Vooys. Jaargang 7


auteur: [tijdschrift] Vooys


bron: Vooys. Jaargang 7. Instituut De Vooys voor Nederlandse taal- en letterkunde, Utrecht 1988-1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[ achterplat]

Bewolkt dankwoord
Door Marten Toonder

Dikwijls heb ik in de eenzaamheid van mijn eiland over de zee gestaard, mijmerend over datgene, wat niet heeft mogen zijn.

‘Ach, wat baten mij de complimenten en de lof,’ dacht ik dan. ‘Wat heb ik aan de pluimpjes en de tevredenheidsbetuigingen, die ter inzage liggen... Wat betekent dat alles, als mij nog nooit een prijs is toegekend? Zelfs geen kleintje.’

In de loop der jaren heb ik me echter met mijn lot verzoend, want ik heb een bescheiden aard, en een eenvoudige plaats op een bestseller-lijst is mij al genoeg. Toch blijkt dat er, diep van binnen, iets bleef knagen.

Want wie schetst mijn verrassing toen ik vernam, dat Jan Wolkers mij had voorgedragen voor de P.C. Hooftprijs! Ik was daar diep door getroffen - een dergelijk gebaar door een collega is, zover ik weet, nog nooit gemaakt. Deze voordracht is natuurlijk veel meer waard dan de prijs die aan Wolkers was toegekend, maar die hij geweigerd heeft.

Zo'n weigering is een groot gebaar, en het is te begrijpen dat het de desbetreffende jury danig geschokt heeft. Dat bleek wel, toen de voorzitter, Martin van Amerongen, zich haastte te verzekeren dat het weigeren van een prijs nog onbelangrijker is dan het krijgen ervan.

Flink gezegd

Dat was heel flink gezegd, maar onwillekeurig vraagt men zich af waarom hij dan de moeite heeft genomen om een dergelijke beuzeling voor te zitten.

Wolkers heeft te kennen gegeven dat deze juryleden hem vrij argeloze lieden toeleken. En een dergelijke argeloosheid kan natuurlijk de oorzaak geweest zijn van Van Amerongens toetreden tot iets onbelangrijks als een jury.

Deze veronderstelling wordt gestaafd door de mening van Wolkers, dat het hier om een ‘fatsoenlijke jury’ ging. ‘Het lijken eerzame burgers,’ voegde hij eraan toe, en dat is uit zijn mond een uitzinnig compliment. Maar de vraag blijft zich voordoen, hoe eerzame burgers reageren op een dergelijke klap op het hoofd. Wat schuilt er onder het gemaakte lachje van de voorzitter, die de kwestie als ‘onbelangrijk’ terzijde schuift?

‘Boeiende vraag,’ zou Bomans hebben gezegd. Het spreekt dan ook welhaast vanzelf, dat ik, als voorgedragene, met belangstelling de handel en wandel van deze juryvoorzitter gevolgd heb. Hoe reageert een eerzame, argeloze burger, vroeg ik mij af. Waarschijnlijk zal hij beginnen met een poging zijn gezicht te redden door het maken van een klein grapje. Zoiets van: ‘Ach, het doet er niet toe. Het is onbelangrijk.’

Maar onder de oppervlakte zal het er bij hem heel anders uitzien. Wrok tegen de bekroonde schrijver, die zijn kroon durft te weigeren, ligt voor de hand. Bij de fatsoenlijke voorzitter zal deze wrok gemengd zijn met ongeloof over zoveel hoogmoed, en als hij ook nog eerzaam is, zal een verslagen en verdrietig gevoel zich van hem meester maken. Zelfs zou enige wraaklust begrijpelijk zijn; maar een aanval op Wolkers kan natuurlijk niet.

Een sterk karakter zou er daarom het zwijgen toe doen en zijn dappere lachje volhouden. Maar niet iedereen kan zo'n houding opbrengen.

 

De heer Van Amerongen was zó pijnlijk getroffen, dat hij zijn ontroering wel moest uiten. Zijn smart zocht een uitweg in het stukje ‘Het verval van de O.B. Bommelkunde’ dat enige tijd geleden op deze plaats stond afgedrukt. En daardoor kwam het, indirect, bij mij, de voorgedragene terecht.

Dat was wel even een storing in mijn feestelijke stemming, maar die duurde niet lang. Het leed dat ik in zijn opstel proefde was zo schrijnend, dat ik daar een eerzame, argeloze juryvoorzitter als een dreumel door het dolgat voelde gaan. Het was akelig om te zien hoe hij aansluiting zocht bij de omstreden essayist Kaal, om samen met deze de ene doorbitterde zeepbel na de andere op te laten. Zo groot was zijn kommer, dat hij zelfs de schijn niet op kon houden, dat hij wist waar hij het over had.

Hij ging zo ver, dat hij zich te buiten ging aan naamgrapjes, en dat is toch een sterk staaltje. Hij paste het toe bij het behandelen van een ‘nawoord’ dat in een Bommelboek gepubliceerd is.

‘Het was een onzinnige verhandeling over de “symboliek van het beer-archetype”, waarin het werk van Toonder werd gemeten aan de oerbeelden van de psycholoog C.G. Jung. De schrijvers noemden zich Pety de Vries-Ek en dr. L. Pepplinkhuizen, groteske namen uit de traditie van het Donkerebomen Bos, zodat men kan aannemen, dat het hier geen serieus bedoelde wetenschappelijke bijdrage, maar een pastiche betrof,’ aldus de terneergeslagen voorzitter.

Ik heb dit stukje geciteerd, omdat het niet alleen tegen mij als voorgedragene werd gericht, maar ook tegen de vertaalster van Jungs Verzameld Werk, en de psychiater-voorzitter van de Intern. Ver. v. Analytische Psychologie.

Radeloos proza

Dieper dan dit radeloze proza kan men haast niet vallen, en daarom past ons geen boosheid, doch slechts mededogen. Maar ondanks dat blijkt toch wel degelijk, dat de vermanende vinger van Jan Wolkers op zijn plaats was.

Als de heer Van Amerongen ooit eerzaam en vrij argeloos is geweest, dan is hij door de weigering van de P.C. Hooftprijs toch eigenaardig in de kringen terechtgekomen, die Wolkers voor ogen zweefden toen hij de prijs weigerde.

Ik zou dit dankwoord aan de laatste dan ook willen besluiten met een woord van deelneming aan de eerste.



illustratie