|
Vertooners.
Cloris een Harder.
Roosje} Harderinnen.
Silvia}
Thirsis een Harder.
2 Bachanten.
2 Harders.
2 Harderinnen.
Het Tooneel vertoond een Bosch.
[p. 5]
DE VRYADJE VAN CLORIS en ROOSJE.
EERSTE TOONEEL.
- Cloris, Roosje.
-
- Cloris, Roosje vasthouwende.
- Zoete en alderliefste Roosje,
- Zielsbeminde, lieve troosje,
- 'k Bid u, blyft een weinig staan.
-
- Roosje.
- 'k Zeg u, Cloris, laat my gaan,
- 'k Moet myn Schaapjes gaan verweien.
-
- Cloris.
- Engel, laat ik u geleien.
-
- Roosje.
- 't Is niet noodig, blyft maar hier.
-
- Cloris.
- Stookster van myn minnevier,
- Zult gy my dan eeuwig haaten?
-
- Roosje.
- 'k Weet niet wat je al moogt praaten.
- Roosje binnen
-
- Cloris alleen,
- Ach! Roosje, kond gy eens myn hart doorzien,
- Gy zou u zelve daar in aanschouwen,
- Ach! Roosje, kond gy eens myn hart doorzien,
- Gy zoud niet vliên,
- Maar door een woord my in het leeven houwen,
- Verban uw straf gemoed,
[p. 6]
-
- Laat uw meêdoogen my tot voordeel strekken,
- En maakt dat elk een van u zeggen moet,
- Schoon' Roosje kon een doode in 't leeven wekken.
TWEEDE TOONEEL
- Thirsis, Cloris.
-
- Thirsis met een glas wyn in de hand.
- Hoe aardig smaakt de wyn,
- Hoe zoet zyn onze daagen!
- Kander noch wel iets zyn,
- Dat ons meêr zou behaagen?
- Ik weet van geen gekyf,
- En leef heel zonder kommer,
- Ik lach eens met een Wyf,
- Den Wyngaard is de lommer
- En schaaduw, die myn jeugd
- Met zyne vogt verheugd.
-
- Cloris.
- Nu, waar heen? staa recht,
- Hoe is't, myn zoete knecht?
- Waar wilje dus zwierend naar toe?
-
- Thirsis.
- Wel voorwaarts uit, ben jyme moê?
- Zo gaat maar heen, wat bruidme jou.
-
- Cloris.
- Hoe dus op 't mes, myn maat? nou, nou!
-
- Thirsis.
- Ik wil van jou geen praatjes hooren.
-
- Cloris.
- En wilt u niet zo licht verstooren,
- Nu zwygt hy of hy nergens van en weet,
- Maar preveld noch.
-
- Thirsis.
- O maatje! 't is myn leet.
[p. 7]
-
- Het buikje dat heeft'er zyn laading al,
- Geen wonder al ben ik dan nu wat mal,
- Ach! Clorisje maat, het smaaktme zo wel.
- Het wyntje, het wyntje! verdryft myn gekwel.
-
- Cloris.
- Ach! maatje, 'k beklaagje met hart en zin,
- Want wistje maar eensjes de zoetheid der min,
- Jy liet al jou drinken, en zwelgen staan,
- En zou dan als ik meê uit vrijen gaan,
- Ach! maatje, &c.
-
- Thirsis.
- Ach! zoetert, ik hou het jou ten goê,
- Ik ben myn vreugd noch zo niet moê,
- Dat ik, zou kiezen pyn, en smart,
- Voor deez' die my verheugd het hart;
- Want, hoe jy pryst de zotte min,
- Zy heeft toch niet als kommer in.
- Ongestaadig, als de wind,
- Zyn de Vrysters die men mind,
- Wiltze eeren, en groot achten,
- Offerd haar al uw gedachten,
- Om een zoet onnozel woord,
- Zynze straks op u verstoord.
- 'k Laat de minnepraatjes vaaren,
- Die ons niet als onrust baaren,
- En ik hou het met de wyn,
- Die en kan niet toornig zyn.
-
- Cloris.
- Gy verstaat u op geen vrijen,
- En meugd ook geen meisjes lijen.
-
- Thirsis.
- Wyn verjaagd de smart, en pyn.
-
- Cloris.
- Min doed ons gelukkig zyn.
[p. 8]
-
- Thirsis.
- Wyn doed danssen, wyn doed zingen.
-
- Cloris.
- Min die leerd de Jongelingen.
-
- Thirsis.
- Al de waereld voor gewis,
- Weet dat wyn het beste is.
- Dans van Bachanten.
DARDE TOONEEL
-
- Cloris, alleen.
Echo.
- Wat is een dronke mensch, helaas!
Helaas.
- Zo lang hy dronken is? een baas. een
baas.
- Maar als hy nucht'ren is? een slet;
een slet.
- Daar niemand iets van heeft te bed. te
bed.
- My dunkt den Echo baauwd my na,
- Zy weet dat ik uit vrijen ga,
- Want zy woond hier, en overal
- In bosch, in veld, in berg, in dal,
- En hoord uit meenig vrijers mond
- Aan wie dat hy zyn liefden jond.
- Maar, Thirsis, die hier aanstonds was,
- Houd meêr van kan, van fles, of glas,
- Zo dat al zyn vermaak, en wensch,
- Bestaat in 't vullen van zyn pensch,
- Voor my daar ik het meest van houw,
- Dat is de schoonheid van een Vrouw,
- Die andere Schepzels in sieraad
- Van schoonheid ver te boven gaat.
-
- Want als men een reisje is by zyn baasin,
- En vind haar wat lustig, en vrolyk van zin,
- Daar is dan geen vreugden, die men niet geniet,
- Wanneer zy met haar bruin oogjes eens schiet.
[p. 9]
-
- Een lonkje, een straaltje ons hartje geraakt,
- Dat is dat de minnaars het meeste vermaakt?
- Want ik wil wel zweeren by Jupiters kruin,
- By alle de Knyntjes die loopen in duin,
- By 't vischnet van Melis, en Teeuwis zyn broer,
- Ja ook by u zelf, daar ik 't hoogste by zwoer,
- Dat zo ik altyd by u maar mocht zyn,
- Zou my noit aantreffen geen kwelling of pyn.
VIERDE TOONEEL
-
- Roosje en Silvia te zamen.
- Boschgoôn, Nimphen, Veldgoddinnen,
- Die dit groene bosch bewoond,
- En veeltyds de minnaars kroond,
- Die voltrekken trouwe minnen.
- Gun ons dat wy alle daagen,
- Loopen bosch, en veld doorjaagen.
- En vergun ons deeze vreugd.
-
- Silvia.
- In 't ruischen der boomen, het vogeltje fluit,
- In 't zoete gewoel
- Van blaadertjes koel,
- Word meenig de bruid.
- Plaatzen verhoolen, stil en bekwaam,
- Zyn aan de Minnaars zeer aangenaam,
- En zo, by geval, daar iets geschied,
- Boomen en Hagen verhaalen het niet.
-
- Roosje.
- Silvia, 't voegd geen Harderin
- Te minnen met een losse zin.
- 't Vrijen eerbaar deurgebragt,
- Voed meêr min, wordt meêr geächt.
-
- Silvia.
- Roosje is een wyze meid.
- Maar wanneer u Cloris vreid,
[p. 10]
-
- Gaan de zaaken dan zo recht,
- Als gy my daar hebt gezegt?
-
- Roosje.
- Wat steekt' er in de liefde al list,
- Want al de Vrijers,
- Zyn toch maar vlijers,
- Daar al haar tyd meê word verkwist.
- Dat zyn haar zuchten,
- Die zy duchten
- Dat veroveren een Minnares haar hert.
- Maar, lieve zotten,
- Ik moet 'er meê spotten,
- Als' er een aan my gegeeven werd.
-
- Silvia.
- Wat spreekt daar de mond dat het hart niet en meend.
- Ik loof gy waard graag met Cloris verëend.
- Indien hy myn minden, gelyk hy u doed,
- Ik gaf hem myn Trouwtje op staande voet.
-
- Roosje.
- Foei, Silvia, wat's dat gezeid?
- Als je weezen wilt gevrijd,
- Houd je spijtig als een meid,
- Wilt de Minnaars niet gelooven,
- Vryheid gaat het al te boven.
-
- Silvia.
- Trots te zyn, en graag getrouwd,
- Heeft' er meêr als een berouwd.
-
- Roosje.
- Slechte duifje, hou voor vast
- Dat het weigeren u wel past.
- 't Wild en is niet veel geacht,
- Dat geen zweet heeft aangebragt,
- Den Jager vermoeid van loopen, en springen,
- Door dik, en door dun, op heuvels, door plas,
- Door doornen, door braamen, en ander gewas,
[p. 11]
-
- Dat veeltyds het bloed door de koussen doet dringen,
- Acht zyn arbeid min als niet,
- Als hy 't Wild gevangen ziet.
VIJFDE TOONEEL.
- Roosje, Silvia, Cloris.
-
- Silvia.
- Maar zacht wie zien ik daar gings by de boomen?
- 'T is Cloris, naar myn dunkt, die herwaarts
- schynt te komen.
-
- Cloris.
- O! zoetste geval,
- Vind ik myn Roosjen hier, dien ik min bovenal.
- Zuidewind houd op van blaazen,
- Roerd geen kruidjes in 't gemeen,
- Wilt geen boomtjes meêr verbaazen,
- Roosje stut myn ramp alleen.
- Zy kan einden myn verdriet,
- Daar gy toch geen raad toe ziet.
- O! zoetste geval, &c.
-
- Silvia.
- Wel, Cloris hoe dus droef, hoe staat het met uw zaaken?
- Gy pleegt ons eertyds met uw praatjes te vermaaken,
- Wat schort'er dat uw dus de zinnen heeft ontsteld?
-
- Cloris.
- Daar's niemand als alleen de liefden die my kweld.
-
- Roosje.
- Ik weet wel datje vryd en kreeg wel honderd vrouwen
- Indien jy, zo men zeid, die altemaal moest trouwen.
- Jy vryd voor tydverdryf.
-
- Cloris.
- Door de bitteren haat,
- Lyd de min, hoe trouw zy is, het meeste kwaad,
- Nochtans, het zy hoe 't zy, ik zal u eeuwig minnen.
[p. 12]
-
- Roosje.
- Ik zouje raaden vrind, veranderd maar jou zinnen.
-
- Cloris.
- Dat 's my niet mogelyk.
-
- Roosje.
- Ik weet wel datje kend,
- Want men is overlang jou praatjes al gewent.
-
- Silvia.
- Maar, Roosje, Cloris is daar aan niet schuldig,
- Hy toond, spyt straf, zich noch geduldig.
- Hy zucht, hy smeekt met een goed hert,
- Geneest doch zyne minnesmert.
-
- Cloris.
- Wilt gy dan, wreede, dat ik sterve?
- Wel aan, ik zoek de dood indien ik u moet derven.
-
- Roosje.
- Te sterven voor de min, en acht ik niet zo groot,
- Dat het zou oorzaak zyn van zo veel minnaars dood
- Die al op eenen toon hetzelfde lietje zingen,
- Het sterven voor de min dat zyn maar beuzelingen.
-
- Cloris.
- Te sterven om de ramp en pynen te ontvlieden,
- Dunkt u dat, Roosje, vreemd, en kan dat niet geschieden?
- Dat is wel meêr geschied.
-
- Roosje.
- Die tyd is al voorby.
-
- Cloris.
- De min voerd echter noch de zelfde heerschappy.
- Roosje, en Silvia binnen.
ZESDE TOONEEL
-
- Cloris alleen,
- Ach stookert van myn vlam,
- Die door dit schoon gezicht,
- Weleer zyn oorsprong nam,
[p. 13]
-
- En heeft dit hart verpligt.
- Geeft u een andere naam,
- Tot wedermin bekwaam,
- Of eindigd myn verdriet
- Daar gy my nu in ziet.
ZEVENDE TOONEEL
- Thirsis met een Romer Wyn, Cloris en Bachanten.
-
- Thiris.
- Wel, maatje, hoe staaje hier zo bedrukt?
- Of is'er jou vrijen met Roosje mislukt.
-
- Cloris.
- Ei! Thirsis, laat my maar in rust,
- Ik heb tot lachchen nu geen lust.
-
- Thirsis.
- Daar, maatje, ik heb weêr den beker gevat;
- Gevuld met het edele druive nat,
- Deez' doed onze pynen,
- En droefheid verdwynen,
- Zo lang op ons hand
- Deez' roos staat geplant,
- Zo lachchen wy met de grootste van 't land.
-
- Bachant.
- O! wistje de kracht van de eed'le wyn,
- Jy zoud, als je hem proefde, zo treurig niet zyn.
- Zyn lekkere teugen
- Die doen u verheugen.
-
- Cloris.
- Blyf jy by de wyn 'k volhard in de min,
- En leef door de lonkjes van myn godin.
-
- Thirsis.
- O maatje!
- Hoe praatje.
[p. 14]
-
- Cloris.
- Ja, Thirsis ik meend.
- Wou slechs maar myn Roosje wy waaren verëend.
-
- Thirsis.
- Wat is toch aan 't minnen vast?
- Anders niet als zwaare last,
- Kermen, zuchten, weenen, klaagen,
- Ja men diend wel heele dagen,
- Op te passen, om alleen
- Aan haar schoonheid te besteên.
- Laat dat al de meisjes vaaren,
- Houd het, als wy, met de klaaren,
- Want ik weet deez' heldere wyn,
- Dat 's de rechte medicyn.
-
- Cloris.
- Houd vry zo 't u lust met wyn
- En veracht myn minnepyn,
- Gy zult met deez' viezevaazen,
- My in 't minste niet verbaazen.
-
- Thirsis.
- Loop dan, malle gek, loop heen!
- Offerd Roosje uw gebeên.
ACHTSTE TOONEEL.
- Clorsis, Roosje, Silvia, Thirsis, en Bachanten.
-
- Cloris.
- Ach! Daar is myn uitgelezen.
- Kund gy noch weêrspannig weezen
- Zoete Roosje? daar myn hart
- Schier vergaat in minnesmart.
-
- Silvia.
- Roosje, wilt zyn pyn verzachten,
- Maakt een einde van zyn klagten.
-
- Roosje.
- Cloris 't schynt wel of myn hert
[p. 15]
-
- Tot weêrmin genegen werd.
-
- Cloris.
- Zal my zulk een lot gebeuren,
- Ben ik t'einden van myn treuren?
-
- Thirsis.
- En zo lang als wy de wyn
- Maar genieten, kan geen pyn
- Van de min ons harte raaken,
- Wyn die geeft zoldaaten moed,
- En geeft kracht aan 't jeugdig bloed,
- Wyn die kan ons best vermaaken.
-
- Cloris.
- Kom laat ons zaamen treeden
- Bestrikt, versierd, gekroond.
- En hechten, naar onze gewoont',
- Voor Venus heiligheden,
- Ons harten zamen aan een
- En voorts leeven wel te vreên.
-
- Silvia.
- Kom dan, nimphen, met uw reijen,
- Wilt al danssende geleijen,
- Deze bruidegom en bruid,
- En vol vreugd deez' echt besluit.
- Hier wort gedanst een Harders Ballet.
-
- Choor.
- Yder een geniet zyn lust,
- Elk is met het zyn gerust,
- Cloris door stantvastig vrijen,
- Raakt ten einden van zyn lijen,
- Thirsis acht geen grooter schat
- Als het eed'le Bachus nat.
EINDE.
|