|
|
|
| |
| | | |
Gezang der Liefde
Zoet wichtje, 'k zie u bloozen,
Terwyl het byetje vliegt,
En zuigt het zoet uit roozen,
Haar drift is niet te teugelen,
De kindermin heeft vleugelen,
Geen moeders hart bedriegt.
Dat zy de vreugd zal smaaken
Die haaren wensch vervult,
Als gy met halve woordekens,
Die zachte minnekoordekens,
Haar hartje streelen zult.
Gy zult in Haarlems dreeven
Slaap op 't geruisch van 't windeken,
Door de ouders zorg bewaard.
Haar goedheid zal u queeken
By Haarlems duinvalbeeken,
Blyf, lieve nimfje, bloeijende,
En als een bloempje groeijende,
| | | |
Als gy een nimf zult weezen,
Wat minnaar, hoe geprezen
Verdient zo lieve een bruid?
Uw Lent vol groene Loveren,
Zal menig' hart betoveren,
Wat vreugd zou 't harte ontvonken,
Als gy verheugd van geest,
Verscheent op 't goude feest!
Dan zou de harp der engelen
Zich met de zangkunst mengelen,
Na dat de liefde dus Maria heeft gezegend,
En 't zilverfeest bejegend
Ontvonkt zy 't heilryk paar tot waare dankbaarheid,
Aan Godt, der vad'ren Godt, van wien den dierb'ren zegen
Uit goedheid wordt verkregen.
Aan 't deftig huis van Kops verknocht en teêr bemind;
Zy zien heer Willems zoon, Philip in handel bloeijen,
In eer en aanzien groeijen,
Door schranderheid en vlyt,
Meer om zyn deugd bemind dan om zyn schat benyd.
| | | |
Zo volgt die braave zoon den vader in zyn handel,
Zo ver 's lands koopvaardy haar' vluggen schepen zendt.
Bloeij, rykgezegend Paar, met zulke lieve maagen,
Ontheft van alle plaagen;
Opdat g' uw feest van goud
Met uwe kind'ren en kinds kind'ren vrolyk houdt,
Waarna gy afgeleefd op 't feest der Serafynen
In Salem moet verschynen,
Van eeuwig diamant, bestraalt uit 's hemels troon!
|
|
|