenen.
De pagina met de algemene titel draagt de tekst: ‘Duitsch-Nederlandsch en Nederlandsch-Duitsch Woordenboek, in twee delen. Naar de beste bronnen bewerkt door I.M. Calisch, beëedigd vertaler te Amsterdam’. De aparte delen hebben dan een tweede titelpagina met de aanduiding Duitsch-Nederlandsch, resp. Nederlandsch-Duitsch Woordenboek. Het laatste deel verscheen postuum in 1885. Isaac Marcus, die overleed op de laatste dag van het jaar 1884, had vermoedelijk de kopij daarvoor al gereed gehad. In het voorwoord van 1883 had hij verklaard dat aan de kopij voor het tweede deel ‘onafgebroken [wordt] gearbeid, zoo dat druk en uitgave geen vertraging zullen ondervinden’.
In het voorwoord bij het deel Duits-Nederlands, gesigneerd ‘Amsterdam, 1883. I.M. Calisch’, motiveert hij de nieuwe uitgave, die opnieuw voor alle mogelijke doelgroepen geschikt wordt geacht, als volgt:
Naar aanleiding van de meermalen gemaakte opmerking, dat voor de beoefening der Duitsche taal hier te lande òf zeer uitgebreide woordenboeken, òf slechts zeer beperkte vocabularia bestaan, heeft de schrijver van het hier aangekondigde werk zich met de taak belast een woordenboek te vervaardigen, dat, zonder te uitvoerig te worden, nogtans op meer volledige wijze dan de laatstgenoemde woordenlijsten aan de behoefte zou voldoen, en daarbij tot leiddraad genomen het door hem vervaardigde Woordenboek van de Fransche taal waarvan vóór vier jaren een nieuwe uitgave bij den Heer J.M. (sic) van Druten te Sneek ver-
| | | |
scheen.79 Door de meest mogelijke volledigheid van woorden en groote beknoptheid in voorbeelden, gepaard aan het abbreviatiestelsel, is het hem ook hier mogen gelukken een werk saâm te stellen, door matigen prijs en vorm, bijzonder voor schoolgebruik, eigen studie, voor kantoor en werkplaats geschikt, terwijl hij zich beijverd heeft de meest gebruikelijke termen der tegenwoordige wetenschap, nijverheid en kunst er in op te nemen, waaraan een genommerde lijst, voor het werk gevoegd, dienstbaar zal zijn.
Interessant is wat hij vervolgens heeft mee te delen over de spelling:
Daar de nieuwe spelling volgens het stelsel der heeren De Vries en te Winkel thans genoegzaam overal, in de dagbladen en zelfs op handelskantoren, ook bij afdeelingen van het Landsbestuur, wordt gevolgd, meende ik mij aan den wensch der uitgevers niet te mogen onttrekken en heb ze derhalve in dit woordenboek aangenomen. (pp. v-vi)
Wel heeft hij zich verzet tegen aanneming van een gewijzigde spelling van Duitse woorden. Hij merkt terecht op dat voorstellen hieromtrent in Duitsland nog veel weerstand ondervinden en soms ronduit worden afgewezen. Uit de toelichting die hij geïnteresseerden biedt, blijkt dat hij daar goed aan heeft gedaan. Ouderwets zijn nu alleen de gehandhaafde spellingen van het type Rath, Muth en Königinn, Fürstinn. Andere voorstellen hebben het nooit gehaald.80
Dit laatste Duitse woordenboek is vervaardigd in de traditie van het eerste. Opnieuw wordt het eerder al zo geroemde abbreviatiestelsel in positieve zin genoemd. Ook nog aanwezig, echter achterin en niet zoals aangekondigd voorin, is de genummerde lijst van vaktaalaanduidingen. Alle 206 categorieën zijn nog aanwezig, hoewel soms iets anders verwoord.81 Dat het ten opzichte van het eerste woordenboek uit 1845/1851 hier en daar flink was uitgebreid, zagen we al bij de boven gegeven illustratie van de werking van het bekortingsstelsel bij het trefwoord anschauen, waar nu veel meer afleidingen en samenstellingen te vinden waren. Ook elders is het werk volgepakt met in clusters gepresenteerde trefwoorden, soms van beperkt praktisch nut. Zeker voor schoolgebruik ver- | | | | diende een beknopter woordenboek verre de voorkeur. Die waren er al genoeg en met het in 1873 op de markt gebrachte Schoolwoordenboek der Hoogduitsche en Nederlandsche Talen had Campagne er ook zelf al een in huis, dat met een aantal vervolgedities nog tot in de twintigste eeuw floreerde.
Welke bestaande werken Isaac Marcus op het oog had als ‘zeer uitgebreide woordenboeken’, is moeilijker te zien. Had hij misschien voor de Duitse markt vervaardigde dictionaires op het oog? Dichter bij huis valt te denken aan het grote Nederlandsch-Hoogduitsch en Hoogduitsch-Nederlandsch Woordenboek van C.A.X.G.F. Sicherer en A.C. Akveld, sterk in voorbeelden en idiomatische uitdrukkingen. Daarvan was in 1874 alleen nog maar het deel Duits-Nederlands verschenen, het andere kwam pas uit in 1886.82 Akveld was op twee fronten bezig: hij bracht bij dezelfde Leidse uitgever, D. Noothoven van Goor, tezelfdertijd een woordenboek van bescheidener omvang uit, waarvan de beide delen verschenen in 1870, respectievelijk 1880.83 Het was van ongeveer hetzelfde kaliber als het nieuwe werk van Isaac Marcus, maar duidelijker gezet.
In vergelijking met Isaac Marcus' eersteling uit 1845/1851 is er behoorlijk veel veranderd. In het deel Duits-Nederlands is het woordbestand op bepaalde terreinen flink uitgebreid. Aan het eind van de letter A zijn er veel nieuwe begrippen, vaak vreemde woorden, bijgekomen. Naast het al aanwezige Authentisch nu ook Authenticität, Authentie en daarnaast veel samenstellingen met Auto-, zoals Autobiographie, Autodafé, Autodidakt, Autokrat (plus -kratie, -kratisch), en Autopsie. Het oude woordenboek had hier alleen nog Automat. Verder nog woorden als Aval, Avance, Avanoement en Avanciren, Avantgarde, Avis en Avisiren, waarvan enkele in de handel thuishoren.
Aan het begin van de letter B, met een veel geringer aantal vreemde woorden, is het verschil veel minder groot. Niettemin is ook hier het aantal ingangen enigszins vergroot en worden ook wat meer samenstellingen gegeven, hoewel ook enkele eerder aanwezige, kennelijk minder belangrijk geachte, worden geschrapt. Opvallend is de uitbreiding van scheepvaarttermen. Naast het hoofdwoord Backbord vinden we nu ook Backbordseite en Backbordsgasten, de eveneens als scheepsterm aangeduide Backgeselle en Backmaat (Ned. ‘baksmaat, -gezel’) en dan ook nog Backstagsweise, Backstagswache en Backstagswind. Hier blijkt dus dat Isaac Marcus, zoals hij in zijn voorwoord meedeelde, zich beijverd heeft vaktermen in ruime mate op te nemen.
Ook de eerder al genoemde ‘huispantoffels’ zijn opgenomen, nu echter in de dubbelspelling Babouchen, Babuschen, maar geheel anders vertaald als ‘kinder- | | | | tjes (in Indië)’. Aan deze elders niet geregistreerde betekenis is kennelijk de Baboe debet. Om ruimte te vinden voor al dit fraais zijn alle eerder aanwezige voorbeelden en zinswendingen bij Backe en Backen geschrapt.
Voorbeelden zijn zeker nog aanwezig, hoewel in mindere mate. Het zijn vooral de meer eenvoudige gebruiksvoorbeelden die sneuvelen. Als er nog voorbeelden gegeven worden, zijn het zeer vaak andere. Als we die bij (sich) erheben vergelijken, vinden we er dertien in het oude woordenboek, waaronder eenvoudige als seine Stimme erheben, der Wind erhebt sich en es erhob sich ein Sturm. Het nieuwe heeft maar drie voorbeelden, namelijk Protest erheben (tegenover oud eine Klage wider einen erheben), sich über Andere erheben (tegenover sich über seine Stand erheben) en sich stolz erheben (zonder parallel).84 Ook in de definities wordt wijdlopigheid bestreden.85
Vereenvoudiging is ook zichtbaar in het deel Nederlands-Duits. Hopeloos is nu gewoon hoffnungslos, zonder toevoeging van verzweifelt en ohne Hoffnung. Bepaalde artikelen zijn geheel herschreven: houden is halten, opnieuw zonder een hele reeks mogelijke varianten die in bepaalde contexten zouden kunnen passen. Gebruikscontexten zijn allemaal door andere, inmiddels meer toepasselijke vervangen. Het horologie uit 1851 heet nu horloge. Bij hopeest weet Isaac Marcus nu dat deze droogzolder in het Duits Hopfdarre heet; dit woord vervangt de eerdere omschrijving Boden, Ofen zum Hopfen trocknen. Verbluffend blijft in beide edities het contingent samenstellingen, waaruit soms oude verdwijnen en waarin andere opduiken. Hop heeft er eenentwintig in 1851, zesentwintig in 1885.
Ongetwijfeld kon de nieuwe uitgaaf, ondanks het iets kleinere formaat, bogen op een grotere volledigheid qua woordbestand. Dat ging soms ten koste van een aantal eenvoudige gebruiksvoorbeelden, die toch voor veel gebruikers van nut moeten zijn geweest. Gedrukt op slechter papier met kleinere letter boden de pagina's helaas een nogal onoverzichtelijk geheel, waarin de details, verschillende in omvangrijke clusters opgevoerde samenstellingen inbegrepen, minder goed in het oog sprongen. Mede vermoedelijk daardoor werd het woordenboek geen commercieel succes, want het kwam, evenals Müllers bewerking uit 1870, na enige tijd in handen van uitgever Bolle, die er onder eigen
| | | | imprint, nu zonder jaartal en voorwoord, nog iets aan verdiend kan hebben.86
| |
3.3. Het woordenboek Frans
Hoewel ook het woordenboek Frans enkele malen van uitgever wisselde, kreeg het vastere grond onder de voeten dan zijn Duitse tegenhanger. Het begon als schoolwoordenboek en bleef dat eigenlijk ook. Daar kon ook de uitbreiding die Isaac Marcus bewerkstelligde in de derde editie weinig aan veranderen. In de periode 1830-1887 beleefde het vijf edities, die we in hoofdlijnen de revue zullen laten passeren.
| |
3.3.1 De eerste uitgave van 1830
Exemplaren van de oorspronkelijke uitgave zijn nergens aangetroffen, en een bibliografische notitie ontbreekt al evenzeer.87 Wel behouden is het oorspronkelijke ‘Voorberigt’, dat als onderdeel van de publicatiegeschiedenis is ondergebracht in het voorwerk van de tweede druk (1841). De titel zal dezelfde zijn geweest als die van de tweede editie uit 1841, die hieronder wordt beschreven. Het oorspronkelijke ‘Voorberigt’, in nogal conventionele bewoordingen gesteld, prijst het woordenboek als volgt aan: ‘hetzelve bevat de gebruikelijkste woorden der beide talen, en [de uitgevers] durven zeggen, dat het te verkiezen is boven die, welke in hetzelfde formaat bestaan, door het groot aantal van spreekwijzen, gemeenzame en spreekwoordelijke uitdrukkingen’, die, zo wordt opgemerkt, leerlingen anders vaak in uitgebreidere werken moeten opzoeken. Het blinkt verder uit als een ‘min kostbaar werk, hetwelk bij de genoemde voordeelen dat voegt eener uitvoering, die elk ander woordenboek, van dezen aard, achter zich laat’.
Het voorbericht wordt, net als in het woordenboek Duits van 1845, in beide
| | | | talen gepresenteerd, met in de linkerkolom de Franse tekst, in de rechter de Nederlandse. Deze praktijk wordt ook in alle volgende edities aangehouden. In deze eersteling ontbreekt nog de gebruikelijke signatuur onder het voorwoord, die naar goede gewoonte wel wordt gefourneerd in de volgende drukken.88
| |
3.3.2 De tweede druk (1841)
Op 9 sept. 1841 meldden De Gebroeders Van Cleef in het Nieuwsblad voor den Boekhandel de verschijning van een tweede druk. Voor de boekhandelaren werd nog de volgende informatie toegevoegd:
Van dit woordenboek, hetwelk bij het publiek en Heeren Onderwijzers met graagte ontvangen is, een Tweede Druk noodzakelijk geworden zijnde, zoo zijn er geen kosten gespaard, om hetzelve zoo veel mogelijk aan zijn doel te doen beantwoorden. Behalve door den vervaardiger, is het bovendien door een geacht en bekwaam Onderwijzer, nagezien, vermeerderd en verbeterd.
Wat hier vooral opvalt is dat in deze annonce de naam van de vervaardiger ongenoemd blijft. Moeten we concluderen dat deze voor de uitgever vooralsnog geen toegevoegde waarde bezat? En hoeveel meerwaarde werd eigenlijk gecreëerd door de inhoud nog eens te laten controleren door een niet met name genoemde ‘geachte en bekwame’ onderwijzer?
Dat we met een schoolwoordenboek te maken hebben blijkt uit de titelbeschrijving. Het werk doet zich kennen als ‘Nouveau Dictionnaire Français-Hollandais et Hollandais-Français, destiné a l'usage des instituts où l'on enseigne les deux langues,’ en in tweede instantie als ‘Nieuw Hollandsch-Fransch en Fransch-Hollandsch Woordenboek, geschikt ten gebruike op de scholen, waar men beide talen onderwijst.’ Het is de ‘Seconde Édition, revue, corrigée et augmentée / Tweede Druk, herzien, verbeterd en vermeerderd,’ verschenen te La Haye et Amsterdam, bij Les Frères Van Cleef. Het verschijningsjaar 1841 staat onder aan de pagina vermeld. De auteur, op de titelpagina niet vermeld, maakt zijn naam bekend in de signatuur onder het voorbericht: ‘Amsterdam, 1840. M.J. Calisch.’
Als vervaardiger van het werk, zo zegt hij, hebben de uitgevers hem belast met het bezorgen van een herdruk, nodig geworden na het succes van de eerste uitgave. Het werk is uitgebreid met een aantal woorden en spreekwijzen, tezamen ‘vijf bladen druks of 79 bladzijden’, zonder dat daarbij de prijs is verhoogd. In de laatste zin van het korte voorbericht wordt nogmaals benadrukt dat ‘ten
| | | | gevolge van het bij de zamenstelling vastgesteld plan, in een zeer beknopt bestek, met juistheid en duidelijkheid, meer gevonden wordt, dan eenig ander zoodanig Woordenboek bevat’.
Of dit nu helemaal waar is, is niet eenvoudig vast te stellen. In het onderwijskundig tijdschrift Nieuwe Bijdragen houdt de recensent, ‘omdat de gelegenheid tot het maken van genoegzame vergelijkingen [hem] ontbreekt’, zich op de vlakte. Hij is wel onder de indruk van de ‘inrigting, zoo wel als de fraaije uitvoering’ van het werk, en raadt wie een woordenboek wil aanschaffen ‘zich ook dit werk te laten vertoonen’. Hij houdt zich ten slotte verzekerd dat ‘het gebruik, zoo wel in als buiten de school, den aanvangenden zoo wel als meer geoefenden, stof tot tevredenheid zal opleveren’.89
Enkele kenmerken van Isaac Marcus' Duitse woordenboek uit 1845, zo uitvoerig door hem ingeleid, blijken ook al aanwezig in dit eerder verschenen werkje van zijn vader. Dat geldt met name voor het zo geroemde verkortingssysteem. Ook de vaktalige annotatie ontbreekt niet. Deze geschiedt hier echter niet cijfermatig, via de ruim 200 items tellende genummerde lijst, maar door middel van een afkorting. Een zeer lange lijst bevat detailcategorieën als biljartsp. (biljartspel), blaasinst. (blaasinstrument/en), boomg. (boomgaarden), bordp. (bordpapier) etc., etc., waarbij men zich soms afvraagt welke speciale vaktermen daaronder zouden kunnen vallen.
| |
3.3.3 De derde druk (1854) en de overgang naar Suringar (1856)
Na de dood van Marcus Isaac in 1842, ontfermde Isaac Marcus zich over het woordenboek. Een door hem bewerkte editie verscheen in 1854 bij de Gebroeders van Cleef. Volgens de titelpagina was de ‘troisième édition / derde uitgave’ ‘nouvellement revue, corrigée et augmentée / op nieuws (sic) bezien, verbeterd en aanmerkelijk vermeerderd’ door ‘I.M. Calisch, Traducteur juré et Instituteur à Amsterdam / Beëedigd Translateur en Onderwijzer te Amsterdam’.
In het voorwoord toont hij zich allereerst dankbaar dat hij met de nieuwe uitgave een ‘blijk van eerbied’ heeft kunnen geven aan de nagedachtenis van zijn vader. Het verheugt hem dat de uitgevers hem hebben toegestaan het werk nu breder op te zetten. Het is niet meer hoofdzakelijk ingericht ‘voor schoolgebruik of jonge beginners’, maar wil voldoen ‘aan de behoeften van alle klassen der maatschappij’. Voor dat doel heeft hij zich beijverd het woordenboek ‘eene algeheele volledigheid te doen erlangen’, met een ‘belangrijke uitbreiding in handels-, zee-, oorlogs-, regtstermen enz. enz.’ De opzet is dezelfde gebleven,
| | | | maar toegevoegd is een supplement met de vormen van de Franse onregelmatige werkwoorden en een alfabetische lijst van aardrijkskundige namen. De uitbreiding is af te meten aan het aantal pagina's: het boek is een derde omvangrijker dan vroeger. Qua formaat is het echter een zakwoordenboek gebleven, en dat betekent dat de beweerde ‘volledigheid’ slechts van relatieve aard kan zijn.
Dat de derde druk qua opzet aansluit bij zijn voorganger, blijkt ook uit de handhaving van het signaleringssysteem van de vakgebieden. Die worden ook hier aangeduid met afkortingen, niet dus met het cijfersysteem dat een kenmerk is van de woordenboeken Duits. De aangroei van de vaktermen is zichtbaar in de uitbreiding van de verkortingslijst van vier tot zeven pagina's.
De recensent van de Algemeene Konst- en Letterbode oordeelt positief over de nieuwe editie. Hij beveelt deze aan ‘als een, [die] den beschaafden lezer zelden of nooit in de verlegenheid zal laten, en ook voor een meer wetenschappelijke lectuur zeer vaak een nuttig hulpmiddel zal kunnen zijn’.90 Anderzijds blijft hij Isaac Marcus' ‘volledig werk’ echter als een zakwoordenboek beschouwen en meent dat ‘voor een zakwoordenboek de rijkdom wat al te groot is’. Enige woorden hadden achterwege gelaten kunnen worden. Sommige van de herhalingswerkwoorden met re- zoekt hij bijvoorbeeld tevergeefs in de beste Franse woordenboeken. Wie nu ter controle een blik in dit woordenboek werpt, zal vinden dat Isaac Marcus wel erg ver gaat met het opnemen van een rijtje als pédotribes: ‘(oudh.) onderwijzers in de kinder-worstelspelen’; pédophile: ‘kindervriend’; ...thysie: ‘(oudh.) kinderoffer’; ...trophe: ‘onderwijzer in de voeding der kinderen’; ...trophie: ‘leer der kindervoeding, - der kinderverzorging’.91
Dit is niet de enige plaats waar zich de gedachte opdringt dat Isaac Marcus vlijtig uit zijn bronnen overschrijft zonder te oordelen of een woord in de gegeven context wel het opnemen waard is. Maar hij wilde nu eenmaal het woordenboek van zijn vader uitbouwen tot een ‘volledig werk’, wat dat ook moge zijn. De recensent in De Gids, die vindt dat de nieuwe bewerking ‘alle aanbeveling, inzonderheid voor schoolgebruik, verdient’, merkt tegelijkertijd op dat het ‘in uitvoerigheid en volledigheid’ niet kan wedijveren met het Frans-Nederduitsch en Nederduitsch-Fransch Woordenboek van J. Kramers Jz., waarvan hij de eerste afleveringen toegezonden heeft gekregen.92 De hedendaagse lexicofiel kan inderdaad moeilijk ontkennen dat Kramers als lexicograaf-taalbeschouwer een trap hoger stond dan de volijverige, maar oppervlakkiger Isaac Marcus Calisch.
Het kleinere Calisch-woordenboek, dat natuurlijk een ander segment van de
| | | | markt bediende dan het mammoetwerk van Kramers, vervolgde zijn weg. Dat het al spoedig wisselde van uitgever, vloeide opnieuw voort uit een reorganisatie na een sterfgeval. Toen Pieter van Cleef, de meest bekwame van de oorspronkelijke twee gebroeders, in 1851 overleed, werd de zaak opgesplitst in een Amsterdamse en een Haagse tak, die onder aparte directie hun eigen weg gingen. Na deze reorganisatie werd een flink gedeelte van het fonds op verkopingen in 1856 en 1872 van de hand gedaan.93
Het Franse woordenboek vond in 1856 onderdak bij de vooraanstaande Leeuwardense uitgever G.T.N. Suringar. Deze bracht in 1856 een eigen titeluitgave uit, met het oorspronkelijke voorwoord uit 1854.94 Isaac Marcus, die naar hij zegt uit de krant had vernomen dat Suringar het door hem vervaardigde werk had overgenomen, wenst hem succes met zijn aankoop en hoopt dat er spoedig een vierde druk nodig zal zijn. Hij neemt meteen de gelegenheid te baat om te informeren, of hij Amerikaanse romans voor hem mag vertalen.95 Suringar hapt niet toe en toont zich ook gereserveerd als Isaac Marcus hem zijn plannen voorlegt voor een door hem te ontwikkelen Engels woordenboek. (In het volgende deel van dit artikel wordt beschreven hoe dit vele jaren later bij Campagne zal verschijnen.)
Suringar was geen volbloed woordenboekuitgever en het wekt geen verbazing dat de Nouveau Dictionnaire in 1869 verhuisde naar J.F. van Druten te Sneek, in wiens fonds woordenboeken een belangrijke plaats gingen innemen. Hij bracht al vrij spoedig een nieuwe editie uit.96
| |
3.3.4 De vierde druk (1874)
Het eerste dat opvalt in de nieuwe uitgave, die nu mede is nagezien door Nathan Salomon, is de verbetering in de typografie: alle trefwoorden, de verkorte in clusters opgeborgen samenstellingen inbegrepen, zijn nu in vette letter gezet. Het opzoekgemak is nog verder verbeterd doordat clusters die eerder de alfabetische volgorde verstoorden, nu zijn opgesplitst. Extra ruimte is gevonden
| | | | doordat het formaat iets is vergroot, wat zichtbaar is geworden in de langere regel, waarvan er nu ook 63 op een bladzijde passen in plaats van de eerdere 58.
In het voorwoord melden de bewerkers dat zij, ‘hoewel in beginsel geen voorstanders daarvan’, op verzoek van de uitgever de nieuwe spelling zijn gevolgd. Dit was raadzaam, ‘omdat dit werk ook op de scholen zoo veelvuldig in gebruik is’. Verder zouden ‘een aantal nieuwe woorden en uitdrukkingen op wetenschappelijk en industriëel gebied’ zijn opgenomen, waarbij zich de moeilijkheid voordeed ‘dat de voorgeschreven grenzen van beknoptheid niet mogten overschreden worden’. Vergelijking met de voorgaande editie toont aan dat er toch meer is toegevoegd en veranderd dan het nogal bescheiden gesteld voorwoord doet verwachten.
De bewerkers spreken ten slotte de hoop uit dat de vierde uitgave van het woordenboek, ‘een erfdeel van onzen geëerbiedigden vader en behuwdvader, dezelfde gunst mag te beurt vallen, waarin hare voorgangsters zich mogten verheugen’.97
| |
3.3.5 De vijfde druk (1887)
Deze wens werd kennelijk gehonoreerd, want Van Druten bracht na verloop van tijd nog een vijfde editie uit. Omdat Isaac Marcus in 1884 was overleden, werd Nathan Salomon door de uitgever aangezocht deze voor te bereiden. Hij aarzelde niet die taak op zich te nemen. ‘Op het voetspoor van mijnen diep betreurden behuwdbroeder en vriend, getrouw aan het door hem gegeven voorbeeld en door zijnen arbeid voorgelicht, heb ik aan het verzoek van den uitgever voldaan,’ zo verklaart hij in het voorbericht. Als belangrijke punten worden genoemd: 1. er zijn nieuwe woorden en uitdrukkingen opgenomen, 2. er wordt nu een stipt-alfabetische volgorde aangehouden, 3. de prijs is buitengewoon laag gesteld, of zoals nog fraaier uitgedrukt in het Frans: ‘le prix est d'une modicité presque incroyable’. (De alfabetische volgorde blijkt overigens al in de voorgaande editie te zijn aangepakt.)
Aangegroeid van 1254 tot 1280 pagina's, had het woordenboek nu zijn grootste omvang bereikt. Bij een anonieme recensent viel het bijzonder in de smaak. Deze oordeelde ‘dat het weinig minder biedt dan een groot woordenboek en oneindig meer dan een klein’. Omdat voor de vertaling ook het ‘ware
| | | | aequivalent’ gemakkelijk te vinden was, was de conclusie: ‘Wij bevelen dit goedkoope woordenboek ten sterkste aan’.98
| |
3.3.6 Een vervangend woordenboek
Van Druten wilde dit kennelijk goed in de markt liggende werk nog door laten lopen. Maar met zijn onvermijdelijk verouderende inhoud verloor het duidelijk ook een deel van zijn nut. Toen K.R. Gallas (1858-1956) werd benaderd voor een vervolgdruk, vond hij dat er wel erg veel te veranderen viel, waarop hij besloot, kennelijk met goedvinden van de uitgever, een geheel nieuw woordenboek samen te stellen. Dat laat hij weten in het voorwoord, gedateerd Alkmaar, 19 januari 1904, bij het eerste deel (Frans-Nederlands) van zijn bij Van Druten verschenen Fransch Woordenboek. Toen ook het Nederlands-Franse deel, gedateerd Alkmaar, 28 juli 1907, was verschenen, hadden we in Nederland een nieuw Frans woordenboek dat het oude werk van de Calischen geheel in de schaduw stelde. Fossielen zoals het boven genoemde pédo-rijtje waren nu verdwenen en het modernere taalgebruik was ook in idiomatische frasen en uitdrukkingen zeer ruim vertegenwoordigd. Met gebruik van een aantal gezaghebbende bronnen en benutting van eigen kennis was het ook aanzienlijk groter dan zijn voorganger. Het deel F-N telde niet minder dan 814 pagina's, het deel N-F zelfs 866.99
| |
3.4. Het woordenboek Nederlands
Het bekendste, in elk geval het vaakst genoemde Calisch-product, ditmaal door de neven en zwagers Isaac Marcus en Nathan Salomon in gezamenlijke arbeid vervaardigd, is het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal, dat in 1864 te Tiel verscheen bij H.C.A. Campagne. Het dankt zijn bekendheid aan het feit dat het diende als uitgangspunt voor wat een aantal edities later het Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandsche Taal ging heten. De bewerking die de Sluise schoolmeester Johan Hendrik van Dale op zich nam, werd in eerste instantie, op de titelpagina die werd meegeleverd met de eerste afleveringen, dan ook aangeduid als 2e druk van het werk dat aan de basis ervan lag.
Toen het resultaat van Van Dale's bemoeienissen uiteindelijk twee jaar na zijn vroegtijdige dood onder dezelfde titel verscheen, leek het met een vernieuwde titelpagina echter een zelfstandig werk geworden.100 Dat het hier een
| | | | tweede druk van het werk van de Calischen betrof was namelijk aan de titelpagina niet langer te zien. Hoe de vork in de steel zat, werd overigens naar waarheid uiteengezet in het uitvoerige voorbericht, waarin Van Dale op exemplarische wijze aangaf hoe hij te werk was gegaan en welke andere bronnen hij voor zijn bewerking nog had gebruikt. Mogelijke verwarring over de editienummering van de Grote Van Dale is weggenomen sinds in de editie van 1950 in het voorwerk de drukgeschiedenis wordt vermeld. Daarin wordt als ‘eerste uitgave’ het woordenboek uit 1864 genoemd en wordt ten overvloede nog aangegeven dat pas de tweede uitgaaf (1872) de naam Van Dale draagt.
Over Van Dale's bewerking van het origineel en zijn bij nader inzien uiterst bescheiden bijdrage tot de lexicografie is uitvoerig bericht.101 Hier gaat onze aandacht echter uit naar het eerder verschenen woordenboek dat Van Dale als zijn basistekst gebruikte.
Helaas ontbreekt correspondentie die de voorgeschiedenis van het woordenboek Nederlands uit de doeken kan doen. Volgens het voorbericht zouden de beide auteurs het woordenboek hebben vervaardigd op ‘uitnoodiging des heeren H.C.A. Campagne te Tiel’, wat echter niet hoeft uit te sluiten dat zij hem van te voren daarover hadden gepolst. Het nu gelegde contact bleek niet eenmalig. Campagne gaf vervolgens ook Isaac Marcus' grote woordenboek Engels (1871-1875) uit, en ten slotte, zoals we hebben gezien, nog diens laatste woordenboek Duits (1883-1885).
In 1861 wordt met het werk aan het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal aangevangen en reeds op 19 november 1861 kan de eerste aflevering het land worden ingezonden. In het Nieuwsblad voor den Boekhandel (21 november 1861, p. 222) prijst Campagne het werk in de volgende bewoordingen bij de boekhandel aan:
Ik kom wederom voor eene belangrijke onderneming uwe, mij reeds meermalen geblekene, welwillende ondersteuning met vertrouwen inroepen. Aan een Goed Nederlandsch Woordenboek bestond, volgens het eenparig oordeel van deskundigen, reeds lang dringende behoefte, en ik durf zeggen, dat dit Woordenboek al de tot nog toe bestaande in naauwkeurigheid en volledigheid overtreft. Het bevat bovendien de bastaard- en kunstwoorden, en is dus tegelijk een Kunstwoordenboek.102
| | | |
Aan een Woordenboek heeft iedereen behoefte; ik heb dus den prijs ook zoo buitengewoon laag gesteld, dat hij niemand van de aanschaffing hoeft af te schrikken.
Nadat in het Nieuwsblad van 19 juni 1862 (p. 103) nog een tweede annonce is verschenen, waarin dit ‘geheel nieuw bewerkt Woordenboek’ wordt aangeprezen, volgt aldaar op 14 april 1864 (p. 65) het heuglijke nieuws dat de vooruitbestelde exemplaren nu zijn verzonden. Campagne geeft als volgt uiting aan zijn hoge verwachtingen:
Ik ben overtuigd, dat dit voortreffelijk bewerkt Woordenboek aan de regtmatige verwachting van het publiek ten volle zal beantwoorden. Trouwens, verschillende aankondigingen in Tijdschriften en Dagbladen hebben daaraan aanvankelijk den meesten lof toegezwaaid. Het is zóó volledig, dat het zoowel aan de behoeften van den geleerde voldoet als voor dagelijksch gebruik geschikt is.
Hoewel hij bij een eerdere gelegenheid zijn nieuwe uitgave had aangeprezen als ‘een uitmuntend woordenboek [...], dat jaren lang zijne waarde behoudt’, was het laatste deel van die profetie gedoemd niet in vervulling te gaan. Een jaar voor verschijnen was namelijk de nieuwe spelling van De Vries en Te Winkel gepresenteerd. Deze werd in België al meteen in 1864 verplicht gesteld en won ook in Nederland snel terrein. Het nieuwe woordenboek, waarin de spelling Siegenbeek werd gehanteerd met vermelding van de Bilderdijkse varianten, was dus op een ongelukkig moment verschenen en verloor al spoedig zijn bruikbaarheid. Geen wonder eigenlijk dat Campagne het in 1867 van de hand deed. Op de veiling werden de 290 nog in voorraad zijnde ongebonden exemplaren, tezamen met de rechten, aangekocht door D.A. Thieme, mede namens Martinus Nijhof en A.W. Sijthoff, het driemanschap waarvoor Van Dale zijn bewerking zou uitvoeren.103
| |
Herkomst van het woordbestand
Een punt van discussie is de herkomst van het woordbestand dat de Calischen in hun nieuwe woordenboek onderbrachten. Zelf voeren zij in hun voorrede als gebruikte bronnen slechts enkele specialistische woordenboeken op.104 De
| | | | voornaamste, meer ter zake doende, bron is pas veel later door C. Kruyskamp genoemd.
In de inleiding tot de tiende druk van de Grote Van Dale (1976) verschaft hij een summiere historische schets, waarin een lijn wordt uitgezet van de tweetalige woordenboeken van de Nederlandse en Franse talen van P. Marin (1708) en van F. Halma (1710) via het werk van S.J.M. van Moock (1833-1846) naar dat van de Calischen (1864), en de bewerking daarvan door Van Dale (1872). Hij bestempelt de Nederlands-Franse delen van die werken tot ‘de directe voorvaderen van Van Dale’ en vermeldt met zoveel woorden dat het deel Nederlands-Frans van Van Moock ‘werd omgewerkt’ door I.M. and N.S. Calisch, daarmee een zeer sterke afhankelijkheid suggererend. Van Sterkenburg, die in Johan Hendrik van Dale en zijn opvolgers (1983: 17-19) deze passage citeert, fourneert tevens over een kort traject (fleuren - flonkerster) een vergelijkende lijst van de ingangswoorden. Er is een sterke overeenkomst: van de 45 termen uit dit traject staan er tien niet in Van Moock en twee niet in Calisch.105 Hij merkt daarbij wel op dat de inhoud van deze woordartikelen nog niet serieus is vergeleken en dat er op dat punt mogelijk nog verschillen zijn.
Nadere steekproeven, die ik in het kader van dit artikel heb genomen, bevestigen slechts dat de Calischen bijzonder zwaar leunden op wat Isaac Marcus al vele jaren eerder ‘het voortreffelijk woordenboek van den heer Van Moock’ had genoemd.106 We kunnen de nieuwe uitgave zonder bezwaar kenschetsen als Van Moock plus een aantal toevoegingen.
Ook in het traject hop - houden volgt het Calisch-woordenboek trouw zijn voorganger. De vele samenstellingen komen alle terug, waarbij Calisch door toevoeging van hopeest (‘oven tot het stoken van hop’) het totaal op veertien brengt. Hetzelfde geldt voor de samenstellingen bij horologie, die Calisch door aanvulling met de -trommel en de -veer tot zeventien vermeerdert. Dat de Cali- | | | | schen toch ook wel eens verder kijken, blijkt bij de samenstellingen met hospitaal, waar het aantal van drie tot elf wordt vermeerderd. Hebben ontwikkelingen in het ziekenhuiswezen misschien geleid tot extra opname van hospitaalapotheek, - arts, -bezoek, -doctor, -practijk, -prediker, -spijs, en -ziekte?107
Kenmerkend voor het Nederlands-Franse deel van Van Moock is dat hij, alvorens de vertaling van een woord te geven, niet zelden eerst een Nederlands synoniem verschaft. In de nader bekeken trajecten blijkt niet alleen het woordbestand van Van Moock nauwkeurig te zijn gevolgd, maar wordt daarbij ook, voorzover aanwezig, de Nederlandse uitleg overgenomen.
Wat men niet verwacht en wat ook eigenlijk niet in de haak is, is dat Van Moock in zijn vertaalwoordenboek soms uitgebreider informatie over een woordbetekenis verschaft dan de Calischen in hun woordenboek Nederlands. Ze vergenoegen zich bij Hop met ‘zek. vogel’, terwijl Van Moock verduidelijkt dat het gaat om een ‘zekere vogel met eene kuif, kemphaan’, welke laatste gelijkstelling nu overigens zou worden afgekeurd. Van Moock geeft zich ook aanmerkelijk meer moeite bij Hor, gedefinieerd als ‘dun klein plaatje of rond stukje lood, hetwelk de kinderen om een touwtje binden, en in het ronde draaien’, waar de Calischen zich ervan afmaken met ‘dun beschotje, plankje, zek. kinderspeelgoed’.
Bij afgeleide woorden noemt Van Moock, voorafgaand aan de Franse vertaling, doorgaans geen Nederlands equivalent. Dan moeten de Calischen zelf iets bedenken. Bij Hopeloos komen ze dan bijvoorbeeld tot ‘zonder hoop, beroofd van hoop’. In andere artikelen, zoals bijvoorbeeld Horen/Hoorn (als zelfstandig naamwoord) en Houden is er aanzienlijk meer te redigeren. Van Moock kiest zijn voorbeelden, zinswendingen inbegrepen, met het oog op de specifieke vertaling in het Frans, terwijl de Calischen hun onderscheidingen vanuit het Nederlands moeten aanbrengen. Maar ook hier is het duidelijk dat de tekst van Van Moock nauwlettend is doorgelezen.
Vanzelfsprekend worden ook woordartikelen toegevoegd die bij Van Moock ontbreken. In het traject fleuren - flonkerster waren dat fleuret, fleurist, flexibel, flexibiliteit, fliboot, flikjes, flikkerbuizen, flikkertje en flintglas. Vele daarvan zijn gemarkeerd met een overlijdenskruis, wat hier overigens niet duidt op veroudering, maar op vreemde afkomst. Andere zoals de flikkerbuis, het flikje en het flintglas lijken recente vindingen. Van Dale nam ze, kruis en al, allemaal over en verstrekte dan zo nodig ruimere encyclopedische informatie. Nieuwe termen in het traject hop - houden zijn hopsasa, hora est, horae, horreur, hors d'oeuvres, horticultuur (met verdere samenstellingen), hosannah, hospodar, hostile, hotel. Voor zover dit Franse leenwoorden waren, hoorden ze vanzelfsprekend thuis in Van Moocks
| | | | deel Frans-Nederlands en verdienden ze geen plaats in het door de Calischen zo ijverig bestudeerde deel Nederlands-Frans.
Lexicofielen betreurden lange tijd dat het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal antiquarisch praktisch onvindbaar was, wat onderzoek belemmerde. Gelukkig is sinds 2003 een exemplaar beschikbaar op de website dbnl.www.org., de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren. Wie het daar opzoekt, ziet tevens hoe onhandig het woordbestand bijeen is gezet, met overmatig gebruik van het bij de Calischen en uitgever Campagne zo geliefde verkortingsstelsel, dat niet zelden de alfabetische volgorde doorbreekt en zo het opzoeken nog eens extra bemoeilijkt.108 Dit zal nog een bijkomende factor zijn geweest die het succes van de nieuwe onderneming in de weg stond.
Niettemin bleek het woordenboek een voldoende stevig fundament om daarop in de loop der jaren het bouwwerk van de Grote Van Dale op te trekken. Een zeer groot deel van de inhoud was in Van Dale's bewerking dan ook ongewijzigd overgenomen.
| |
3.5. Het woordenboek Engels
In het arsenaal van de Calischen ontbrak nog een woordenboek Engels. Dat stak Isaac Marcus kennelijk, want nadat hij de derde druk (1854) van het Franse woordenboek had opgewaardeerd, vond hij het tijd worden ook een woordenboek voor die taal onder dak te brengen. Hij hoopte Suringar, die in beeld was gekomen nadat hij enigszins onverwacht de derde druk van de Nouveau Dictionnaire uit het fonds van Van Cleef had aangekocht, voor dat project te interesseren. Hij doet dat in een schrijven van 18 juni 1859, waarin hij zijn teleurstelling uit dat Van Cleef zijn voorstel om een Engels woordenboek op te zetten niet heeft geaccepteerd. Van Cleef is kennelijk niet meer in dit soort uitgaven geïnteresseerd, maar wat denkt Suringar van dit voornemen?109 Een week later geeft hij nog wat bijzonderheden en als hij geen reactie krijgt, prijst hij zichzelf in een schrijven van 11 augustus 1859 nogmaals aan.
Er komt aanvankelijk weinig schot in de zaak, maar drie jaar later worden de plannen iets concreter. In een brief van 10 augustus 1862 deelt Isaac Marcus mee, kennelijk daarnaar gevraagd door Suringar, dat hij, inclusief de correctie f. 25,- per vel vraagt. Hij heeft het op dit moment weliswaar razend druk met de
| | | | vertaling van Les Misérables, maar als die over drie maanden klaar is, kan hij meteen beginnen.
In een volgend schrijven, d.d. 2 september 1862, verschaft hij Suringar, die misschien de marktsituatie nader wilde verkennen, een lijstje van de op dat moment in Nederland beschikbare Engelse woordenboeken. Wie had gehoopt hier scherpe inzichten aan te treffen, wacht een teleurstelling. Wat Isaac Marcus te melden heeft, is uiterst summier en graaft nergens diep. Hij noemt in zeer algemene termen slechts een aantal titels, zonder dat duidelijk wordt wat Suringar daaraan zou kunnen hebben.
Het woordenboek van Bomhoff is wat het Hollands gedeelte ‘vrij uitgebreid’, beter dan het Engelse deel. Dat van Holtrop vindt hij beter dan Bomhoff, vooral wat het Engels betreft. Fleischauer is zeer onvolledig. Jaeger is ‘meer een woordenlijst, goed voor eerstbeginnenden’. Het Viertalig Woordenboek geeft alleen woorden, dus geen idioom. Dan is er nog het werk van Vogin bij Noman, dat hij niet zegt te kennen, maar ‘zeer zeker het volledigst’ acht, ‘omdat het nieuw is.’
De hier opgevoerde woordenboeken vormen een vreemd allegaartje. Als we het Viertalig Woordenboek, dat in 1854-1855 door Nathan Salomon was omgewerkt, buiten beschouwing laten, hebben we naast twee al wat oudere werken, die een zekere volledigheid nastreven, een paar veel kleinere zakwoordenboekjes. De delen van Holtrops werk, zeker behoorlijk volledig, dateerden in eerste instantie van 1789 (E-N) en 1801 (N-E). Daarvan verscheen in 1823-1824 nog een verbeterde editie, herzien door A. Stevenson, in het voorwoord aangeduid als ‘onderwijzer in de Engelsche taal te Dordrecht’. Het eveneens vrij omvangrijke woordenboek van Bomhoff, oorspronkelijk verschenen in 1822, was moderner van opzet en inhoud en was op dat moment beschikbaar in een vierde editie van 1851. De overige werkjes waren van geheel andere aard. Van Fleischauer kan trouwens alleen een Duits woordenboek getraceerd worden, dus vergiste Isaac Marcus zich hier? Het Engels zakwoordenboekje van A. Jaeger (pseudoniem zo bleek later van J. Kramers Jzn.), in 1857 verschenen bij Van Goor, stelde inderdaad weinig voor; hetzelfde kan worden gezegd van de zeer recent verschenen, door H.J. Vogin bewerkte, derde druk (1862) van het woordenboekje (1843) van H. Picard, dat Isaac Marcus zeer onterecht als ‘het volledigst’ inschatte.110 In dit landschap zou Isaac Marcus dus zijn nieuwe werk moeten plaatsen.
Ondertussen doen zich andere ontwikkelingen voor. Al iets eerder, op 14 augustus 1862, heeft Isaac Marcus aan Suringar gemeld dat zijn zwager voor de ontwikkeling van een Engels woordenboek is benaderd door een ‘voornaam
| | | | uitgever’. Deze heeft niet willen antwoorden zonder hem (Isaac Marcus) eerst te benaderen. Wat vindt Suringar hiervan? Op 28 september maakt Isaac Marcus aan Suringar bekend dat het Campagne is, die contact heeft gezocht. Desondanks gaan de onderhandelingen door, want in een laatste bewaarde brief laat Isaac Marcus op 7 oktober aan Suringar weten, die kennelijk de kosten wilde drukken, dat hij met minder dan f. 25,- per vel geen genoegen kan nemen.
| |
3.5.1 De eerste druk (1871-1875)
Er mogen dan nog enkele jaren overheen gaan, maar het eind van het lied is dat de Calischen, in de persoon van Isaac Marcus, met Campagne in zee gaan. Uit een mededeling in het voorbericht van deel I valt op te maken dat hij in 1866 met zijn werkzaamheden aanving.111 Tastbare resultaten werden aan de buitenwereld bekend gemaakt, toen de uitgever op 6 augustus 1868 in het Nieuwsblad voor den Boekhandel kond deed dat van het door J.M. Calisch in bewerking zijnde Nieuw Volledig Engelsch-Nederlandsch en Nederlandsch-Engelsch Woordenboek de eerste helft van deel I (blz. 1-320) gereed was gekomen.112 De verdere voortgang van dit deel werd niet via dit blad gemeld, maar na voltooiing kwam het, met een voorwoord van september 1870, in 1871 op de markt. Het kloeke deel op groot formaat telde niet minder dan 919 dichtbedrukte pagina's. Er werd gestaag doorgewerkt en op 21 september 1875 kon de verschijning van deel II, met een omvang van 815 pagina's, in het Nieuwsblad worden aangekondigd.
Van de tweetalige woordenboeken is dit het meest indrukwekkende. Er is veel arbeid aan ten grondslag gelegd en de bewering dat ‘dit Woordenboek zeer zeker het meest volledige is, dat wij tot nu toe voor de Engelsche taal bezitten’ (voorbericht deel I) is zonder meer juist. De technische uitvoering, weer met kleine letter, is zoals we dat van Campagne gewend zijn: afleidingen, samenstellingen, evenals niet verwante woorden met hetzelfde prefix, zijn opgeborgen in vaak omvangrijke clusters, en daarbij typografisch slechts matig onderscheiden, zodat er met scherpe ogen moet worden gezocht.
Vanwege de ambitieuze opzet biedt vooral deze dictionaire gelegenheid de lexicografische capaciteiten van Marcus Isaac op hun merites te beschouwen.
| |
| | | |
Het spellingprobleem
Een netelige kwestie in dit tijdsgewricht bleef de te gebruiken spelling. De Calischen - ze lieten dat verschillende malen ook weten - hadden persoonlijk weinig op met de nieuwe spelling, zoals die in 1863 vorm had gekregen in Te Winkels voorstellen. Toen Isaac Marcus omstreeks 1866 aan zijn Engels woordenboek begon, bleef hij zich dan ook nog van de vertrouwde Siegenbeekspelling bedienen. Wie in het in 1871 gepubliceerde deel I (E-N) bijvoorbeeld het lemma stove doorleest, vindt daar dus een van de betekenissen aangegeven als ‘kookkagchel’.
Nijpender wordt de situatie wanneer iemand die de steeds breder aanvaarde nieuwe spelling is toegedaan, in het deel N-E een Nederlands woord wil opzoeken. Het huidige deel II, begonnen eind 1871 en voltooid in 1875, onderkende dat probleem en trof een voorziening. De titelpagina vermeldt namelijk als een van de pluspunten: ‘Aanwijzing (in het Nederlandsch gedeelte) van de spelling volgens het nieuwe stelsel’. Dit houdt in dat achter het trefwoord in de oude spelling, de nieuwe vorm tussen haakjes staat toegevoegd, zoals bijvoorbeeld bij boeijen (boeien).113 Als de nieuwe spelvorm alfabetisch te ver van de oude verwijderd ligt, komt er een verwijslemma: wie kachel of licht (adj.) opzoekt, wordt doorverwezen naar kagchel, resp. ligt, waar de gezochte informatie wordt verstrekt. Zo wordt de nieuwe spelling nog via de achterdeur binnengehaald.
Wel al geheel in de nieuwe spelling stond overigens de één jaar eerder bewerkte vierde uitgave van de Nouweau Dictionnaire Français-Hollandais et Hollandais-Français (1874), een aanpassing van relatief beperkte omvang. Alle latere edities of nieuwe werken van de Calischen verschenen vanaf nu als vanzelfsprekend in de nieuwe spelling.114
| |
Algemene inrichtingskenmerken
Kenmerken van de nieuwe uitgave staan deze keer in zes punten vervat op de titelpagina van elk van beide delen. Deze inhoudsbeschrijving is in de Nederlandse versie nauwkeuriger verwoord dan in de Engelse. Het punt van de aanwijzing van de nieuwe spelling is hierboven al belicht.
| | | |
Opmerkelijk is vooral het eerste punt, inhoudende dat het woordenboek zou bevatten: ‘Al de thans in de beide talen opgenomen woorden en meest gebruikelijke eigenaardige spreekwijzen, spreekwoorden enz.’ Alle woorden, vraagt men zich af? Nieuw is dat namen van personen, steden en landen in het woordenboek zelf zijn geïncorporeerd en niet meer in een apart aanhangsel worden aangeboden.115 De andere punten zijn minder bijzonder, omdat ze slechts behelzen wat men van een goed woordenboek mag verwachten. Overal wordt de uitspraak aangeduid, van de zelfstandige naamwoorden wordt het woordgeslacht en zo nodig de meervoudsvorm vermeld en van de onregelmatige werkwoorden worden de vormen van de verleden tijd en het deelwoord gegeven.
In het uitgebreide voorwoord bij het tweede deel uit 1875 wordt over enkele aspecten verder uitgeweid. In de praktijk van het opnemen van de namen in het alfabetische woordbestand is Flügel gevolgd.116 Isaac Marcus roemt ook opnieuw het door hem omhelsde verkortingssysteem dat hij aan het Duits-Franse woordenboek van Mozin zegt te hebben ontleend.117
Hij vestigt er verder de aandacht op dat de onregelmatige werkwoordsvormen nu voor het eerst als ‘hoofdartikels’ in beide delen zijn opgenomen. We vinden dus woordartikelen als bleek en blonk, en evenzo op hun alfabetische plaats gebleken en geblonken. Nadat eerst de vertaling ‘appeared’ en ‘glanced, shone’ is gegeven, wordt doorverwezen naar de infinitief blijken, respectievelijk blinken. Dat in het deel E-N vormen als caught en slept als trefwoord voorkomen, is als dienstbetoon aan de nog weinig onderlegde lezer van het Engels te begrijpen; ook andere woordenboeken Engels-Nederlands volgden en volgen deze lijn. Dat omgekeerd in het deel Nederlands-Engels onregelmatige vormen van Nederlandse werkwoorden als ingangen zijn opgenomen, ligt minder voor de hand. Deze lijken bestemd voor native speakers van het Engels. Maar hoe groot was het publiek dat hiermee werd aangesproken?118
| |
| | | |
Uitspraakaanduiding
Vanwege de onbetrouwbare relatie tussen spelling en klank kan een goed woordenboek Engels niet zonder aanduiding van de uitspraak. Dit element werd in de loop van de negentiende eeuw inderdaad een vast onderdeel van de Engels-Nederlandse woordenboeken. Dat het foneembegrip in deze tijd nog achter de horizon ligt, blijkt genoegzaam als Isaac Marcus, wijzend op de eigenzinnigheden van de Engelse uitspraak en klemtoon, zegt te weten dat zelfs met zijn aanwijzingen ‘het doel nog zeer gebrekkig zal bereikt worden, daar de duizenden schakeringen der uitspraak (mijn cursivering; JP) zich slechts door het oor en niet door het oog kunnen kenbaar maken’.
Bij de punten die hij met de ‘meeste naauwkeurigheid’ heeft verzorgd noemt hij in het voorbericht van het deel E-N (1871) specifiek ‘de aanschouwelijke voorstelling der uitspraak en [...] den klemtoon’. In de negentiende eeuw wordt het steeds meer gebruikelijk Engelse woorden te voorzien van een uitgeschreven uitspraakvorm. Dat gebeurt in die dagen - het IPA-alfabet bestond nog niet - door herspelling met de letters van het Latijnse, met een accentteken voor de klemtoon. Ter verduidelijking geven woordenboekauteurs niet zelden enige toelichting bij het gevolgde systeem en geven ze in elk geval aan hoe bepaalde problemem zijn opgelost. Hoe moet bijvoorbeeld het verschil in uitspraak tussen de beginklank van thin en van this worden aangeduid? Bij Isaac Marcus ontbreekt elke toelichting en worden gebruikers van zijn woordenboek ook niet gewaar dat ze de beginletters in thin en this verschillend moeten uitspreken: als uitspraakvormen geeft hij (thin) en (this). Tijdgenoten daarentegen kiezen voor (THin) / (this), of voor (thin) / (this).119
Een absoluut vereiste is verder dat dezelfde klank steeds op dezelfde wijze wordt genoteerd. Ook hier schiet Isaac Marcus' ambitieuze woordenboek te kort. Als voorbeeld kan dienen de klankweergave van woorden beginnend met de letters au. Voor de overgrote meerderheid wordt de transcriptie (ao) gebruikt, zoals bij author (ao'-thur), maar zonder dat daarvoor een reden bestaat vinden we in enkele gevallen (au), zoals bij auction (auk'-sjun).120 Dergelijke inconsequenties treffen we ook elders aan. Eigenaardig is zeker de inconsequente aanduiding van de meervoudsuitspraak. Hier moet steeds de keuze worden
| | | | gemaakt tussen (s) en (z), maar op te veel plaatsen wordt de stemloze (s) genoteerd waar het de stemhebbende (z) moet zijn. Zo geldt (ods) als de juiste uitspraak van odds. Evenzeer onjuist is de weergave de laatste lettergreep van werkwoorden van het type eliminate als (-net) in plaats van (-neet).
Een extra reden om namen in het deel E-N op te nemen, zo wordt meegedeeld, was dat daarbij de voor Nederlanders in die tijd nog vaak onbekende uitspraak kon worden weergegeven. In deze individuele gevallen gaat het ook nogal eens mis. De bekende Elgin-marbles, ‘marmers door Lord Elgin in 1814 uit Griekenland naar Engeland gebragt’, nog steeds pronkstukken in het British Museum, heten in het Engels niet (el'-djin-maar'-blis), maar, als we de gebruikte spellingconventies aanhouden (el'-ghin-maar'-bulz). En in welke andere dictionaire vinden we de uitspraak van Athens foutief weergegeven als (ee'-thenz)? Ook bij heel gewone woorden geeft hij soms ronduit onjuiste informatie. Anders dan zijn collega-woordenboekmakers weet hij niet dat bij bow in de betekenis ‘buiging’ de uitspraak (bau) hoort, en dat (bo) hier niet past.
Bekendheid met het gesproken Engels was in Nederland aan het eind van de negentiende eeuw, ook bij hoger opgeleiden, nog gering. Dat gold duidelijk ook voor Isaac Marcus. Hij zal voor zijn informatie in hoge mate zijn aangewezen op schriftelijke Engelse bronnen. Die werden kennelijk onvoldoende benut, want de aangeboden uitspraakvormen zijn soms ronduit fout. We ontkomen niet aan de harde conclusie dat zijn expertise op dit gebied pijnlijk te kort schoot.
| |
Het woordbestand
Opnieuw wil de titel ons doen geloven dat we hier te maken hebben met een ‘Volledig’ of ‘Complete’ woordenboek. Dit ondanks Isaac Marcus' in 1845 al beleden overtuiging dat volledigheid een illusie moet blijven.121 In het voorwoord van zijn nieuwe woordenboek uit hij zich op vergelijkbare wijze, zij het als enigszins verrassende conclusie van een passage die begint met de juiste constatering dat voorwoorden van woordenboeken niet door de gebruiker worden gelezen:
[H]ij die van dit hulpmiddel gebruik moet maken is, in den regel, gehaast en heeft tijd noch lust, tenzij in enkele gevallen, den schrijver in diens stelsel en filologische beschouwingen te volgen; hij wil geholpen zijn; vindt hij het door hem nageslagen woord of de gezochte beteekenis, dan is voor hem het woordenboek goed, moet hij dit onbevredigd digtslaan, dan deugt het niet naar zijne meening: in beide gevallen is de oordeelvelling hoogst voorbarig. Een woordenboek kan den zoeker voor het oogenblik bevredigen, en toch zeer onmethodisch en on-
| | | |
volledig zijn; het kan hem soms in den steek laten, en toch met regt in de rij der goede lexica een plaats verdienen.
De paradox dat in een goed woordenboek toch soms vergeefs gezocht wordt, wordt vervolgens specifiek betrokken op de onmogelijkheid daarin alle bestaande, of te vormen samenstellingen op te nemen. Hij meldt dat in het deel E-N 53 ‘zamenkoppelingen’ met foot zijn opgenomen, en in het deel N-E 62 met wet, en toont dan met enkele voorbeelden aan dat het getal samenstellingen gemakkelijk ‘met andere minder gebruikelijke of dichterlijke te vermeerderen [is], waaruit volgt dat de volledigheid in dit opzigt onbereikbaar is’.
Wat de technische termen betreft is, zo wordt gezegd, vooral aandacht besteed aan ‘oorlogs-, zee-, regts en kunsttermen’ en niet te vergeten die bij de spoorwegen en het stoomwezen. Dit voorzover zij gebezigd worden in het dagelijks verkeer. Andere horen thuis in de ‘afzonderlijke technische vokabulariën’.
Bij het nader bekijken van de inhoud kijkt de hedendaagse Nederlandse anglist nogal eens vreemd op. Vele Engelse termen die hij tegenkomt, zijn hem niet of nauwelijks bekend. De oorzaak daarvan is dat uit allerlei woordenboeken rijp en groen is overgenomen zonder dat daarbij een rol schijnt te hebben gespeeld wat op dat moment gangbaar, wat uitzonderlijk of wat soms al geheel verouderd was. De gebruiksstatus van opgenomen woorden en betekenissen staat slechts beperkt aangegeven.122 Er is zeer vlijtig verzameld, maar het is de vraag in hoe verre eigen kennis aanwezig is geweest, die kon helpen bij de beslissing omtrent wat wel en wat niet opgenomen diende te worden. Zo staan er woorden en betekenissen in het woordenboek die in een veel omvangrijker werk mogelijk hun plaats hadden, maar waarvan opname in het hier beschikbare kader minder voor de hand ligt.
Te oordelen naar de inhoud beslaat het woordenboek de Engelse taal vanaf de zestiende eeuw. Er komt dus nogal wat oud woordgebruik in voor. Sommige van die termen blijken zo uitzonderlijk dat ze niet terug te vinden zijn in de Oxford English Dictionary, zoals bekend de omvangrijkste en betrouwbaarste opslagplaats van het Engelse taalmateriaal. Tevergeefs, om slechts enkele voorbeelden te noemen, zoekt men daar bijvoorbeeld abrotonum (‘averoenkruid’), abrupts (‘korte, snedige gezegden’), blondrin (‘ploeteren, sloven’), blonk (‘foppen, teleurstellen’) en blont (‘dof, plomp’).123 Een voorbeeld van een uitzonderlijke term is jocantry (‘spotzucht, boerterij’), waarvoor de OED slechts twee zeventiende-eeuwse bewijsplaatsen heeft. Geen bezwaar valt te maken tegen de opname van termen die de OED thans ‘obsolete’ noemt, maar die halverwege de
| | | | negentiende eeuw nog wel eens gebruikt werden.
In het deel Nederlands-Engels wordt de keuze van de ingangswoorden natuurlijk beter in toom gehouden door de eigen taalkennis. Wat dan als bruikbaar vertaalequivalent wordt geboden, is echter niet altijd juist of betrouwbaar. De vogel kauw heet in het Engels niet ‘rook’, maar ‘jackdaw’. En als de kat spint, heet dat niet ‘the cat spins’, maar ‘the cat purrs’. Een vreemde omschrijving voor koffiebuik (vulg.) is ‘one thick from the use of coffee’. Onbegrijpelijk is ‘evil rides fast and good baits’ als equivalent van het kwade komt te paard en gaat te wet. ‘I fare ill’ lijkt ook al in 1870 een stijve, ouderwetse weergave van het gaat mij slecht. Eigengemaakt, eigenlijk onbruikbaar Engels lijkt ‘this simile is lugged in by head and shoulders’ als vertaling van deze vergelijking is er met de haren bij gesleept. De verduidelijking van écarté als ‘a play at cards’ is onjuist; dat had ‘a card game’ moeten zijn. En zo kan men nog doorgaan.
Uit dit alles blijkt genoegzaam dat Isaac Marcus' kennis van de Engelse taal te kort schoot om een in alle opzichten betrouwbaar Engels woordenboek samen te stellen. Binnen enkele decennia zou hij worden voorbijgestreefd door jongeren die zich speciaal in het vakgebied hadden bekwaamd.124
| |
3.5.1 Een tweede druk (1891)
Een beter woordenboek Engels was nog niet beschikbaar en natuurlijk bevatte het, ondanks de hier gesignaleerde tekortkomingen, ook veel bruikbare informatie. Hoe het ook zij, het had kennelijk voldoende aftrek gevonden om het vijftien jaar later nogmaals op de markt te brengen. De nieuwe editie werd bezorgd door Nathan Salomon, die daarin de nagelaten aantekeningen van zijn in 1884 overleden zwager kon verwerken.
Beide delen bevatten na het oorspronkelijke voorwoord van Isaac Marcus een nieuw voorbericht van Nathan Salomon.125 Hij liet weten dat vooral in het deel Nederlands-Engels zeer veel woorden, spreekwijzen en spreekwoorden waren toegevoegd. Ook waren bij de vaktermen veel eerdere omschrijvingen nu vervangen door de juiste technische uitdrukkingen. Tevens waren alle Nederlandse ingangen nu gealfabetiseerd volgens het nieuwe spellingsysteem, dat ‘ten jare 1875 nog niet algemeen [in gebruik was] geweest.’
Nathan Salomons voorwoord, identiek in beide delen, is gesigneerd ‘Amsterdam, November 1890’. Hij kwam echter al op 26 februari 1891 te overlijden en zag het door hem voorbereide tweede deel niet meer in druk. Toen dat in
| | | | 1892 met enige vertraging het licht zag, voegde de uitgever er nog een soort postscriptum aan toe. Net als de oorspronkelijke voorwoorden van Isaac Marcus (1871 en 1875) en dat van Nathan Salomon (1890) werd ook dit bericht in beide talen gepresenteerd. In al deze gevallen zijn de Engelse formuleringen niet foutloos en in elk geval onhandig. Dat de idiomatische beheersing van het Engels in die tijd nog geen gemeengoed was, is te zien aan onderstaand bericht van de uitgevers:126
Death has prevented Mr. N.S. Calisch from putting this Second edition to its end. He deceased, when the Dutch-English part was under the press. Yet the work of that very skilful author had then proceeded as far as to enable us to put the final execution into the hands of a competent scholar, who took care that this Dictionary has been achieved according to the system and the intention of Mr. Calisch. For this reason we dare say that this Second edition of the Dutch-English Dictionary has much improved both by corrections and by additions.
Tiel, July 1892 THE PUBLISHERS
Ten slotte werd van deze editie nog een uitgaaf in de handel gebracht die op de titelpagina als GOEDKOOPE UITGAVE werd bestempeld. Datering en voorwoord ontbreken. De vestigingsplaats van de uitgever staat nu aangegeven als Amsterdam.127 Men kon met recht van een goedkope uitgave spreken. De prijs van de twee delen, samengebonden in een stevige band, wordt op het rugstempel aangegeven als f. 3,90, dit tegenover de f. 15,- van de twee delen in halfmaroccobanden, die eerder alleen als stel verkrijgbaar waren geweest.
| |
4. Andere taalkundige gidsen
Naast de boven behandelde woordenboeken publiceerde Isaac Marcus nog enkele taalgidsen, waaronder we ook zijn woordenboek met spreekwoorden en zegswijzen in vier talen willen rekenen. Zoals in de aanhef van dit artikel werd vermeld, was hij naast schoolhoofd beëdigd translateur voor de Duitse, Franse en Engelse taal. Deze twee kwaliteiten werden op titelpagina's vaak als toevoeging bij zijn naam geëtaleerd. Ook noemde hij zich wel ‘taalmeester en beëedigd translateur’, het eerste epitheton volgens zijn eigen Nederlandse woordenboek te verstaan als ‘onderwijzer in talen’.
In die kwaliteit had hij ook verschillende taalgidsen op zijn naam. Ambitieus
| | | | van opzet was zijn Handboek der meest gebruikelijke Fransche en Hollandsche gesprekken en spreekwijzen in de zamenleving (1853), dat niet minder dan 523 pagina's telde. Het was een bewerking van Manuel de la conversation français-allemand van Eduard Coursier.128 Door omzetting van alle Duitse voorbeelden in Nederlandse had Isaac Marcus een Frans-Duitse leergang veranderd in een Frans-Nederlandse. Daarbij was ook de lange beschouwende Duitse voorrede (xxvi pp.) vervangen door een Nederlandse versie, compleet met verwijzingen naar Nederlandse auteurs. Dit handboek verscheen in 1863 nog in een tweede editie.
Van veel eenvoudiger opzet zijn, op zakboekformaat, een gidsje voor Duits en een voor Frans, beide in samenwerking met een native speaker, waarbij Isaac Marcus dan de Nederlandse tekst leverde. Die voor het Frans heeft als hoofdtitel Handleiding bij gewone gesprekken in het Nederlandsch en Fransch, inhoudende ‘gesprekken over reizen, spoorwegen, stoomvaart, enz. ten gebruike van reizigers en hen welke bovengenoemde talen wenschen te leeren’, met als auteurs J.M. Calisch en Bellenger. Het is onderdeel van de Librairie B. Behr te Berlin.129 Uit hetzelfde huis en nu in samenwerking met de Duitse auteur Fischer komt de Handleiding bij gewone gesprekken in het Nederlandsch en het Duitsch (1870), in een latere editie (1874) Nieuwe Leiddraad tot hedendaagsche gesprekken geheten. Nog even later verschijnt zijn naam samen met die van drie andere auteurs op de titelpagina van een Nouveau Guide de Conversations Modernes (1875), onderdeel van een eveneens bij Behr gepubliceerde viertalige reeks, in het onderhavige geval het Nederlands, Duits, Frans en Engels.
Na deze vooroefeningen bracht Isaac Marcus ten slotte onder eigen naam een viertalig woordenboek uit. Onder de titel Proverbes et locutions familières en quatre langues, Français-Anglais-Allemand-Hollandais, verscheen het in 1878 bij Belinfante Frères, La Haye. Het telt niet minder dan 5686 genummerde items; een woordindex voor elke taal apart wijst daarin de weg. De inhoud bestaat uit een wonderlijk allegaartje van spreekwoorden, zinswendingen en niet zelden woordbegrippen. Een voorbeeld van dit laatste is het rijtje (no. 331) Cousinière; Fly-doth; Fliegenflohr. - Fliegenkleid; Muggenkleed. Of ook (no. 3284) Au fait; In fact - well; Eigentlich - Im grunde. Nun; Eigenlijk. - In den grond. - Wel. Zoals de titel aangeeft, is de volgorde Frans-Engels-Duits-Nederlands, wat erop lijkt te wijzen dat de ingangen uit het Frans zijn gekozen.
Het werk is dus geenszins een spreekwoordenboek in de moderne zin des woords. De vertalingen zijn lang niet altijd precies. Het is misschien ook niet altijd mogelijk om voor elke taal een kernachtig equivalent te vinden. Dan moet met een omschrijving worden volstaan. Opnieuw is het Engels soms moeilijk te
| | | | plaatsen, of zelfs onbegrijpelijk. Wie als equivalent voor Iemand het vuur aan de scheenen leggen aankomt met To handcuff one - To put one to a nonplus heeft onvoldoende besef van wat omstreeks 1880 gangbaar Engels mag heten. Hoewel er naar moderne maatstaven wel het nodige op de inhoud is aan te merken, toonde een recensent zich na verschijning van de eerste drie afleveringen alleszins tevreden, en ‘wenst[e] dit werkje in handen van alle taalbeoefenaren’.130 Het werk werd misschien nog een enkele maal nagedrukt.131
We mogen aannemen dat al deze taalgidsen in hun tijd in een behoefte voorzagen.
| |
5. Nabeschouwing
Van de verschillende hier behandelde woordenboeken waaraan de naam Calisch verbonden was, bleef het Viertalig Woordenboek in zijn verschillende metamorfosen het langst bestaan. Maar dat was in eerste instantie niet door hen opgezet.
De woordenboeken die ze als oorspronkelijke auteurs tot stand brachten, ondergingen een nogal verschillend lot. Twee ervan werden het slachtoffer van onvoorziene externe omstandigheden. Het woordenboek Nederlands, dat op het ongelukkige moment verscheen van een zich aandienende spellingwisseling, kwam al snel in andere handen en heeft nog enige bekendheid doordat het als grondslag diende voor het Van Dale-woordenboek. Een conflict met de uitgever verhinderde, buiten de schuld van auteur Isaac Marcus, een regelmatige ontwikkeling van wat een veelbelovend woordenboek Duits leek te kunnen worden.
Een redelijk succes werd het woordenboek Frans. In 1830 tot stand gebracht door vader Marcus Isaac, werd het later verder bewerkt door Isaac Marcus, en na diens dood, door Nathan Salomon. De vijfde druk van 1887 bleek de laatste. Toen brak ook het tijdperk aan waarin woordenboeken voor de moderne vreemde talen in mindere mate werden afgeleid uit al bestaande werken en in sterkere mate gingen steunen op de eigen kennis van een auteur die zich in de taal in kwestie had gespecialiseerd.
Ook het imposante woordenboek Engels was qua opzet en inhoud van een type dat door nieuwe ontwikkelingen werd ingehaald. Wenselijk werd een ver- | | | | antwoorde schifting tussen wat historisch of weinig frequent was, en wat als gangbaar van groter nut was voor de taalgebruiker. Dat laatste kwam, met een redelijk marge naar het verleden toe, in de nieuwere woordenboeken. Voor bestudering van oudere taalfasen kon men eigenlijk beter terecht in eentalige Engelse werken.
Van de drie moderne talen was in de negentiende eeuw de kennis van het Engels, ook bij de elite, aanzienlijk geringer dan die van het Frans en het Duits. Dit gold ook voor de Calischen en werd hier en daar zichtbaar in de inhoud van hun woordenboek Engels en in de Engelse voorbeelden van het ‘spreekwoordenboek’. In algemene zin rijst ook de vraag of, zoals in de negentiende eeuw nog wel gebruikelijk was, van auteurs verwacht kon worden dat ze voor alle drie moderne talen verantwoorde woordenboeken schreven. Omdat een diepgaande kennis van verschillende vreemde talen voor één individu nauwelijks te bereiken is, is deze praktijk inmiddels terecht verlaten.
Negentiende-eeuwse woordenboeken verouderen niet alleen door taalveranderingen, maar ook doordat men aan die hulpinstrumenten andere eisen is gaan stellen. Een woordenboek kan alleen blijven bestaan als een uitgever het de moeite waard vindt het om te laten werken, waarna het steeds verder van het origineel kan weggroeien. Dat gebeurde met het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal van 1864. Vele andere negentiende-eeuwse woordenboeken, ook die van de Calischen, waren gedoemd geheel uit het zicht te verdwijnen.
Met de beschrijving van hun verschijning en verdere lotgevallen heb ik beoogd een bijdrage te leveren tot de geschiedschrijving van de Nederlandse lexicografie.
| |
6. Chronologische lijst van de woordenboekedities
Voor nadere details zie te bestemder plaatse in het artikel. De publicatiejaren zijn die welke uit de interne gegevens konden worden afgeleid. Wanneer daarvoor een duidelijke reden bestaat, wijken ze af van die in Brinkman's Catalogus. De jaren met een asterisk (1886, 1887, 1890) noemen een late editie van uitgever Sijthoff, waarvan allerminst zeker is dat ze zijn bewerkt door N.S. Calisch (I.M. Calisch was op dat moment reeds overleden).
Niet genoemd zijn edities die niet door de Calischen zelf zijn bewerkt, zoals de bewerking (1870) van het woordenboek Duits door H.W. Müller en de door de Gebrs. Cohen uitgebrachte postume edities.
1830
[M.I. Calisch] Nouveau Dictionnaire Français-Hollandais et Hollandais-Français. La Haye et Amsterdam: Les Frères Van Cleef. |
1841
M.I. Calisch. Nouweau Dictionnaire Français-Hollandais et Hollandais-Français. Seconde éditi- |
| | | |
| on. La Haye et Amsterdam: Les Frères Van Cleef. |
1845
I.M. Calisch, Neues, vollständiges Deutsch-Holländisches und Holländisch-Deutsches Wörterbuch, Erster Theil. (Deutsch). Amsterdam: W. de Grebber. (Titeluitgave 1851: Amsterdam: G.W. Tielkemeijer). |
1848
[M.I. Calisch et al.] Nieuw Volledig Woordenboek der Nederduitsche, Fransche, Engelsche en Hoogduitsche Talen. 's-Gravenhage: K. Fuhri. (Titeluitgave 1849: Bruxelles: Meline, Cans et Compagnie). |
1851
I.M. Calisch & W. Dyckerhoff. Nieuw volledig Hoogduitsch-Nederduitsch en Nederduitsch-Hoogduitsch Woordenboek, Tweede Deel (Nederduitsch). Amsterdam: G.W. Tielkemeijer. |
1854
I.M. Calisch. Nouveau Dictionnaire Français-Hollandais et Hollandais-Français. Troisième édition. La Haye et Amsterdam: Les Frères Van Cleef. (Titeluitgave 1856: Leeuwarden: G.T.N. Suringar). |
1854
N.S. Calisch. Nieuw Woordenboek der Nederduitsche, Fransche, Hoogduitsche en Engelsche talen Tweede Uitgave. (Deel N-F-D-E). 's-Gravenhage: K. Fuhri. |
1855
N.S. Calisch. Nouveau Dictionnaire Français-Hollandais. Seconde édition; Neues Deutsch-Holländisches Wörterbuch. Zweite Auflage; A New Dictionary of the English and Dutch languages. Second edition. 's-Gravenhage: K. Fuhri. (Als onderdelen van Nieuw Woordenboek der Nederduitsche, Fransche, Hoogduitsche en Engelsche talen. Tweede Uitgave). |
1864
I.M. & N.S. Calisch. Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal. Tiel: H.C.A. Campagne. |
1864
I.M. & N.S. Calisch. Beknopt Kunstwoordenboek. Tiel: H.C.A. Campagne. |
1864
I.M. & N.S. Calisch. Nouveau Dictionnaire Français-Hollandais et Hollandais-Français. Quatrième édition. Sneek: J.F. van Druten. |
1871
I.M. Calisch. Nieuw Volledig Engelsch-Nederlandsch en Nederlandsch-Engelsch Woordenboek. Deel I: Engelsch-Nederlandsch. Tiel: H.C.A. Campagne. |
1875
I.M. Calisch. Nieuw Volledig Engelsch-Nederlandsch en Nederlandsch-Engelsch Woordenboek. Deel II: Nederlandsch-Engelsch. Tiel: H.C.A. Campagne. |
1878
I.M. Calisch. Proverbes et locutions familières en quatre langues, Français-Anglais-Allemand-Hollandais. La Haye: Belinfante Frères. |
1882
I.M. & N.S. Calisch. Beknopt Kunstwoordenboek. 8ste Duizendtal. Tiel: H.C.A. Campagne. |
[1882]
I.M. & N.S. Calisch. Nieuw Woordenboek der Nederlandsche, Fransche, Duitsche en Engelsche Talen. Derde uitgave. Leiden: A.W. Sijthoff. |
[1882]
I.M. & N.S. Calisch. Nouveau Dictionnaire Français-Hollandais. Troisième édition; Neues
|
| | | |
| Deutsch-Holländisches Wörterbuch. Dritte Auflage; A New Dictionary of the English and Dutch languages. Third edition. Leiden: A.W. Sijthoff. |
1883
I.M. Calisch. Duitsch-Nederlandsch en Nederlandsch-Duitsch Woordenboek. Deel I: Duitsch-Nederlandsch. Tiel: H.C.A. Campagne & Zn. |
1885
I.M. Calisch. Duitsch-Nederlandsch en Nederlandsch-Duitsch Woordenboek. Deel II: Nederlandsch-Duitsch. Tiel: H.C.A. Campagne & Zn. |
*1886
I.M. & N.S. Calisch. Nieuw Woordenboek Nederlandsch-Fransch en Fransch-Nederlandsch. Vierde uitgave. Leiden: A.W. Sijthoff. |
1887
N.S. Calisch. Nouveau Dictionnaire Français-Hollandais et Hollandais-Français. Cinqième édition. Sneek: J.F. van Druten. |
*1887
I.M. & N.S. Calisch. Nieuw Woordenboek Nederlandsch-Duitsch en Duitsch-Nederlandsch. Vierde uitgave. Leiden: A.W. Sijthoff. |
*1890
I.M. & N.S. Calisch. Nieuw Woordenboek Nederlandsch-Engelsch en Engelsch-Nederlandsch. Vierde uitgave. Leiden: A.W. Sijthoff. |
1891
N.S. Calisch. Nieuw Volledig Engelsch-Nederlandsch en Nederlandsch-Engelsch Woordenboek. Deel I: Engelsch-Nederlandsch. Tweede druk. Tiel: H.C.A. Campagne & Zoon. |
1892
N.S. Calisch. Nieuw Volledig Engelsch-Nederlandsch en Nederlandsch-Engelsch Woordenboek. Deel II: Nederlandsch-Engelsch. Tweede druk. Tiel: H.C.A. Campagne & Zoon. |
| |
Verwijzingen
Periodieken
| Algemeene Konst- en Letterbode (1801-1862), jg. 1855 |
| De Gids: nieuwe Nederlandsche letteroefeningen (1837-), jg. 1856/1; 1864/ 2. |
| De Portefeuille: kunst- en letterbode (1885-1895), jg. 1887 |
| De Tijdspiegel (1844-1921), jg. 1859 |
| Nieuwe Bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding (1830-1873), jg. 1844; 1877. |
| Nieuwsblad voor den Boekhandel (1835-), jg. 1840 t/m 1894. |
| |
Andere publicaties
| Brinkman's Catalogus van boeken, plaat- en kaartwerken [...] in Nederland uitgegeven of herdrukt: delen 1833-1849; 1850-1882; 1882-1891; 1891-1900; 1901-1910. |
| Claes, Frans en Peter Bakema (1995). Bibliography of Dutch Dictionaries. Tübingen. |
| Cohen, Esther Z.R. (1995). Van leesbibliotheek tot uitgeversbedrijf. De ontwikkeling van Uitgeverij Gebr. E. & M. Cohen en enkele aanverwante bedrijven tussen 1827 en 1941 in Nijmegen - Amhem - Amsterdam. Amsterdam. |
| Driel, Lo van (2003). Een leven in woorden. J.H. van Dale, schoolmeester - archivaris - taalkundige. Zutphen. |
| | | |
| Frederiks, J.G. en F. Jos. van den Branden (1888). Biographisch Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandsche Letterkunde. Amsterdam. |
| Kruseman, A.C. (1886-1887). Bouwstoffen voor een Geschiedenis van den Nederlandsche Boekhandel, gedurende de halve eeuw 1830-1880. Amsterdam. |
| Kuitert, Lisa (1991). ‘De second-hand handel. Een doorbraak op het gebied van goedkope literatuur’, in De Negentiende Eeuw, jg. 15, 185-202. |
| Landwehr, John (2006). Vergeten cultuurdragers. De familie Campagne en hun boekenfonds, honderd jaar uitgeven in Tiel 1819-1919. Utrecht. |
| Meulen, R. van der (1891). Een Veertigjarige Uitgeversloopbaan: A.W. Sijthoff te Leiden. 1851 - 1 Januair - 1891. Amsterdam. |
| Posthumus, Jan (1993a). ‘Vaders en Zonen. Een aanvulling over de familie Calisch’, in Trefwoord 4, 39-40. Ook op www.fryske-akademy.nl/trefwoord. |
| Posthumus, Jan (1993b). ‘Van Jaeger naar Kramers. De eerste halve eeuw van Kramers' vertaalwoordenboeken Frans, Duits en Engels’, in Trefwoord 6, 15-33; tevens in Van der Sijs (1998: 113-141). |
| Posthumus, Jan (1993c). ‘I.M. versus J.M.: de voorletters van Isaac Marcus Calisch’, in Trefwoord 5, 44-45. Ook op www.fryske-akademy.nl/trefwoord. |
| Posthumus, Jan (1994). ‘Gerrit Benjamin van Goor (1816-1871). Vijf episoden uit het leven van een doortastend zakenman-uitgever’, in Trefwoord 7, 34-47; tevens in Van der Sijs (1998: 72-92). |
| Posthumus, Jan (1996). ‘Productiegegevens Van Goor en H.Picards Pocket Dictionary’, in Trefwoord 11, 209-211. |
| Posthumus, Jan (1997-98). ‘Woordenboekcriminaliteit’, in De Woordenaar, 1997: 1/1: 2-4, 1/2:1-6 en 1998, 2/1: 1-6, 2/2: 1-5. Ook op www.fryske-akademy.nl/trefwoord. |
| Posthumus, Jan (1998). ‘F.P.H. Prick van Wely (1867-1926): een gedreven woordenaar, (I).’, in Trefwoord 12, 89-122. |
| Posthumus, Jan (2003a). ‘F.P.H. Prick van Wely (1867-1926): een gedreven woordenaar (II). Prick van Wely als hoeder van de tweetalige lexicografie’. www.fryske-akademy.nl/trefwoord |
| Posthumus, Jan (2003b). ‘F.P.H. Prick van Wely (1867-1926): een gedreven woordenaar (III). Prick van Wely in dienst van Van Goor’. www.fryske-akademy.nl/trefwoord. |
| Sanders, Ewoud (1992a). ‘Leven en werk van Jacob Kramers (1802-1869)’, in Trefwoord 2, 22-29; tevens in Van der Sijs (1998: 104-112). |
| Sanders, Ewoud (1992b). ‘Johan Hendrik van Dale (1828-1872): maker van een half woordenboek’, in Trefwoord 3, 30-39; tevens in Van der Sijs (1998: 45-59). |
| Sanders, Ewoud (1993). ‘Waarom zei Van Dale nee tegen het WNT?’, in Trefwoord 6, 46-51; tevens in Van der Sijs (1998: 60-66). |
| Sijs, Nicoline van der (red.) (1998). Woordenboeken en hun makers. 's-Gravenhage. |
| Sterkenburg, P.G.J. van (1983). Johan Hendrik van Dale en zijn opvolgers. Utrecht / Antwerpen. |
| Stuurman, Frits (1993). Dutch Masters and Their Era. Amsterdam. |
|
1Welkome opmerkingen van redactionele zijde bij de eerste versie van dit artikel zijn het eindresultaat in verschillende opzichten ten goede gekomen. Ik dank Jaap Engelsman en Johan Gerritsen voor het beschikbaar stellen van bepaalde woordenboekedities en Rob Tempelaars voor het verlenen van enkele hand- en spandiensten.
2Ook bij het huidige onderzoek werden deze bronnen meermalen tevergeefs geconsulteerd. Brinkman vermeldt niet altijd de verschijning van een nieuwe editie, of zelfs van een geheel nieuwe publicatie. Het Nieuwsblad was afhankelijk van wat uitgevers als gegevens aanleverden. Of dezen al dan niet een nieuwe publicatie, of de verschijning van afleveringen daarvan, in dit orgaan bekend maakten, lijkt mede van het toeval afhankelijk. Ze gaven er vaak de voorkeur aan boekhandelaren te informeren via circulaires. Het koperspubliek kon rechtstreeks worden aangesproken via advertenties in de dagbladen. Vgl. meer concreet enkele geconstateerde tekortkomingen van Brinkman en Nieuwsblad op dit gebied in Posthumus (1993b: §§ 5.3 en 5.4).
3Voorwoord (November 1886) tot zijn Bouwstoffen voor een Geschiedenis van den Nederlandschen Boekhandel, gedurende de halve eeuw 1830-1880 (1886-87).
4In Kramers' geval waren het, naast zijn grote woordenboek Frans, slechts zakwoordenboeken. Zie over hem Sanders (1992) en Posthumus (1993b).
5Het werk van deze ietwat rebelse figuur, die ook nog andere naslagwerken op zijn naam had, verdient nadere studie. Hetzelfde geldt voor de lexicografische activiteiten van Bomhoff.
6Begonnen met een Viertalig aanvullend hulpwoordenboek (derde druk, 1910) drukte hij later bij uitgever G.B. van Goor zijn stempel op Kramers' woordenboeken Engels en Frans. Eerder was hij ook in de running geweest om Kramers' Duits over te nemen. Zie Posthumus (2003b) over zijn werk voor Van Goor, en meer algemeen over hem, Posthumus (1998, 2003a).
7Het in het Centraal Bureau voor Genealogie raadpleegbare ‘Tabellarisch overzicht van het geslacht Calisch’ (Haarlem, 1996) laat zien dat alleen de eerste naam op het geboortebewijs staat. De tweede is een patronymicum, zij het, anders dan in het Fries, zonder morfologische uitgang (vgl. Pieter Jelles Troelstra e.d.). De namen zijn dus te interpreteren als Isaac, zoon van Marcus, Nathan zoon van Salomon. De tweede voorletter vormt niettemin een vast onderdeel van de naam.
8Zie vooral het Biographisch Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandsche Letterkunde (tweede druk, 1888, van de hand van J.G. Frederiks en F. Jos. van den Branden) en ook bijvoorbeeld Vivat's Geïllustreerde Encydopedie (II, 1902) en het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (I, 1911). Een verzameling krantenadvertenties en enkele krantenknipsels zijn in te zien in het Centraal Bureau voor Genealogie.
9Aldus het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (I: 541), waar trouwens zijn geboortejaar abusievelijk als 1806 staat aangegeven.
10De ondertitel van dit goed leesbare, in vele bibliotheken bewaarde werk luidde: ‘Overzigt van al hetgeen er in Amsterdam wordt verrigt ter bevordering van de stoffelijke, zedelijke en godsdienstige belangen, voornamelijk der minvermogenden en behoeftigen’. Met een voorwoord van 31 dec. 1851 verscheen het bij M. Schooneveld en Zoon, Amsterdam.
11Zie hierover Posthumus (1993a). De verwarring in het NNBW werd mede in de hand gewerkt doordat de bruid van Nathan Salomon staat vermeld als Marianne Calires. De familierelatie is inmiddels ook geboekstaafd in bovengenoemd ‘Tabellarisch overzicht van het geslacht Calisch’. De inhoud van genoemde artikelen in het NNBW leek aanvankelijk extra betrouwbaar omdat deze volgens de signatuur zou zijn aangeleverd door Salomon Martinus Nathan Calisch (1847-1916), de zoon, zo blijkt uit het genealogisch overzicht, van Nathan Salomon. Hij had natuurlijk niet de eindredactie van genoemde artikelen, maar sloot de term ‘broeder’ misschien ook ‘behuwdbroeder’ in?
12Brief 14 augustus 1862 aan uitgever G.T.N. Suringar. Over deze correspondentie zie beneden, noot 109.
13De bewering in Frederiks en Van den Branden: ‘Alle woordenboeken door I.M. Calisch samengesteld, zijn onder medewerking [van N.S. Calisch] tot stand gekomen’ (s.v. Calisch, Nathan Salomon) is onjuist.
14Zie hierover Posthumus (1993a)
15Dat hier de voorletters M.J. worden gebruikt in plaats van M.I. vraagt in de hedendaagse wereld om verklaring. Het is bekend dat in vorige eeuwen de letters i en j (net als trouwens u en v) als varianten van elkaar werden beschouwd. In het huidige geval, waar we met kapitalen te maken hebben, werd de letter I mogelijk om louter decoratieve redenen door de J vervangen. Zie hierover Posthumus (1993c).
16Brinkman's Catalogus (deel 1833-1849) stelt deze abusievelijk op naam van Isaac Marcus; het enige in onze bibliotheken traceerbare exemplaar staat bij de Universiteit van Amsterdam geregistreerd zonder auteursnaam, en die ontbreekt ook in de aankondiging van dit werk door uitgever Gebroeders van Cleef in het Nieuwsbald voor den Boekhandel (9 sept. 1841). (Het was mij en kennelijk ook anderen destijds echter ontgaan dat de juiste informatie in dezen wel staat afgedrukt in het artikel over Isaac Marcus in Frederiks en Van den Branden (1888)). De omissie is inmiddels rechtgezet in Claes/Bakema (1995).
17A.C. Kruseman, Bouwstoffen, I: 789. Misschien zegt het iets dat de latere vooraanstaande uitgevers D.A. Thieme (1830-1879) en A.W. Sijthoff (1829-1913) bij hem in de leer waren geweest.
18Het in zeer lovende termen gestelde in memoriam waarin Fuhri's overlijden in The Daily Picayune werd bekend gemaakt, wordt geciteerd in Krusemans artikel ( Bouwstoffen, I: 801).
19Gerardus Dom Seiffen (1774-1858), zijn naam wordt in Brinkman's Catalogus samengetrokken tot Domseiffen, heeft verschillende publicaties op het gebied van de klassieke talen en de geschiedkunde op zijn naam, zowel in algemene zin als gericht op schoolgebruik.
20Dat wil zeggen drie vanuit het Nederlands naar de vreemde talen toe, en drie vanuit die talen naar het Nederlands.
21Dit is inderdaad een kolossaal bedrag, gelijk te stellen aan ongeveer 250.000 Euro in hedendaags geld. Kruseman ( Bouwstoffen, I: 174) geeft nog de volgende beschrijving: ‘een oorspronkelijk plan van den uitgever, waarvoor hij een geheel nieuwe nonpareil letter deed gieten. Er moesten 9000 letters op één bladzij staan, zevenmaal zoo veel als op een gewoon gr. 8 o, terwijl elk vel van 16 pag. slechts tegen 14 cts. berekend werd’.
22Mochten er alsnog exemplaren opduiken met het jaartal 1847 op de titelpagina, dan zijn ze geantedateerd. In dit artikel wordt 1848 als publicatiejaar aangehouden.
23Een vierdelige uitgave is aanwezig in de KB. Tweedelige uitgaven zijn op meer plaatsen aanwezig. Mijn eigen exemplaar, enigszins aangeknaagd door de tand des tijds, heeft niettemin een titelpagina behouden met de expliciete aanduiding ‘In twee delen. Deel II. 3 e Afd. Engelsch, Nederduitsch, Hoogduitsch en Fransch. 4 e Afd. Nederduitsch, Fransch, Hoogduitsch en Engelsch’. Als jaartal wordt 1848 vermeld. Men bedenke dat ook bij andere woordenboeken de klant nog tot in de twintigste eeuw de keuze werd gelaten van levering in één of meer banden.
24Iemand die er voortdurend op hamerde dat beide delen van een vertaalwoordenboek op deze manier op elkaar afgestemd dienden te worden, was F.P.H. Prick van Wely (1867-1926). Zie Posthumus (2003a) voor zijn polemiek met C.R.C. Herckenrath over de feilen van diens woordenboek Frans in dit opzicht. Spiegeling van de beide helften van een woordenboek met behulp van de computer werd voor het eerst op grote schaal toegepast bij de productie van de Grote Van Dale vertaalwoordenboeken in de jaren tachtig.
25Een vlugge vergelijking duidt erop dat Marcus Isaacs Nouveau Dictionnaire Français-Hollandais (2 e druk, 1841) de ingangen had geleverd voor het qua omvang nogal bescheiden deel met Frans als eerste taal.
26Er zijn meer gevallen van naamloze lexicografische producten. Zo verscheen in 1864 bij Noorduijn te Gorinchem nog een tweedelig Engels en Nederlands woordenboek ‘volgens de beste bronnen bewerkt door eenige taalkundigen’. Vgl. ook de vroege lotgevallen van het woordenboek Frans van vader Marcus Isaac, wiens naam als auteur ook aanvankelijk niet genoemd werd.
27In deze editie, die berust op het INL, zijn de plaatsgegevens op de vier titelpagina's aan de uitgangstaal aangepast. We zien daar de variatie Brussel/Bruxelles/Brussels, Livorno/Livourne/Leghorn, en Dezelfde firma/Même maison/Same house. (In het Duitse deel wordt onder Livorno de firmanaam Meline, Cans et Compagnie herhaald.)
28Dat in Claes/Bakema (no. 2077) alle edities van het viertalig woordenboek onder de auteursnaam Calisch, Nathan Salomon, worden opgevoerd, is derhalve onjuist. (No. 2100 lijkt een gedeeltelijke doublure.)
29Hij zal het hebben aangekocht uit de boedel van Fuhri, wiens zaken, zoals gemeld, in januari 1856, dus binnen een jaar na verschijning van de nieuwe tweede druk, waren ontbonden.
30Dat ook de drie tweetalige parten onderdeel van het geheel zijn, blijkt, omdat een extra voorpagina met de algemene titel ontbreekt, niet echt duidelijk uit de enkele gevonden exemplaren, waarin die drie delen of zijn samengebonden, of in aparte band zijn geleverd.
31De recensent die zich als ‘M.’ ondertekent was naar alle waarschijnlijkheid het redactielid Pieter Nicolaas Muller (1821-1908). Deze jongste broer van de befaamde bibliograaf en antiquaar Frederik Muller (1817-1881) was opgeleid voor de handel, maar gaf daarnaast blijk van brede maatschappelijke interesses. Hij was van 1856-1880 mederedacteur van De Gids. Zie verder het aan hem gewijde artikel in NNBW, deel II, kol. 961-962.
32M. drukt dit in zijn slotzin als volgt uit: ‘En 't zou mij aangenaam zijn wanneer de tegenwoordige eigenaar van het boek deze korte aanbeveling alleen daardoor leerde kennen, doordien hij naar de hem onbekende oorzaak wilde zoeken van een plotseling opkomende sterke vraag naar dit werk’.
33De tweede uitgave, eerder geëxploiteerd door P.K Braat, kwam vervolgens terecht bij Blussé en Van Braam. Uit dat fonds verwierf Sijthoff op 27 sept. 1877 dertig ongebonden exemplaren van die druk en het recht van uitgave van het werk. (Zie Nieuwsblad voor den Boekhandel, 5 oktober 1877, p. 448).
34Enkele brieven van N.S. Calisch aan Sijthoff worden bewaard in de UBL onder signatuur SYT A 1879.
35Of er zo ook gewerkt is, kon helaas niet met zekerheid worden vastgesteld.
36Zoals we verderop ook weer zullen zien, zijn de tijdsaanduidingen die we in voorwoorden van de Calischen tegenkomen allerminst betrouwbaar. Blijkens Fuhri's circulaire verscheen het werk in 1848. De tweede druk draagt de datering 1854/1855, kwam dus niet ‘tien jaren later’. De verschijning van de derde druk wordt gemeenlijk op 1882 gesteld, dus inderdaad ongeveer 35 jaren na de geboorte. Maar dat de bewerkers pas twee jaar eerder, dus in 1880, de opdracht kregen, klopt dan weer niet.
37Het Neues Vollständiges Wörterbuch der deutschen und französischen Sprache van Dominique Joseph Mozin (1771-1840), ook bekend als Abbé Mozin, een kolossaal werk in vier banden, was verschenen in 1811-1813. Bijgewerkt door andere auteurs, was het inmiddels beschikbaar in een vierde druk (1863) met supplement (1873). De meest recente versie van het woordenboek van Noah Webster (1758-1843) was de editie 1864 van An American Dictionary of the English Language. L. Smith en H. Hamilton waren de auteurs van The International English and French Dictionary (1871). Op naam van Johann Gottfried Flügel (1788-1855) staat het omvangrijke Allgemeines Englisch-Deutsches und Deutsch-Englisches Wörterbuch (1830), toen beschikbaar in de derde druk van 1847. Mogelijk wordt echter verwezen naar een editie van zijn Practical Dictionary of the German and English Languages (1847-1852). Isaac Marcus noemt deze titel in het voorwoord bij zijn woordenboek Nederlands-Engels (1875). Vgl. noot 116.
38Voor wat betreft de voorletters J.M. in plaats van I.M. zie noot 15.
39Ook twee later uitgegeven Sijthoff-catalogussen (1911, resp. 1951) brengen ons niet verder. Gemakshalve herhalen die in het algemeen de eerder gepubliceerde gegevens. De in de catalogus van 1951 toegevoegde datering 1878-1882 zal ontleend zijn aan Brinkman.
40In het Nieuwsblad voor den Boekhandel wordt op 10 september 1878 bekend gemaakt dat de eerste twee afleveringen (‘blz. 1-92 in 2 kol.’) thans beschikbaar zijn. Het complete werk zal uit 40 afleveringen bestaan, à f. 0,25 per stuk. Dit is de enige plaats waar het Nieuwsblad iets over de voortgang van deze editie te melden heeft. De verschijningsdatum van het gehele werk, of onderdelen daarvan, zal Sijthoff elders hebben aangekondigd.
41Brinkman's Catalogus geeft voor het Duitse deel het jaartal 1888.
42Aldus A.C. Kruseman in een uitgebreide beschouwing over de opkomst en het belang van het tweedehands boekenvak. Zie Bouwstoffen, II, pp. 479-492. De geciteerde woorden staan op p. 487. Zie Kuitert (1991) voor een uitvoerige beschrijving van dit fenomeen.
43Geciteerd door Kruseman, ibid, p. 485.
44Kruseman, ibid., p. 487.
45Deze geschenken werden verloot onder degenen die, na besteding van minimaal f. 3,-, genummerde bonnen meegestuurd hadden gekregen.
46Dateringen van deze edities in bibliotheekcatalogi, kenmerkend tussen vierkante haken, komen dus niet uit het werk zelf, maar uit externe bronnen, en zijn soms alleen maar geschat.
47Zie Brinkman's Catalogus, die naast de oorspronkelijke prijs ook een ‘verminderde’ vermeldt
48Het hoogste druknummer dat ik heb aangetroffen is een dertiende druk van het deel Frans. Als we, de beschikbare jaartallen in Brinkman extrapolerend, er vanuit mogen gaan dat er om de twee jaar een nieuwe editie op de markt werd gebracht, komen we voor een dertiende druk op het jaar 1907
49Dit was een gebruikelijke handelwijze, ook toegepast door uitgeverij J.B. Wolters, wanneer oorspronkelijke auteurs als M.J. Koenen, K. ten Bruggencate of C.R.C. Herckenrath na overlijden niet meer deel hadden aan de bewerking van het woordenboek dat zij in het leven hadden geroepen. Ze gingen dan fungeren als merknamen; de naam van de nieuwe bewerker stond op de titelpagina dan na boektitel en editieaanduiding. In deze ongewijzigde Calisch-edities kon een dergelijke naam natuurlijk niet worden verschaft.
50Zie Posthumus (1997-98, met name 1997: 1/2: 4).
51Een dergelijk hulpinstrument werd bijvoorbeeld toegevoegd aan de heruitgave door de obscure uitgeverij Aldus te Hilversum van de nuttige tweetalige zakwoordenboeken die Elsevier omstreeks 1900 had gepubliceerd, te weten het Praktisches Wörterbuch van Knoest en Nolen (1895), de Practical Dictionary van Teding van Berkhout (1896) en de Dictionnaire Pratique van Borlé en Nolen (1908), de tweede editie van een eerdere uitgave van Delinotte en Nolen (1888).
52Dat geldt echter niet voor het dozijn hier opgesomde meer algemene woorden die, vreemd genoeg, wel degelijk in het woordenboek zelf te vinden zijn.
53Hilarisch is de aanwijzing dat men er het best in zal slagen ‘de niet nauwkeurig te omschrijven klanken op Engelsche wijze voorttebrengen, wanneer men de benedentanden vooruit brengt, zoodat de boventanden er binnen vallen. [...] Dit eenvoudig hulpmiddel is voor eerstbeginnenden zeker niet te versmaden’. Twee storende fouten in de aangegeven uitspraak van de letters van het alfabet zijn ( itsj) in plaats van ( eetsj) voor de h en ( dzjie) in plaats van ( dzjee) voor de letter j, een hardnekkige fout die ook nu nog wel gehoord wordt.
54Deze informatie was in die tijd volop beschikbaar in meer deskundige werken, zoals K. ten Bruggencate, De Uitspraak van het Engelsch (1899 en volgende jaren).
55Zie voor bijzonderheden Esther Z.R. Cohen (1995).
56Een vierde editie van het viertalig woordenboek is niet aangetroffen. Deze was eigenlijk overbodig geworden toen in het voorlaatste decennium van de negentiende eeuw de inhoud van derde editie werd geïncorporeerd in de vierde uitgave van de tweetalige edities.
57Het voorbericht wordt gepresenteerd in beide talen. In de linker kolom de ‘Vorrede’, in de rechter de ‘Voorrede’. Ook het voorbericht van het nog te behandelen woordenboek Frans wordt in beide talen gegeven.
58Voor dit in 1809 verschenen woordenboek zie Claes/Bakema (1382), waar ook een editie van 1819 wordt vermeld. Het omgekeerde deel was al in 1803 verschenen. Claes/Bakema (1380) vermeldt daarvan nog latere edities van 1823 en 1832.
59PICA vermeldt edities in de periode 1922-1975 (met herdruk nog in 1984). Begonnen door J. Gerzon werd het boekje lange tijd voortgezet door C. Brouwer en G. Ras en later door nog andere bewerkers.
60Dat verhindert echter niet dat hij, in navolging overigens van andere ten dele ook buitenlandse auteurs, zijn eigen werk, zelfs in de titel, nu en dan als ‘volledig’, ‘vollständig’ of ‘complete’ kenschetst.
61In een polemiek met collega-uitgever Campagne dreef G.B. van Goor de spot met een dergelijke opstelling door boekslijm en boeksknecht te lezen, waar duidelijk boekbinderslijm en boekdrukkersknecht was bedoeld. Zie Posthumus (1994: 39); tevens in Van der Sijs (1998: 79).
62Zo werd bijvoorbeeld in de eerste ‘Van Dale’ (1872), de bewerking van het door de Calischen voor Campagne vervaardigde Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal (1864), het gebruikersonvriendelijk ingerichte trefwoordbestand in zeer sterke mate ontclusterd.
63De Duitse GBV-catalogus vermeldt een zekere Wilhelm Dyckerhoff (1810-1881) als auteur van onder andere een serie werken onder de titel Compositions Schule. Zijn vroegste publicaties zijn verschenen in Emmerich. Het lijkt dus deze musicoloog te zijn geweest die dit uitstapje naar de lexicografie heeft gemaakt.
64Dat wil zeggen vanaf pag. 393, niet 293 zoals het voorwoord abusievelijk aangeeft.
65In het Nieuwsblad voor den Boekhandel van 20 juli 1880 (p. 329) meldt Bolle inderdaad de aankoop van dit woordenboek.
66Dit voorwoord kon natuurlijk ook als verantwoording achteraf gelezen worden. Bij De Grebber kennelijk al vroegtijdig gezet, had het de paginanummers v-xii meegekregen. Bij de overname werden die niet gewijzigd, zodat het voorwerk in Tielkemeijers deel I de volgende vreemde paginavolgorde kent: i-viii; v-xii.
67We kennen deze situatie ook van het woordenboek van J.H. van Dale, dat op de titelpagina het jaartal 1872 droeg, ook al kwam het vanwege de werkzaamheden die nog moesten worden verricht na zijn plotseling overlijden pas in 1874 beschikbaar.
68Op welke gebeurtenis het jaartal 1849 gebaseerd zou kunnen zijn, is echter niet duidelijk.
69Müller was leraar Duits aan de Rotterdamse HBS vanaf de oprichting in 1865 tot aan 1888, en vulde in de eerste jaren zijn betrekking aan met lesuren aan het Gymnasium. Van zijn leerboeken zijn te noemen een tweedelige Hoogduitsche Spraakkunst (1856; 7 e druk 1891), een idioomboek met de titel Deutsch in der Umgangssprache für Niederländer erläutert: nebst einer Sammlung deutscher und niederländischer Spracheigenheiten (1866; 4 e druk 1885) en een literaire bloemlezing onder de titel Deutsche Chrestomathie (1871; 2 e druk 1878).
70Müller weet een deel van deze onvolmaaktheden aan het Neues holländisch-deutsches Wörterbuch van Ludwig Tross en Gottfried Overmann, dat tot grondslag van Calisch' woordenboek zou hebben gediend. Daar dit werk pas in 1850 verscheen, kan Calisch dat echter niet als een van zijn bronnen hebben gebruikt.
71Wij zeggen nu ‘zo goed en zo kwaad’.
72‘So gut wie fertig’ had natuurlijk evengoed gekund.
73'Gut' laat zich hier zonder bezwaar gebruiken. Vgl. in het grote Nederlands-Duitse woordenboek van Sicherer/Akveld (1886) ‘er ist von guter Familie, vom gutem Hause, gutem Herkommen’ (p. 295, 2 e kolom).
74Zie Tijdspiegel (1859/1: 532).
75In het alfabetische traject van deze vijftien bladzijden bevinden zich vanzelfsprekend ook de samenstellingen met on-, zoals ontelbaar, ontegenzeggelijk e.d.
76Müller heeft hier volstrekt gelijk. Ze konden naar hartelust worden geput uit deel 6 (1804) van Weilands Nederduitsch Taalkundig Woordenboek.
77Typerend voor de hoge standaard die hij aanlegt is ook dat zijn Chrestomathie, de bloemlezing die de leerling door de Duitse letterkunde voert, begint met Wulfila's gotische bijbelfragmenten (met Duitse vertaling).
78Op 6 augustus 1880 bracht Bolle deze titel, waaraan de nodige gebreken kleefden, in het Algemeen Handelsblad op de inmiddels gebruikelijke wijze onder de aandacht. Onder de opvallende kop: ‘Kijk wat een koopje’ vermeldde hij eerst de titelgegevens en voegde daar vervolgens in grote vette letter aan toe: ‘Er gebeuren wonderen met de boeken tegenwoordig: wie kan er bij, wie kan het begrijpen, ik verkoop het groote, beste Woordenboek volgens Calisch nu voor f 1,90 in plaats van f 5,-, geen vlekje, geen smetje is er aan, fonkelnieuw, compleet in linnen band krijgt men het nu voor f 1,90’. De advertentie werd, wat minder uitbundig gesteld en opgemaakt, later naar behoefte herhaald.
79Deze druk verscheen in 1874, dus negen jaar voor de datum van dit voorwoord. De uitgever heette J.F. van Druten.
80Wij noemen afschaffing van de dubbele aa, wat Stat oplevert in plaats van Staat, het weglaten van de h in woorden als Wehrwolf en Nahrung en de algehele vervanging van ph door f.
81Zo heet bijvoorbeeld de Feilenhauer uit 1851 nu een Feilenmacher, en is bij de fonteinmeester het equivalent Röhrmeister geschrapt, zodat alleen de Brunnenmeister overblijft. Dit relict, naar zeggen oorspronkelijk overgenomen uit de Duitse lexicografische praktijk, heb ik echter niet meer aangetroffen in Duitse woordenboeken uit deze latere jaren.
82Sicherer wijt dat enerzijds aan het overlijden van Akveld in maart 1881, anderzijds aan de geringe steun die hij kon ontlenen aan het Nederlandsche Woordenboek (= WNT), dat zo veel langzamer vorderde dan hij had gehoopt. (Vorwort, deel Nederlandsch-Hoogduitsch).
83Ik verlaat me hier op de datering in Claes/Bakema (1299). Ook dit woordenboek viel in handen van Bolle.
84Gegeven vertalingen als ‘protest laten maken’, ‘eene aanklacht tegen iemand inleveren’, klinken voor hedendaagse oren nogal vreemd.
85Misschien moest Isaac Marcus in 1845 het vak in bepaalde opzichten nog leren. Vgl. de overdadige, en voor de vertaling overbodige, details bij het Duitse trefwoord licht: ‘licht; daglicht; maanlicht; schijnsel; lichtend -, schijnend -, blinkend voorwerp; hemellicht, lichtgevend ligchaam; kaarslicht; waslicht; (136) [= in der Malerei] licht; kaars’. In 1883 wordt volstaan met: ‘licht (i[n] a[lle] b[etekenissen]); kaars; (hemel)licht, gesternte; oogen (van het hert); fig. licht, genre’. De laatste twee zijn nieuw.
86Met de middelbruine band met zwarte strepen op de rug, die op voor en achterblad uitlopen in jugendstil-achtige bladmotieven, heb ik Bolle's editie verscheidene malen in antiquariaten aangetroffen. Helaas is de originele uitgave uit 1883/1885, evenals trouwens de titeluitgave van Bolle, volgens de PICA-gegevens thans nergens meer in onze institutionele bibliotheken te vinden. (Eerder aanwezig met signatuur TFK in de bibliotheek van de Theologische Faculteit te Tilburg, hebben de oorspronkelijke deeltjes kennelijk de ontsmettingsbeurt benodigd voor de overplaatsing zomer 2006 naar de Tilburgse universiteitsbibliotheek niet overleefd.) De inhoud van het deel N-D (1885) heb ik slechts kunnen bestuderen via de Bolle-editie. Dat betekent dat ik helaas geen kennis heb kunnen nemen van de uitgebreide tweetalige voorrede die Isaac Marcus in het voorwoord van het deel D-N in het vooruitzicht stelde.
87Het werk wordt tevergeefs gezocht in de Nederlandse Bibliografie 1801-1832 (Houten, 1993), bedoeld om de drie decennia voorafgaand aan de verschijning van het eerste deel van Brinkman's Catalogus in kaart te brengen.
88Dat deze nergens gevonden eerste druk zonder auteursaanduiding verscheen, wordt bevestigd door een zinsnede in de recensie van de tweede druk in Nieuwe Bijdragen (1844: 341), waarin sprake is van de heer M.J. Calisch, ‘die zich thans als Vervaardiger van dit Woordenboek bekend maakt’.
89Zie Nieuwe Bijdragen ter Bewrdering van het Onderwijs en de Opweding, 1844: 341-343. Wat betreft de fraaie uitvoering, wijst de recensent erop dat het boek gedrukt is door de befaamde Amsterdamse firma C.A. Spin. Interessant is ook het zinnetje waarin hij te kennen geeft dat ‘de naam des Vervaardigers gewis niet weinig tot aanbeveling zal verstrekken’.
90Algemeene Konst- en Letterbode, 1855, p. 29
91De fout in de alfabetische volgorde wordt in een volgende editie rechtgezet.
92De Gids 1856, 1: 137-140. Kramers' woordenboek verscheen in 1859 en is qua formaat en omvang vele malen groter dan het bescheiden werkje uit de Calisch-stal. Ze kunnen dus moeilijk op gelijke voet worden beoordeeld. Ook Kramers heeft het pédo-rijtje, zelfs nog wat uitgebreider, maar in een woordenboek van die omvang is het beter op zijn plaats.
93Zie A.C. Kruseman, Bouwstoffen, I: 767. Hij spreekt met grote waardering over het uitgevershuis: Gebr. van Cleef is ‘onder de voornaamste uitgevers te tellen.’ (p. 770)
94Het is deze uitgave, de enige vindbare van deze derde druk, die ik heb kunnen inzien.
95Brief 25 aug. 1856. Correspondentie tussen I.M. Calisch en Suringar wordt bewaard in de UBA. Zie noot 109.
96Tegelijk met dit woordenboek van I.M. Calisch nam hij ook de gelijknamige en gelijksoortige Franse dictionaire van J.B.L. Géruzet over, waarvan hij vervolgens een vierde (1872) en een vijfde editie (1883) uitgaf. Een sieraad in het fonds werd later het Woordenboek op de gedichten van Homeros (1892), ontwikkeld door Eugen Mehler, toentertijd rector gymnasii te Sneek, en vanaf de tweede druk voortgezet door zijn zoon Jakob Mehler.
97Hier blijkt dat in het voorwoord de oude spelling blijft gehanteerd. Ook in de volgende druk staat nog de kop ‘Berigt voor den vijfden druk’. Verschil tussen de spelling van het voorbericht en die van het woordenboek zelf komen we later ook tegen bij de Kollewijners. Zo verklaart Gallas in een noot onder het voorbericht bij de derde druk (1917) van zijn Fransch Woordenboek (deel F-N): ‘In dit voorbericht gebruik ik de vereenvoudigde spelling; in het werk zelf moet ik wel veel dubbele e's en o's en andere overbodige lettertekens laten zetten’.
98Aldus, na kennisneming van de eerste afleveringen, in De Portefeuille, 19 maart 1887, 8 e jg., p. 741.
99Of, zoals in het woordenboek zelf, 1628, resp. 1772 kolommen. De derde druk (1917-1919) werd overgenomen door J.B. Wolters.
100Over de drie verschillende titelpagina's die te eniger tijd in omloop werden gebracht, zie Sanders (1992b: 34), tevens in Van der Sijs (1998: 51). Hij merkt terecht op: ‘het verwijderen van de aanduiding “2 e druk” van de oudste titelpagina heeft later voor nogal wat verwarring gezorgd.’ ( Ibid., noot 27).
101Een zo volledig mogelijk overzicht van Van Dale's leven en werken wordt geboden in Van Driel (2003). Veel informatie is ook te vinden in Van Sterkenburg (1983), een beschrijving van oorsprong en ontwikkeling van wat nu bekend staat als de ‘Grote Van Dale’. Onmisbaar zijn verder Sanders (1992b) en (1993), twee artikelen waarin verschillende detailkwesties nauwkeurig werden onderzocht.
102Campagne bracht bij nader inzien het vreemdewoordenboek toch maar als aparte publicatie uit. Zijn Beknopt Kunstwoordenboek verscheen in 1864 tegelijkertijd met het grotere werk waaruit het afgeleid heette te zijn. Het werkje zou zich op dit deelgebied een plaats moeten verwerven naast de al langer bestaande Kramers' Woordentolk Verkort, waarvan in 1863 de achtste druk was verschenen. Zo ver kwam het niet, want terwijl het toen nog bescheiden woordentolkje bij uitgever Van Goor nog in lengte van jaren triomfen zou blijven vieren, verdween het nieuwe kunstwoordenboek, de lichte opwaardering in het achtste duizendtal (1882) ten spijt, al weer spoedig van het toneel.
103Zie voor deze overgang Sanders (1992b: 32-33, en de bijbehorende noten 18 en 19), ook in Van der Sijs (1998: 49).
104De aldaar genoemde auteursnamen wijzen op de volgende titels: Kramers' Algemeene Kunstwoordentolk (de afleveringen van de derde druk uit 1863 verschenen vrijwel gelijktijdig met die van het woordenboek van de Calischen), Van Lenneps Zeemans-Woordenboek (1856) en Corstiaan de Jong's Handwoordenboek der natuurwetenschappen (1858-1869), waarvan dus kennelijk alleen de eerste afleveringen gebruikt konden worden.
105In mijn eigen hertelling blijven van de vijf door Van Sterkenburg genoemde termen die niet zouden zijn overgenomen slechts twee over. Wie de daar ( a.w. 18-19) afgedrukte lijst en het bijbehorende commentaar nader bekijkt, ziet dat het woord flikster in beide lijsten voorkomt, en dat over het hoofd is gezien dat flikkerend wel degelijk ook in Calisch voorkomt, zij het voor het oog zeer onopvallend als ‘- D’, dat wil zeggen het tegenwoordig deelwoord bij flikkeren. Daarnaast blijkt het opgevoerde fliker een spookwoord. Niet meegenomen zijn ten slotte flitseboog, dat als alternatieve ingang naast het wel behouden flitsboog (= ‘pijlboog’) gemist kon worden, en flitsekoker. Dat dit laatste woord bij Calisch verdwijnt is misschien
een abuis. Van Dale brengt het als flitskoker (= ‘pijlkoker’) ten minste weer terug.
106Namelijk in de Voorrede (p. XII), gesigneerd ‘Amsterdam, 1 November 1845’, bij zijn Neues Vollständiges Deutsch-Holländisches Wörterbuch.
107De laatste term bewijst dat ‘iatrogene’ aandoeningen ook al in de negentiende eeuw konden worden opgelopen. Van Moock voert als eerste lid overigens de vorm hospitaals op, en geeft als samenstellingen slechts - koorts, - preek en - soep (‘mauvaise soupe’, volgens hem).
108In de elektronische versie die is meegeleverd met de 14 e editie van de Grote Van Dale (2005), zijn alle aanwezige woorden, nu voluit geschreven, wel in hun alfabetische volgorde op te roepen. Voor onderzoeksdoeleinden is echter de dbnl-versie, met de originele inrichting van het woordbestand, te verkiezen..
109Ik citeer hier en in de volgende alinea's uit correspondentie berustend in de UBA onder codering KVB BSU 12-68 t/m 12-84. We hebben hier alleen de uitgaande correspondentie: Suringars reacties of het ontbreken daarvan moeten worden afgeleid uit wat Isaac Marcus te berde brengt.
110Dat Isaac Marcus het niet kende, kan eraan liggen dat het nog te kort geleden verschenen was. Maar hij had toch moeten weten dat het hier om een bewerking ging van een zakwoordenboekje van bescheiden omvang. Voor het woordenboekje van A. Jaeger, zie Posthumus (1993), voor Picard/Vogin zie Posthumus (1996).
111We gaan dan af op de mededeling in het voorwoord van september 1870 dat hij ‘na een ruim vierjarigen arbeid [...] eindelijk het genoegen [...] mocht smaken het Engelsch-Nederlandsch gedeelte van dit Woordenboek voltooid te zien’. Zoals we al eerder zagen, is Isaac Marcus allesbehalve nauwkeurig in dit soort aanduidingen, en het hoeft dan ook niet te verbazen, dat hij in het voorwoord van deel II meedeelt dat ‘het eerste gedeelte drie jaren arbeid eischte’, tegenover vijf jaren voor het tweede.
112Die 320 pagina's besloegen uiteindelijk slechts omstreeks een derde deel van het gehele werk.
113Of, zoals in het voorwoord van het tweede deel (1875) staat verwoord: ‘De spelling der nederlandsche woorden, waar zij, volgens het stelsel van de heeren DE VRIES en TE WINKEL van de gevestigde afwijkt, is achter ieder hoofdwoord aangeduid’.
114Misschien gebeurde dat toch nog met frisse tegenzin. Nog in december 1877 informeerde Nathan Salomon bij Sijthoff of voor de te ontwikkelen derde editie van het Viertalig Woordenboek de nieuwe spelling moest worden gebruikt. Vgl. ook de boven geciteerde passage uit het voorwoord van het woordenboek Duits (1883), waarin Isaac Marcus het gebruik van de nieuwe spelling enigermate afschildert als een door de omstandigheden afgedwongen capitulatie.
115Deze praktijk wordt iets later ook gevolgd in de woordenboeken uitgegeven bij J.B. Wolters en Van Goor.
116Johann Gottfried Flügel (1788-1855), die een aantal jaren (1810-1819) in de Verenigde Staten verbleef, publiceerde in 1830 zijn Vollständiges englisch-deutsches und deutsch-englisches Wörterbuch, waarvan latere edities werden bewerkt door zijn zoon Felix Flügel (1820-1904) en nog anderen. Isaac Marcus refereert aan zijn Practical Dictionary of the English and German Languages (1847-1852), die eveneens vele edities beleefde.
117Ik herinner eraan dat dit ook al onderdeel vormde van het oude Franse woordenboek (1830, 1841 2) van vader Marcus Isaac.
118Dat een dergelijk publiek toch in het oog werd gehouden, mag hieruit blijken dat het Engels, zeer ongewoon, ook de voertaal is in het lexicografisch apparaat, dat wil zeggen in de benoeming van de grammaticale categorieën en de aanduiding van de gebruiksvelden.
119De eerste aanduiding komt uit Servaas de Bruins Nieuw Engelsch Woordenboek (1861), de tweede wordt gebruikt door Tieleman Pak in Campagne's Schoolwoordenboek der Engelsche en Nederlandsche Talen (1866). De in het laatste boek uitgeschreven uitspraakvormen getuigen van gedegen kennis en hadden door Campagne aan Isaac Marcus ten voorbeeld moeten zijn gesteld.
120Gevallen met (au) vinden we alleen bij het eerste dozijn woorden, daarna wordt consequent overgeschakeld op (ao). En waarom zou auction (auk'-sjun) moeten verschillen van auctive (aok'-tiv)? Nauwkeurigheid - of is het kennis? - zijn hier wel ver te zoeken.
121Zie het uitgebreide voorwoord bij zijn eerste woordenboek Duits, waaruit boven ruim is geciteerd.
122Aangegeven worden vakgebieden, soms het register gem(eenzaam) en als enige auteursnaam Shak(espeare).
123Blont is een oude nevenvorm van blunt; blondrin doet op een of andere manier aan blundering denken.
124Samengesteld door K. ten Bruggencate, verscheen een moderner Engels woordenboek, zij het veel beperkter van omvang, in de jaren 1894-1896. Stuurman (1993) bevat informatie over verschillende andere anglisten met wortels in de negentiende eeuw.
125Van Isaac Marcus' uitgebreide voorwoord van het deel Nederlands-Engels (1875) staan nu echter alleen de laatste twee alinea's afgedrukt.
126Misschien was het in die tijd nog moeilijk om ter zake kundigen te vinden die dit soort teksten vóór publicatie konden nazien. De Calischen zelf overschatten mogelijk hun capaciteiten op dit gebied.
127De verhuizing naar Amsterdam kreeg zijn beslag op 1 juni 1896. Details over het uitgevershuis Campagne zijn te vinden in Landwehr (2006). De goedkope uitgave bleef onvermeld in Brinkman's Catalogus en heeft ook Claes/Bakema niet gehaald.
128De Duitse GBV-catalogus bevat van dit handboek vele edities. De oudst aanwezige is de zesde uit 1844. Langenscheidt geeft nog steeds een moderne versie uit.
129Mijn eigen ‘nieuwe omgewerkte en vermeerderde uitgave’ bevat geen jaar van uitgave. Namen van auteurs, zoals het geval is met Bellenger en Fischer, worden bij Behr veelal zonder voorletter gepresenteerd.
130Aldus redacteur F.C. Delfos in Nieuwe Bijdragen, 5 maart 1877. De twee nummers 1610 en 1626, die volgens hem gemist konden worden, blijken te gaan over ‘een miskraam hebben’ en ‘een geile deern’. Als hij daarnaast drie plaatsen aanduidt waar hij graag een ander Nederlands woord had gezien, gaat het in alle gevallen om ‘drek’. De kritiek betreft dus steeds een gebrek aan welvoeglijkheid.
131Claes/Bakema (2528) noemt edities van 1876, 1878 en 1901. Het eerste jaartal is echter het verschijningsjaar van de eerste aflevering (zie Nieuwsblad, 24 okt., p. 485) en 1901 ligt ruim na het sterfjaar (1884) van de auteur.
|
|