terug  begin  verderprepost
[p. 23]

4 Huwelijksconventies in de zeventiende eeuw

Wonderlicke Avontuer bestaat voor een groot deel uit liefdes- en huwelijksaangelegenheden. Onze twee gelieven hebben bijvoorbeeld te kampen met de uithuwelijking van Wintergroen aan een oude man; verder komen ze voor het probleem te staan van het al dan niet bedrijven van de liefde voor de huwelijkssluiting; verloving, huwelijk en bruilofsfeest bevestigen tenslotte hun allesoverheersende liefde voor elkaar.

 

Bij al deze aspecten kun je je afvragen hoe het in werkelijkheid in de zeventiende eeuw toeging. Hoe zag men toen het verschil tussen verloving en huwelijk en welke moraal gold er voor verliefde mensen? We zullen dergelijke vragen bespreken en aangeven naar aanleiding van welke passages van Wonderlicke Avontuer ze zich voordoen. Soms levert dit weinig problemen op, terwijl het elders moeilijk is precies aan te geven of een passage in het werk van toepassing is. We komen bijvoorbeeld voor het probleem te staan dat sommige tekstgedeelten uitdrukkingen bevatten, waarvan we de betekenis niet hebben kunnen achterhalen, maar die wel van belang zijn voor de interpretatie van die passage. Ook moeten we ons realiseren dat in Wonderlicke Avontuer literaire conventies voorkomen, waardoor de personen anders denken en handelen dan in de werkelijkheid van de zeventiende eeuw het geval was. Eveneens blijven bepaalde passages die in het leger spelen onduidelijk, doordat er geen informatie beschikbaar was over huwelijksgebruiken te velde tijdens de zeventiende eeuw.

Uithuwelijking

In de zestiende eeuw gold het als een recht en een plicht voor de ouders om een geschikte huwelijkspartner voor hun dochter(s) te vinden. In de zeventiende eeuw hanteerde men subtielere maatstaven. De ouders mochten hun kinderen niet dwingen tot een hen onwelgevallig huwelijk, maar de kinderen mochten evenmin een verbintenis aangaan waartégen de ouders zich uitgesproken hadden. Toestemming van de ouders was verplicht voor jongens beneden 25 jaar en voor meisjes jonger dan 20 jaar. Als de huwelijkspartners ouder waren en geen bewijs van toestemming konden tonen, werden de ouders ontboden. De magistraat besloot in geval van bezwaren of

[p. 24]

deze al dan niet gegrond waren. Verschenen de ouders echter niet binnen twee weken, dan gold dit als toestemming. Al met al kunnen we concluderen dat er in de zeventiende eeuw een verhulde vorm van uithuwelijking mogelijk was. De ouderlijke invloed was nog vrij sterk, hoewel er langzamerhand meer ruimte kwam voor een persoonlijke keuze van de huwelijkspartners.

In Wonderlicke Avontuer wordt Wintergroen uitgehuwelijkt aan een oude man (r. 36). Blijkbaar valt er aan deze beslissing van haar ouders niet te tornen, aangezien zij een wanhoopspoging (het simuleren van zelfmoord) onderneemt om haar vreselijk lot te ontlopen. Hieruit zouden we kunnen opmaken dat Wintergroen jonger is dan 20 jaar en toestemming van haar ouders moet hebben om met Waterbrandt in het huwelijk te kunnen treden. Haar ouders azen echter op het geld van de rijke, oude man.

In de zestiende eeuw was het huwelijk tussen een jong meisje en een oude man een veelvoorkomend onderwerp in de literatuur. Zo'n telkens terugkerend gegeven wordt een topos genoemd. Deze topos van de ongelijke liefde was al populair in de middeleeuwen. Door de eeuwen heen werd die bezongen in liederen, uitgebeeld in het wereld-

illustratie
Fig. 1
Ongelijke liefde.
Gravure door M. Le Blon


[p. 25]

lijke toneel en verhaald in korte wereldse vertellingen. De inhoud is globaal genomen overal hetzelfde. Vaak handelt het over een oude man, impotent geworden, maar toch nog snakkend naar een jonge, levenslustige vrouw. Met zijn geld probeert hij haar te verleiden. De vrouw, mooi en sluw, trouwt de oude man dan ook alleen maar om zijn geld; ze raakt al snel op hem uitgekeken en neemt een jonge minnaar om haar seksuele behoeften te bevredigen.

Of het huwelijk tussen ongelijke partners ook regelmatig in de werkelijkheid voorkwam, is onzeker, al wordt dit voor de zestiende eeuw wel verondersteld. Bij zestiende-eeuwse auteurs kwam de opvatting voor dat het jonge meisje nog zo onervaren in het leven staat, dat zij een goede begeleiding nodig heeft. De beste opvoed(st)er is de moeder van het meisje, een vrouw met ervaring, of een oudere man, die het meisje trouwt en haar onder zijn hoede neemt. Zo kan hij haar verder opvoeden en vertrouwd maken met de wereld.

De topos van de ongelijke liefde nam tegen het einde van de zestiende eeuw af in populariteit. Dit kan impliceren dat het verschijnsel in de werkelijkheid ook minder voorkwam, zodat het niet langer actueel was om er over te schrijven. Ook in de zeventiende eeuw treffen we het onderwerp echter nog aan. In onze tekst komt het immers voor, evenals in het zeventiende-eeuwse blijspel. Het stramien van de oude, rijke man en de jonge, sluwe op geld beluste vrouw is echter niet op Wonderlicke Avontuer van toepassing.

Zedelijk gedrag voor het huwelijk

Bij het bepalen van de sexuele gedragscodes tussen verliefde, ongehuwde mensen in de zeventiende eeuw, moeten we een onderscheid maken tussen de wenselijkheid en de werkelijkheid. In moralistische werken treffen we unaniem de opvatting aan, dat aanstaande echtgenoten zich moeten beheersen tot na de huwelijkssluiting. Men moest zorgen voor een ongeschonden kuisheid en maagdelijkheid naar lichaam en geest. In werkelijkheid hield men zich niet zo strikt aan deze voorschriften. In het algemeen ging men er wel van uit dat sexuele gemeenschap vóór de verloving ontoelaatbaar was, maar na de verloving wilde men nog wel een oogje dicht knijpen. De aanstaanden hadden immers de trouwbelofte afgelegd en er was voldoende sociale contrôle om erop toe te zien dat zij hun belofte zouden nakomen. Overigens werd een losbandige man minder streng veroordeeld dan een losbandige vrouw. De man kon het niet helpen dat de vrouw hem dol maakte, maar zij moest zich leren beheersen. Wettelijk gezien gold het ontmaagden van een toekomende bruid als een misdrijf, waarbij aan de verloofden een boete kon worden opgelegd. De wet was toch weer niet zó streng, aangezien het geen probleem was als na

[p. 26]

de ontmaagding een huwelijk plaatsvond. Dergelijke verbintenissen, waarbij de bruid voortijdig zwanger kon raken, vormden geen uitzondering in de zeventiende eeuw.

Het is moeilijk om te bepalen hoe Wintergroen en Waterbrandt met voornoemde conventies omspringen. We kunnen zeker zijn dat de gelieven vóór r. 279-282, waar hun verloving plaatsvindt, niet met elkaar naar bed zijn geweest. Wintergroen zorgt er immers voor dat Waterbrandts gepassionneerde voornemen niet in daden wordt omgezet, aangezien reine liefde niet besmet mag worden. Of hierna de weg tot gemeenschap vrij is, wordt niet geheel duidelijk. In de passages tot aan het huwelijk komen twee stukken in aanmerking waarin de betreffende daad zou hebben kunnen plaatsvinden: r. 285-297 en r. 343-350. De interpretatie van deze scènes wordt echter door een tweetal factoren bemoeilijkt. Ten eerste wordt nergens onomwonden gezegd dat de gelieven met elkaar naar bed gaan; de schrijver laat de interpretatie aan de ‘amoreuse hartjens’ over. Ten tweede gebruikt de schrijver bepaalde uitdrukkingen, zoals ‘Bonjour Jan spelen’ (r. 344) en ‘eenen blinden alarm’ (r. 370) waarvan wij de exacte betekenis niet hebben kunnen achterhalen.

Verloving

In de zeventiende eeuw bestond de verloving uit een overeenkomst tussen twee personen van verschillend geslacht, waarin zij elkaar als man en vrouw beloven aan te zullen nemen. Men gaf elkaar ter bevestiging een trouwpenning (ring, geldstuk, etc.). Deze overeenkomst had een bindend karakter. Zij was niet eenzijdig opzegbaar en beide partijen konden elkaar dwingen de belofte na te komen.

In Wonderlicke Avontuer vindt de verloving in r. 279-282 plaats. Waterbrandt geeft Wintergroen een ringetje (de trouwpenning) en belooft haar nimmer te verlaten, waarop zij hem hetzelfde belooft. Een verloving kon ontbonden worden wegens onkuisheid. Misschien geeft Wintergroen daarom, direct na de belofte, te kennen haar maagdelijkheid nog te bezitten.

Ondertrouw

Vlak voor de ondertrouw werden de huwelijksvoorwaarden opgesteld. Deze vermeldt veelal de giften en goederen die bruid en bruidegom inbrachten. Meestal werd dit notarieel vastgelegd.

De ondertrouw vond na de huwelijksaangifte en de aantekening daarvan plaats. Omdat men het huwelijk niet meer als een zaak van de kerk alleen beschouwde, kon dit ook gebeuren bij de plaatselijke overheid. De magistraat of predikant onderzocht vervolgens of de toestemming van de ouders gegeven was. Was dit in orde dan werden

[p. 27]

de huwelijksafkondigingen toegestaan en kon men binnen afzienbare tijd trouwen. De ondertrouwbelofte, die men in tegenwoordigheid van getuigen (sponsalia de praesenti) aflegde, was bindend. Het huwelijk was immers reeds begonnen met de ondertrouw.

In Wonderlicke Avontuer is de passage waarin de huwelijksvoorwaarden aan de orde komen (r. 387-390) nogal vaag. Een mogelijke interpretatie zou kunnen zijn: door de oorlogssituatie kunnen Wintergroen en Waterbrandt alleen zichzelf aanbieden. Goederen of geld bezitten zij niet. Hun liefde voor elkaar is echter ruim voldoende en huwelijksvoorwaarden behoeven dus niet te worden opgesteld. Het moment waarop de ondertrouw plaatsvindt, wordt nergens met name genoemd. Of deze fase nu overgeslagen wordt, of gelijktijdig met het huwelijk plaatsvindt, is niet duidelijk.

Huwelijk

Het huwelijk was pas wettig gesloten als het bevestiging had gekregen van predikant of magistraat. De volkszeden waren hierin soepeler: men beschouwde een paar reeds als getrouwd zodra ze een bindende belofte hadden afgelegd (verloving of ondertrouw) of als ze gemeenschap hadden gehad. Per gebied konden de meningen hierover echter verschillen.

Het wettige huwelijk van Wintergroen en Waterbrandt met het daarop volgende feest, vindt in r. 385-398 plaats. Hierbij is in het midden gelaten of dit door magistraat of kerk bevestigd wordt. Evenmin wordt vermeld dat de toestemming van de ouders voor het huwelijk noodzakelijk is. Voor Wintergroen is dit begrijpelijk. Zij wordt immers door haar zogenaamde vader, de luitenant, uitgehuwelijkt. Dat Waterbrandts ouders niet genoemd worden zou men in verband kunnen brengen met zijn leeftijd: hij moet dan ouder dan 25 jaar zijn. Ook is het mogelijk dat de bijzondere omstandigheden in het leger bij dit alles een rol spelen.

Bruiloftsfeest

Na de kerkelijke of burgerlijke bevestiging van het huwelijk vond natuurlijk een groot feest plaats, dat vaak uitmondde in een ware bras-partij. Tijdens het feest traden verwanten of vrienden van het bruidspaar op als ceremoniemeester. Op het feest van Wintergroen en Waterbrandt worden enkele officieren uitgenodigd om het gezelschap te vermaken (r. 386-387).

Als het feest ten einde liep, vaak diep in de nacht, voltrok zich het gebruikelijk ritueel van het bruidspaar ‘te bedde’ te dansen (r. 391). Wilde dansen werden dan om het bruidspaar uitgevoerd, de bruid werd midden in een ronddansende schare vastgehouden en alle slaap-

[p. 28]

kamergeheimen werden betast en begluurd.

Het gezelschap keerde na afloop naar huis terug, maar kwam de volgende morgen weer terug om een felicitatiebezoek af te leggen. In Wonderlicke Avontuer neemt het gezelschap zich dit wel voor, maar wordt ervan weerhouden door het plotseling verder trekken van het leger (r. 398-401).

Literaire verwerking

Liefde en huwelijk zijn niet slechts belangrijk in de werkelijkheid, ze leveren ook de thematiek voor een aanzienlijk deel van de literaire produktie. Daarbij hebben zich conventies ontwikkeld door middel waarvan de gegevens uit werkelijkheid of verbeelding telkens in een bepaalde belichting worden gepresenteerd. Petrarkistische sonnetten, pastorale romans, didactische emblemata en scabreuze kluchten thematiseren elk op hun eigen trant aspecten van de liefde. Idealisering, moralisering en ridiculisering zijn daarbij bekende procédés. Zoals hiervoor al enkele keren is opgemerkt, onttrekt Wonderlicke Avontuer zich enigszins aan gebruikelijke letterkundige categoriseringen en de hier genoemde procédés vinden we er dan ook niet in terug. Lezers van nu zal het misschien zelfs opvallen dat de liefde in dit verhaal, bij alle onwaarschijnlijkheid van het gebeuren, zo ‘realistisch’ wordt geschilderd. Het is niet de kuise zielsliefde die in andere verhalen over hevig beproefde liefdesparen wel voorkomt. De verteller benadrukt met opvallende frequentie het lichamelijk genot dat de twee (herenigde) gelieven aan elkaar beleven. Hij gebruikt daarvoor echter stilistische middelen die de beschrijving ervan toch een bepaalde kleur geven. Op seksuele activiteiten wordt bijvoorbeeld steeds door middel van beeldspraak gezinspeeld. Als Waterbrandt na de herkenning verder wil gaan dan een omhelzing, staat ‘Cupidoos boogh en pijl ghereet’ en is ‘Venus’ schildt niet verre te soecken’. De tekst spreekt over ‘den Krijgh der liefden te aenvaerden, ende Venus wallen te beklimmen’, over ‘haer nieu begonnen spel’, over elkaar ‘een Boheemsche Batalie’ leveren. Als de gelieven in Dordrecht overnachten, leert ‘het kind Cupido Dordts (...) spreken, ende met een soete Pen Hollandts schrijven: wiens woorden over neghen Maenden eerst ghelesen konnen werden.’ Seks wordt niet verzwegen, maar heeft toch een licht taboe-karakter, waardoor er op een bijzondere manier over gesproken moet worden. Een humoristische formulering maakt een mogelijk geladen zaak onschadelijk. Een scherts over seks wordt ingekapseld door de spreker als grapjas te introduceren: (het schip met de gelieven zit vast op een zandbank en zij zijn te kooi gegaan) ‘Den Schipper een Boetsmaker [grappenmaker] zijnde, seyde laet dese twee daer een weynich gheworden [hun gang gaan], ick wedde eer langhe

[p. 29]

sullen sy ons van hier schuyven.’ Suggestief is ook de manier waarop de relatie tussen een oude man en een jong meisje wordt voorgesteld en de benadrukking van het feit dat voorbijgangers zich erover verbazen dat Waterbrandt en Wintergroen elkaar nog openlijk liefkozen, terwijl ze al een kind hebben rondlopen: zij konden niet geloven ‘dat het Oude mal noch soo soet was, en daer sy so een out kint hadden, dat het joc-speel niet en minderde’. De verteller vermoedt kennelijk dat ook anderen zich aan zulk gedrag zouden kunnen storen, want hij adviseert degene die ‘hier in mocht ontsticht zijn’, te overwegen hoe hij zelf zou reageren als hij na zoveel wederwaardigheden zijn lief zou terugvinden. Zulke bijzonderheden zijn van belang om iets te begrijpen van de houding tegenover seksualiteit in het verleden.

Zo helpen niet alleen gegevens omtrent het dagelijks leven in de zeventiende eeuw ons om de tekst te verstaan, maar werpt de tekst omgekeerd een straaltje licht op die voorbije werkelijkheid.

Literatuur

Een goed overzicht van huwelijksconventies in de late zeventiende en achttiende eeuw geeft D. Haks in Huwelijk en gezin in Holland in de 17de en 18de eeuw. Een globale indruk van dergelijke conventies wordt gegeven in Het kopergeld van de Gouden Eeuw, deel II van A.Th. van Deursen. De topos van de ongelijke liefde in de 16e eeuwse literatuur wordt uitgebreid behandeld in de doctoraalscriptie van E. Fleurbaay Ongelijke liefde in de zestiende eeuw. Voor de juridische opvattingen rondom het huwelijk is Geschiedenis van het Nederlandse huwelijksrecht van L.J. van Apeldoorn een goede inleiding. Boeken als Van vrijen en trouwen van N. de Roever en Verloving en huwelijk in vroeger dagen van L. Knappert zijn aardig om te lezen, maar zijn niet systematisch opgezet en geven geen verwijzingen naar de gebruikte bronnen.

prepostterug  begin  verder