Een van de kenmerken van Wonderlicke Avontuer is dat het verhaal zich afspeelt tegen een realistisch getekende achtergrond van het oorlogsgebeuren in de jaren 1620-1622. De informatie die over die oorlog gegeven wordt, maakt een precieze localisering en datering van de gebeurtenissen in het verhaal mogelijk. In het tweede deel van dit hoofdstuk zullen we deze proberen vast te stellen. We schetsen de achtergronden en gebeurtenissen die van belang zijn voor de periode van de dertigjarige oorlog waarin Wonderlicke Avontuer zich afspeelt. Daarnaast willen we laten zien in hoeverre de informatie uit historische bronnen overeenkomt met de gegevens uit het verhaal. Ter wille van een beter begrip van deze militair-historische achtergrond lijkt het ons nuttig iets te vertellen over de wijze van oorlogvoeren in de zeventiende eeuw. Daarover gaat het eerste gedeelte van dit hoofdstuk.
In de zeventiende eeuw bestonden de Europese legers voornamelijk uit huurlingen. De soldaten vochten dus niet zozeer uit godsdienstige overtuiging of vaderlandsliefde maar meer om het geld. De zeventiende-eeuwse regeringen konden het zich financieel niet veroorloven permanent een groot gevechtsklaar leger te onderhouden. Aan het eind van een oorlog ontsloeg men dan ook de meeste soldaten om ze pas bij een nieuwe oorlog weer aan te nemen.
Het werven van huurlingen gebeurde meestal door een (onder-)officier, die daartoe van een legeraanvoerder opdracht en geld gekregen had. Samen met een aantal veteranen trok hij dorpen en steden langs om onder het slaan van de trom op te roepen tot dienstneming.
Waterbrandt hoort in r. 47 deze wervingstrommel, die in opdracht van een zekere kolonel Frenck (r. 23) geroerd wordt. Na aanmelding kregen de recruten een plaats te horen waar zij zich moesten melden en een handgeld om daar te komen. Daarnaast werd vooruitzicht op soldij en ook op buit geboden. Op de verzamelplaats aangekomen moesten zij de eed van trouw en van onderwerping aan het krijgsrecht afleggen. Deze eed weerhield de meeste soldaten er echter niet van naar de vijand over te lopen als die meer geld bood.
In periodes waarin het economisch slecht ging, was het meestal mak-
kelijk een leger bij elkaar te krijgen. Ook in arme gebieden was het wervingssucces vaak verzekerd. Veel soldaten kwamen dan ook uit de armste gebieden van Europa. Vooral de zuidelijke Duitse staten, Zwitserland, de Balkanlanden en Zuid-Italië waren in trek bij wervingsofficieren. In Wonderlicke Avontuer komen we diverse vermeldingen tegen van soldaten uit deze gebieden.
Vanzelfsprekend waren deze legers met soldaten die voor geld en niet voor een ‘goede zaak’ vochten, niet altijd even betrouwbaar. Soldaten gingen regelmatig over tot muiterij als de soldij uitbleef of niet genoeg bevonden werd. Soms werden zo zelfs de veldslagen verloren. Mansveld, een bekende legeraanvoerder in de dertigjarige oorlog (1618-1648), leed vaak aan geldgebrek en had dan ook regelmatig te maken met muiterij onder zijn troepen.
De nieuw geworven soldaten werden ingedeeld in compagnieën van tweehonderd tot vijfhonderd man. Tien tot achttien van deze compagnieën vormden samen een regiment. Een kolonel voerde meestal het bevel over ongeveer vijftienhonderd man, een kapitein over honderdvijftig man en een korporaal over vijfentwintig man. Een leger was onderverdeeld in cavalerie, de bereden soldaten, en infanterie, het voetvolk. De infanterie werd weer verdeeld in compagnieën met musketiers en compagnieën met piekeniers.
In de regel kwam een officier uit dezelfde streek als zijn ondergeschikten, die hij zelf recruteerde of voor zich liet recruteren. In Wonderlicke Avontuer laat ‘Colonel Frenck’ (r. 23), die werkelijk bestaan heeft, het recruteringswerk voor zich doen. Officieren waren meestal afkomstig uit de bovenlaag van de bevolking. Voor soldaten van eenvoudige komaf was het in principe onmogelijk een hogere rang te bereiken dan die van korporaal. Door hun hogere afkomst genoten de officieren vaak privileges die aan hun rang verbonden waren.
De cavalerie vormde het elite-corps van een leger en bestond voornamelijk uit adellijke personen en hun bedienden. Dit werd vooral veroorzaakt door het feit dat soldaten voor hun eigen uitrusting moesten zorgen. Een paard was duur en kon dus alleen door welgestelden bereden worden. Wellicht zegt deze wetenschap ons iets meer over de status van Waterbrandt. Blijkens r. 244 beschikt hij over een paard.
De zeventiende-eeuwse soldaat had geen uniform. Soldaten moesten voor hun eigen uitrusting zorgen. Ze mochten hun kleren en kleuren kiezen. Men meende dat dat de vechtlust en de moraal van de soldaat zou bevorderen. Op het slagveld gebruikte men meestal een sjaal,
sjerp of vederbos van een bepaalde kleur om de strijdende partijen van elkaar te kunnen onderscheiden. Zo stond bijvoorbeeld rood meestal voor Spanje en blauw voor Frankrijk. Toch bleek onderscheiding van partijen vaak moeilijk en meer dan eens gebeurde het dat partijgenoten elkaar voor vijand aanzagen met alle gevolgen van dien. We kunnen nu ook begrijpen hoe het mogelijk is dat Waterbrandt zo eenvoudig van het ene leger naar het andere over kan lopen. Aan zijn uitrusting kan men niet zien tot welke partij hij behoort.
Elke soldaat werd geacht een rapier en een dolk te dragen. Daarnaast kon een infanterie-soldaat een musket of een piek hebben. Een cavalerist vocht met zwaard, pistool of lans. De ruiters, opgesteld in rijen van drie, leverden slag aan de flanken, de infanterie eveneens in rijen van drie, vormde de punt van de aanval. Tussen de infanterie-compagnieën stonden de kanonnen opgesteld. Vele veldslagen in de dertigjarige oorlog werden geopend met massale cavalerie-aanvallen, die vaak al beslissend waren.
Het leven van een soldaat ging niet over rozen; de leefomstandigheden in de legerkampen en op mars waren hard. Slechte of uitblijvende betaling van soldij leidde vaak tot gebrek aan voedsel en kleding. Veel tekeningen en schilderijen uit die tijd tonen dan ook soldaten die blootvoets en in vodden rondliepen. De medische verzorging was meestal zeer slecht. Het harde leven was aan de lichamen van de meeste soldaten af te lezen. Velen droegen de sporen van verwondingen (amputaties, littekens), ziektes (pokken, syfilis), uitputting en ontbering (uitgevallen tanden door ondervoeding).
Ook tijdens de nacht werd het de soldaat niet makkelijk gemaakt. Alleen de officieren sliepen in tenten. De gewone soldaten mochten niet in tenten slapen omdat dat te veel bagage zou geven. Ze overnachtten daarom in de open lucht of in hutten van ter plaatse gevonden materiaal. Bij het aanbreken van de wintergevechtspauze gingen de legers in winterkwartier. De soldaten werden ondergebracht bij burgers en boeren in dorpen of steden, waar ze recht hadden op gratis eten en onderkomen. Als de burgers zo'n winterverblijfplaats niet goedschiks verschaften, dan werd het vaak afgedwongen.
De kampomstandigheden in Wonderlicke Avontuer zijn niet helemaal duidelijk. In r. 167 e.v. is er sprake van het ‘Logement’ van Zipken Boukens die officier is. Wordt hiermee een huis of een tent bedoeld? In r. 335-336 wordt vermeld dat Waterbrandt Wintergroen beloert door een ‘Ruyt’ van zijn logement. Dat lijkt op een huis te duiden. In r. 325-326 is er sprake van een wacht en ‘quartieren’, wat er weer
op kan wijzen dat men op dat moment niet in een dorp of stad verblijft maar in een (tenten-)kamp.
Als de soldaat een goed winterkwartier getroffen had was zijn leven zo hard nog niet. Aan alle primaire levensbehoeftes werd voldaan en oefeningen waren er nauwelijks: in de maat marcheren achtte men (nog) niet belangrijk en wapenoefeningen betekenden verspilling van kruit en kogels. Om de tijd te doden zocht men veelal zijn toevlucht tot drinken, dobbelen en vrijen. De provoosten, die op orde en tucht in een leger toezagen, en de geestelijken hielden niet op tegen zulk liederlijk gedrag te waarschuwen.
De zeventiende-eeuwse legers konden een enorme omvang aannemen. Legers van twintigduizend tot vijfentwintigduizend man waren geen uitzondering. Naar gelang de behoefte konden ook kleinere legers en zelfs grotere op de been gebracht worden. De omvang van zo'n leger werd meestal nog eens verdubbeld door een grote groep legervolgers: vrouwen en kinderen van de soldaten, bedienden, handelaren, marketentsters en allerlei gespuis. Daar kwam dan ook nog een groot aantal losse paarden en door muilezels getrokken bagagewagens bij en vaak een kudde vee als voedselvoorziening. Vooral tijdens de dertig-jarige oorlog leek elk hoofdleger een enorme bewegende stad met een eigen gemeenschapsleven, die van veldslag naar veldslag trok.
Voor de legervolgers was het leven vaak net zo hard als voor de soldaten. Als er geen of te weinig soldij werd uitgekeerd, werd dat meteen in de groep van volgers gevoeld, die voornamelijk van de soldaten leefde. Ook tegen de met de legers mee reizende ziektes waren de volgers niet beschermd. Daarbij kwam dat als een leger verslagen werd en het kamp met aanhang onder de voet gelopen, niet zelden iedereen over de kling gejaagd werd.
Veel kampvolgers moesten hard werken om aan de kost te komen. Een soldatenvrouw moest, vaak onder moeilijke omstandigheden, koken en voor de kinderen zorgen en soms ook nog wassen en naaien voor anderen om bij te verdienen. Als haar man sneuvelde kon ze slechts hopen op een ander huwelijk of een dienstbetrekking. Een vrouw alléén kon zich in een leger zeer moeilijk handhaven. Daarom is het verrassend dat Wintergroen zich er zo goed uitredt.
Zodra de soldaat de eed had afgelegd, viel hij niet meer onder het gewone burgerrecht maar onder het militaire recht. Dit bood hem een aantal rechten maar minstens zoveel plichten. In het militaire recht werd nadrukkelijk allerlei ondisciplinair gedrag verboden en op overtredingen stonden zeer strenge straffen. De provoost en zijn mannen waren aangesteld om toe te zien op de handhaving van orde,
moraal en tucht en op de uitvoering van het militaire recht.
Zoals zo vaak bij oorlogsvoering bestond er hier echter een duidelijk verschil tussen theorie en praktijk. Gedurende de dertigjarige oorlog waren plundering en roof volkomen ingeburgerde middelen, zowel bij officieren als bij manschappen. Meestal werd de soldaat al bij de aanmonstering gewezen op de mogelijkheid buit te verkrijgen. We moeten niet vergeten dat het vechten voor de soldaten een beroep was; religieuze of politieke beweegredenen speelden bij hun beslissing in dienst te treden nauwelijks een rol; een goed handgeld en vooruitzicht op buit des te meer. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat onze held Waterbrandt zich in r. 627-628 van Wonderlicke Avontuer voorneemt om ‘eenen schoonen Buydt den eenen ofte den anderen af te jaghen’.
De dertigjarige oorlog was een uitzonderlijk wrede oorlog waarin naar schatting een kwart van de Duitse bevolking, dat wil zeggen, vier à vijf miljoen mensen, het leven heeft gelaten. Jaren achtereen werd het platteland geplunderd en geterroriseerd door de diverse buitenlandse legers die geen enkele binding hadden met het land en de cultuur. Talloos waren de gevallen van georganiseerde roof en plundering, dorpen en oogsten werden verwoest door de opmarcherende vernielzuchtige legers, grote delen van het platteland raakten ontvolkt. Mansveld stond zijn ondergeschikten steeds vrijelijk toe te roven en te plunderen. Zijn tegenstander Tilly bood na de slag bij de Witte Berg (zie hieronder blz. 41) zijn soldaten de stad Praag aan als beloning: ze mochten naar hartelust plunderen. Naarmate de oorlog langer duurde en het krijgsbedrijf meer en meer ontaardde, werd deze situatie nog verergerd door rondtrekkende plunderende en rovende benden deserteurs en vrijbuiters. Evenals deze benden parasiteerden de legers en de grote schare legervolgers op de samenleving, waarbij vriend noch vijand werd ontzien. Zo ondervindt ook Water-brandt in r. 636-637 dat hij tijdens een veldslag door ‘eygen volck al gheplondert’ is; hij mist zijn paarden.
De vele gevallen van terreur en plundering door de legers kunnen ten dele ook verklaard worden uit een voortdurend gebrek aan geld voor soldijbetaling. De soldaten moesten immers in hun eigen onderhoud voorzien en hadden eenvoudigweg geen eten als er geen geld was.
Kwam de soldij te laat of helemaal niet, dan was het zeer moeilijk de discipline te handhaven. Ongetwijfeld kwam het de legerleiding ook wel goed uit, dat het geldprobleem door plundering tijdelijk werd opgelost. Bovendien was dit tevens een middel om de vijand economisch te treffen.
Omdat de grote veldslagen tijdens de dertigjarige oorlog voornamelijk op het Duitse platteland werden uitgevochten, had in het bijzonder
de boerenbevolking te lijden onder de plunderingen door de diverse legers. Dit had tot gevolg dat er een grote vijandschap bestond tussen boeren en soldaten. Om zich teweer te stellen gingen boeren zich aaneensluiten en bewapenden ze zich zodra een leger in aantocht was. Troffen ze soldaten in een minderheidspositie aan, dan waren ze vaak genadeloos. In een soldatenhandboek uit deze tijd wordt de soldaat gewaarschuwd voor twee vijanden: de tegenstanders in de oorlog en de boeren! Dit alles verklaart dat Waterbrandt in de passage r. 571-590 eikels eet omdat hij als soldaat bij de boeren niet om eten durft te vragen, en omgekeerd dat de boer in r. 583 ‘sijn leven vreesden’ als hij Waterbrandt in soldatenuitrusting tegenkomt.
In Wonderlicke Avontuer wordt relatief veel aandacht besteed aan een plundergeschiedenis (r. 1123-1171). Niet, zoals misschien verwacht kon worden, tijdens de beschrijving van de diverse oorlogsbelevenissen van de twee gelieven, maar op het moment dat ze weer veilig in het vaderland terug zijn. De gebeurtenissen van de dertigjarige oorlog die hieraan vooraf gaan, zullen we hieronder in chronologische volgorde bespreken. Aan het slot daarvan komen we op de genoemde plundergeschiedenis weer terug.

Hoewel we er in Wonderlicke Avontuer weinig van merken, was godsdienst een van de belangrijkste oorzaken van de dertigjarige oorlog. De opkomst van het protestantisme veroorzaakte gedurende vrijwel de gehele zestiende eeuw en de eerste helft van de zeventiende eeuw grote onrust in Europa. Vooral in Duitsland waren de tegenstellingen tussen het nieuwe en het oude geloof groot. Met de Godsdienst-vrede van Augsburg in 1555 had men een, naar later bleek, niet erg geslaagde poging gedaan een oplossing voor deze tegenstellingen te vinden: in Duitsland, dat toen bestond uit talrijke aparte staatjes en staten die samen onder het Habsburgse keizerrijk ressorteerden, zou elke staat het geloof van zijn vorst aannemen. In dit godsdienst-vredesverdrag was echter alleen met het lutheranisme als protestants geloof rekening gehouden. De opkomst van het calvinisme, dat pas later grote aanhang kreeg, zorgde dan ook voor nieuwe problemen. De met kracht aangevatte katholieke contra-reformatie deed daar nog een schepje boven op. Godsdienst blééf onrust veroorzaken.
In Duitsland leidden de tegenstellingen onder andere tot de oprichting van twee vijandige vorstenverbonden: de protestantse Unie en de katholieke Liga, respectievelijk in 1608 en 1609. Leider van de Unie werd Frederik IV, keurvorst van de Palts (een van de Duitse staatjes), die in 1610 werd opgevolgd door zijn zoon Frederik V. Militair aanvoerder van de Unie werd Christiaan van Anhalt. De Liga werd geleid door hertog Maximiliaan van Beieren, die zijn generaal graaf van Tilly tot militair aanvoerder benoemde.
Voorlopig waren de protestanten sterk genoeg om zowel godsdienstige als politieke vrijheden af te dwingen van de katholieke Habsburgse keizer Rudolf in Wenen. In de Majesteitsbrief van 9 juli 1609 bijvoorbeeld gaf Rudolf de Boheemse standen religieuze en politieke vrijheden: in Bohemen (ook een van de Duitse staten) zou voortaan vrijheid van godsdienst bestaan. Onder Rudolfs opvolger Matthias, die in 1611 keizer was geworden, werd deze vrijheid echter regelmatig geschonden door de katholieken. De spanning nam hierdoor toe en toen diverse protestantse protesten bij Matthias niets uithaalden, brak op 23 mei 1618 in de hoofdstad Praag een oproer uit dat begon met het uit het raam gooien van twee keizerlijke ambtenaren. Kort hierna verklaarden de protestanten Bohemen min of meer onafhankelijk: een regering van edelen en burgers werd benoemd en er werd opdracht gegeven een leger op de been te brengen om de keizerlijke troepen uit Bohemen te jagen.
De Boheemse protestanten behaalden al snel enige militaire successen. Zo werd in november 1618 de stad Pilsen, een van de laatste steunpunten van het keizerlijk leger in Bohemen, veroverd. Daarnaast
probeerden ze overal in Europa steun voor hun strijd te krijgen, maar daar hadden ze minder succes mee.
Aanvankelijk werd alleen enige morele steun van een aantal protestantse staten verkregen. Materiële steun ontvingen de Bohemers nauwelijks, ook niet vanuit Nederland. Daar werd men te veel in beslag genomen door de machtstrijd tussen Oldenbarnevelt en Maurits om zich serieus met de Boheemse zaak bezig te houden. Pas na de executie van Oldenbarnevelt op 13 mei 1619 begon Nederland Frederik, zij het beperkt, materieel te steunen. Tot september van dat jaar werden 5500 soldaten en een bedrag van ƒ250.000, - gestuurd.
Die steun werd niet alleen uit sympathie voor de Boheemse geloofsgenoten verstrekt. Nederland had ook andere dan geloofsbelangen in de Boheemse strijd. Spanje stond keizer Ferdinand met geld en troepen bij, bij diens strijd tegen de protestantse opstandelingen uit Bohemen. Spaanse troepen en financiën die tegen de Bohemers ingezet werden, konden tegen Nederland niet gebruikt worden. En met het eind van het twaalf-jarig bestand in het verschiet (1621) was dat een welkome situatie.
In 1619 stierf keizer Matthias. Ferdinand II werd als zijn opvolger gekozen, wat betekende dat deze zowel keizer van het Habsburgse rijk zou worden als koning van Bohemen. De Bohemers weigerden de katholieke Ferdinand echter als koning te erkennen en kozen in juli 1619 Frederik V van Palts als hun vorst. Hiermee groeide de Boheemse opstand uit tot een strijd om zelfstandigheid. Dat ging zelfs veel protestanten te ver. Toen Frederik dan ook in november 1619 de Boheemse kroon aanvaardde, joeg hij ook veel protestantse medestanders tegen zich in het harnas. Zelfs de protestantse Unie durfde de Bohemers niet meer te steunen. De katholieke tegenpartij kreeg daarentegen steeds meer steun: Spanje voerde zijn financiële en militaire hulp aan keizer Ferdinand flink op en ook de paus steunde de keizer en de katholieke Liga met geld. Frederik hield uiteindelijk alleen de genoemde beperkte steun uit Nederland en de steun van Bethlen Gabor, de koning van Hongarije. Deze laatste zou hem echter in januari 1620 ook in de steek laten.
In april 1620 voelde keizer Ferdinand zich, met de katholieke Liga aan zijn zij, sterk genoeg om Frederik een ultimatum te stellen: Frederik moest zich van Habsburgs gebied (Bohemen) terugtrekken of Ferdinand zou hem de oorlog verklaren en hem in de ban doen. Frederik gaf niet toe en een oorlog werd onvermijdelijk. In mei stelde Philips III van Spanje een deel van zijn leger in de Spaanse Nederlanden, onder leiding van generaal Spinola, ter beschikking om de Neder-Palts, waar Frederik keurvorst van was, te bezetten. De lutherse prins Johan Georg van Saksen, die de kant van de keizer gekozen had,
bezette het aan de noordgrens van Bohemen gelegen hertogdom Lusatië (Lausitz), dat Frederiks kant gekozen had. Ondertussen trokken vanuit het Zuiden en het Westen de legers van de katholieke Liga en de keizer naar Bohemen onder leiding van Tilly en de keizerlijke generaal Bucquoy. Het net sloot zich langzaam rond Frederik.
Op 26 september vallen Tilly, Maximiliaan van Beieren en Bucquoy (in r. 415 van Wonderlicke Avontuer voor het eerst genoemd) met hun legers Bohemen vanuit het Westen binnen. Het Saksische leger volgt snel daarna vanuit het Noorden. Deze periode vinden we in Wonderlicke Avontuer beschreven in de regels 153-163. Met de ‘Beyer-Vorst’ (r. 160) wordt Maximiliaan bedoeld en de ‘Saxs’ (r. 161) staat voor Johan Georg van Saksen. In r. 163 lezen we dat het leger van koning Frederik dicht bij Pilsen ligt. Deze stad werd bezet gehouden door het leger van Mansveld die voor Frederik vocht. Vermoedelijk moet Waterbrandt de brieven die hij uit Tabor naar Mansveld moet brengen dan ook in Pilsen afleveren. Onderweg naar Mansveld stuit hij op de eenheid waartoe Zipken en Wintergroen behoren.
Inmiddels stond de winter voor de deur, het gevechtsvrije seizoen brak aan en de Bohemers rekenden er niet echt meer op dat het snel tot een treffen zou komen. Toen Tilly en Bucquoy op 8 november 1620 toch besloten tot de aanval over te gaan moesten de Bohemers zich razendsnel verschansen en ingraven op de Witte Berg (Bíla Hora) bij Praag, waar ze zich op dat moment bevonden. We vinden de daarop volgende slag en de voorbereidingen beschreven in r. 418-441. Voordat het verhaal aan de slag toekomt wordt in r. 398-418 beschreven hoe het leger waarin Wintergroen en Waterbrandt zich bevinden, zich in beweging zet om zich, zoals later blijkt (r. 416-417), bij het leger van Frederik te voegen. De ‘Beyer-Vorst’, Tilly en Bucquoy willen dit leger de pas afsnijden, wat niet lukt (r. 416-418). De beschrijving van de slag daarna is helemaal toegespitst op de particuliere belevenissen van Waterbrandt en Wintergroen.
Frederiks leger werd in de slag bij de Witte Berg vernietigend verslagen. Om niet in handen van de vijand te vallen moest hij hals over kop met zijn gezin uit Bohemen vluchten.
Na de slag geneest Waterbrandt in Praag van zijn verwondingen. Hoe lang hij daarvoor nodig heeft is niet uit de tekst op te maken. Hij vertrekt uit Praag om met Tilly's leger mee te gaan, dat achter Mansveld aangaat (r. 478-480). Dat zal in de lente van 1621 geweest zijn: in maart 1621 gaf Mansveld Pilsen op en trok zich langzaam terug uit Bohemen. Hij verschanste zich vlak over de grens in de Opper-Palts
bij de plaats Waidhaus (‘Weythausen’ r. 486). Tilly viel hem daar voor het eerst aan op 16 juli 1621, maar moest zich na een elf uur durende slag uiteindelijk terugtrekken om het op 29 juli nog eens te proberen. Weer tevergeefs.
Ondertussen was Frederik na enkele omzwervingen op 14 april 1621 in Den Haag aangekomen. Hier kreeg hij van de Staten-Generaal subsidie los om zijn land, de Opper- en Neder-Palts en Bohemen, te heroveren. Ook buiten Nederland probeerde hij hulp te krijgen. Hij kreeg Christiaan van Brunswijk en de markgraaf van Baden-Durlach zover dat ze voor hem ieder een leger op de been brachten. Die legers waren in de lente van 1622 volledig gevechtsklaar. De markgraaf van Baden-Durlach komen we in Wonderlicke Avontuer onder de naam ‘Tourlach’ voor het eerst tegen in r. 498, waar melding wordt gemaakt van het leger dat hij op de been gebracht heeft. Christiaan van Brunswijk wordt in r. 606 genoemd als ‘Vorst Christiaen’.
Terwijl Mansvelds leger volgens de tekst nog in de Opper-Palts is, hoort Waterbrandt dat er zich in het leger van Tourlach enige Nederlanders bevinden die de slag bij de Witte Berg overleefd hebben (r. 497-501). Hij besluit daar meteen naar toe te gaan maar wordt in Ansloch door de vijand gevangen genomen. Toch komt hij uiteindelijk in het leger van Tourlach bij Heilbronn terecht. Dit raakt vrijwel meteen daarna in slag met het leger van Tilly en verliest (r. 527-563). In deze passage in Wonderlicke Avontuer wordt de slag bij Wimpfen aan de Neckar bedoeld. Deze slag was de enige grote slag waaraan Baden-Durlach deelnam, Tilly was zijn tegenstander en Wimpfen aan de Neckar ligt vlak bij Heilbronn. Twijfel lijkt niet mogelijk. Dit levert echter problemen op in verband met andere gegevens uit de tekst. De slag bij Wimpfen werd op 6 mei 1622 uitgevochten, terwijl Waterbrandt volgens de tekst nog in de herfst van 1621 zou leven. Er ontbreekt ongeveer een half jaar! De oplossing voor dit probleem moet waarschijnlijk gevonden worden in r. 496-497. Daar wordt vermeld dat het leger van Mansveld door de Opper-Palts ‘na beneden’ trekt. We weten uit andere bronnen dat Mansveld in deze tijd van de Opper- of Boven-Palts naar de Neder- of Onder-Palts trok. Eind oktober 1621 arriveerde hij in de Neder-Palts. Met ‘na beneden’ wordt dus waarschijnlijk ‘naar de Neder-Palts’ bedoeld.
In de volgende zin lezen we dat Waterbrandt ‘In den Opper-Palts zijnde’ (r. 497) hoort van de Nederlanders in het leger van Tourlach. Die plaatsbepaling kan moeilijk kloppen. Er is ons net een regel eerder meegedeeld dat Waterbrandt zich met Mansveld naar de Neder-Palts heeft begeven! Wordt misschien in plaats van Opper-Palts, Onder-Palts bedoeld en is er sprake geweest van een leesfout (door de zetter bijvoorbeeld)? Deze veronderstelling wordt aannemelijker als we in
r. 503-504 lezen dat Waterbrandt slechts ‘eenighe daghen’ verlof vraagt om naar Tourlach bij Heilbronn te gaan en Wintergroen te zoeken. Een periode van enige dagen lijkt niet genoeg om heen en weer van de Opper-Palts, tegen de huidige Tsjechische grens liggend, naar Heilbronn, dat in het westen van Duitsland ligt, te reizen en daar ook nog naar Wintergroen te zoeken. Als hij al in de Neder-Palts is als hij verlof vraagt, dan is zo'n korte tijd echter wèl genoeg.
Vlak na zijn verlof-aanvraag arriveert Waterbrandt ‘dicht by Heilbron’ in het leger van Tourlach. We zagen al dat dit vrijwel onmiddellijk daarna in gevecht raakt met Tilly, in de slag bij Wimpfen op 6 mei 1622. Op die datum was het leger van Mansveld al meer dan een half jaar in de Neder-Palts. Als we ervan uitgaan dat de auteur van Wonderlicke Avontuer de gegevens over de oorlog enigszins waarheidsgetrouw in zijn verhaal wilde verwerken dan moeten we concluderen dat Waterbrandt niet vlak voor de slag bij Wimpfen nog met Mansveld in de Opper-Palts kon zijn.
Wanneer we in r. 497 in plaats van ‘Opper-Palts’, ‘Onder-Palts’ lezen dan kunnen we tussen deze zin en de vorige het verloren halve jaar plaatsen. In dat halve jaar is Mansveld met zijn leger naar de Neder-Palts getrokken en heeft zich daar gevestigd. Waterbrandt vertrekt korte tijd vóór 6 mei 1622 richting Heilbronn en bevindt zich op 6 mei op het slagveld bij Wimpfen. Uit verscheidene bronnen weten we dat tijdens de gevechten aldaar, een aantal buskruitwagens van de protestanten tot ontploffing kwamen. In het door Van Geelkerck uitgegeven Oorlooghsmemorien (1623), dat een verslag geeft van de belangrijkste oorlogshandelingen in 1622, lezen we ‘datter 5. Wagens vol Bosse-kruyt in brant raecken, verbranden eenighe hondert menschen, de welcke met 1000. Stucken inde lucht vloogen’. In Wonderlicke Avontuer vinden we deze gebeurtenis in r. 534-535. Ook de verovering van ‘negen stucken geschuts’ door Tilly, in r. 540, vinden we in Oorlooghsmemorien terug. Tijdens de slag raakt Waterbrandt verzeild bij de katholieke troepen, waar hij enige tijd mee optrekt (r. 564-570).
Na het katholieke kamp weer verlaten te hebben, zwerft hij enige tijd rond en komt in de Elzas terecht (r. 592-593). Daar hoort hij dat Frederik in ‘Germersheym’ aangekomen is. Germersheim was in die tijd het hoofdkwartier van Mansveld. Frederik kwam daar 22 april 1622 aan. Waterbrandt gaat naar Germersheim en meldt zich als vrijwilliger bij een compagnie die binnen het belegerde Heidelberg zal trachten te komen. In Heidelberg hoort hij dat Frederik, Mansveld en Christiaan van Brunswijk uit de Neder-Palts willen vertrekken (r. 605-607). Dit vertrek vond plaats enige dagen na de slag bij Höchst aan de Main (20 juni 1622) waar het leger van Brunswijk door dat van
Tilly verslagen werd. Voordat Frederik c.s. uit de Neder-Palts vertrekken komt Waterbrandt met nieuws uit Heidelberg aan en besluit mee te gaan.
Mansveld en Brunswijk besloten richting Elzas te trekken. Door geldgebrek geplaagd konden ze hun troepen nauwelijks soldij betalen.
Ze hoopten in de Elzas genoeg buit en afkoopsommen los te krijgen om de eerste nood te lenigen. Vriend en vijand plunderend trok men door het land. Door alle tegenslag ontmoedigd besloot Frederik zich uit de strijd terug te trekken en ontsloeg hij Mansveld en Brunswijk. Deze laatsten trokken verder door de Elzas en Lotharingen en trachtten overal geld los te krijgen. Dit deden ze onder andere door Mouzon (‘Moyson’ r. 629) te belegeren en te dreigen met plunderen als men niet een flinke som geld ‘bijdroeg’ aan de legerkas. Op 13 augustus traden Mansveld en Brunswijk echter officieel in dienst van Nederland en waren hun financiële problemen (voorlopig) opgelost. In Frankrijk hoorden ze van het beleg van Bergen op Zoom door de Spanjaarden onder leiding van Spinola en ze besloten dwars door de Spaanse Nederlanden te trekken om deze stad te ontzetten. Tilly zond daarop het Spaanse deel van zijn leger onder leiding van de Spaanse generaal Cordoba (‘Don Cordua’ r. 632) er op uit om Mansvelds troepen de pas af te snijden. Op 29 augustus 1622 kwam het bij Fleurus, in de buurt van Gembloux (‘Gemblours’ r. 631) tot een treffen. Over deze slag, die we beschreven vinden in de r. 632-638, is bekend dat een kleine tweeduizend cavaleristen weigerden te vechten vanwege grote soldij-achterstand. Tijdens de gevechten gingen ze over tot het plunderen van eigen mensen, wat, zoals we al opgemerkt hebben, in de zeventiende eeuw geen uitzondering was. Een verwijzing naar die plundering vinden we misschien in r. 636-637, waar Waterbrandt merkt door ‘eygen volck al gheplondert’ te zijn.
Een van de deelnemers aan de slag was ene Limbach die twee regimenten van Brunswijk aanvoerde. In Wonderlicke Avontuer komen we deze Limbach in r. 633 tegen. Na zes uur vechten bleken de legers van Mansveld en Brunswijk het sterkst. Ze trokken door naar Bergen op Zoom waar ze de Spanjaarden op 4 oktober verjoegen. In r. 855-859 lezen we dat Waterbrandt aan dit ontzet meedoet.
Ondertussen heeft Wintergroen ook niet stilgezeten. Na de slag bij de Witte Berg is ze in handen gevallen van een ‘Cosack’ (r. 649). Deze kozak hoorde waarschijnlijk bij het kozakkenleger dat de koning van Polen tot steun aan zijn zwager keizer Ferdinand gestuurd had. Een generaal der ‘Krabaten’ (Kroaten) laat haar daarna door een Hongaarse knecht schaken. (Er is al op gewezen dat de Balkanlanden een van de belangrijkste wervingsgebieden voor de diverse Europese legers vormden.) In r. 765 lezen we dat deze generaal samen
met Tilly tegen Mansveld ten strijde trekt. In een schermutseling sneuvelt hij (r. 768). Kort daarna bevalt Wintergroen van een zoon (r. 778-779). Als we er van uitgaan dat het kind vlak voor de slag bij de Witte Berg (8 november 1620) verwekt is, dan moet het begin augustus geboren zijn. We hebben al gezien dat daar vlak voor, op 16 en 29 juli 1621 gevechten plaats vonden tussen Tilly en Mansveld bij Waidhaus. Een van deze gevechten wordt dan ook waarschijnlijk bedoeld met de ‘Scharmutzsinghe’ in r. 766.
Het vertrek van Tilly uit de Boven-Palts, zoals het wordt beschreven in Wonderlicke Avontuer, stelt ons voor dateringsproblemen.
Acht dagen na de geboorte namelijk gaat Wintergroen met het leger op weg
naar de Onder-Palts (r. 783). Als Wintergroen inderdaad begin augustus
bevalt, dan moet dat vertrek nog in augustus plaatsvinden. Tilly was in
werkelijkheid op 23 september nog in de Boven-Palts waar hij op die datum de
plaats Cham bezette. Mansveld vertrok rond 10 oktober 1621 uit de
Boven-Palts in de richting van de Onder-Palts. Pas daarna werd Tilly door
Maximiliaan achter hem aan gestuurd. Tilly vertrok in werkelijkheid dus niet
in augustus naar de Onder-

Fig. 2
Plundering. Gravure door J. Callot.
Palts. Deze ‘fout’ in Wonderlicke Avontuer kan allerlei oorzaken hebben. Misschien wilde de auteur wegens ruimtegebrek de manoeuvres van Tilly in de Boven-Palts en diens vertrek naar de Onder-Palts samentrekken, misschien beschikte hij niet over de juiste gegevens? In r. 801 zijn we plotseling in 1622 aangeland op het moment dat Mansveld, na de slag bij Höchst op 20 juni 1622, uit de Neder-Palts vertrokken was en Don Cordua hem probeerde te beletten naar Bergen op Zoom op te rukken. Wintergroen trekt met dit leger van Don Cordua mee (r. 801-804). In r. 811 wordt met de ‘Slacht op de Meyn’ de slag bij Höchst aan de Main bedoeld. In r. 833-847 vinden we nogmaals, nu beschreven vanuit Wintergroens standpunt, de slag bij Fleurus (24 augustus 1622). De twee gelieven zijn daar vlak bij elkaar maar in verschillende kampen en zonder het van elkaar te weten. (Het zal nog maanden duren voor ze elkaar weer ontmoeten.) Na het ontzet van Bergen op Zoom werd Mansveld door de Nederlandse regering naar Oost-Friesland gestuurd. Oost-Friesland, dat ten oosten van de provincie Groningen ligt, was zeer nauw met Nederland verbonden en de Staten-Generaal wilden het beschermen. Door
Mansveld te sturen bereikte men ook dat zijn gevreesde leger van Nederlands grondgebied verdween. Mansveld hield Oost-Friesland van november 1622 tot januari 1624 bezet en in die tijd hielden zijn soldaten er vreselijk huis. Plunderingen waren aan de orde van de dag. Naar alle waarschijnlijkheid zijn het déze plunderingen in Oost-Friesland die we in Wonderlicke Avontuer ook beschreven vinden. Het is niet duidelijk waarom de auteur niet vermeldt dat het Mansvelds troepen zijn die Wintergroens ouders plunderen. Hij moet ervan geweten hebben want er werd in die tijd veel bekendheid aan gegeven. Er verschenen diverse pamfletten over de schurkendaden van Mansvelds leger in Oost-Friesland.
In een vermoedelijk protestants, maar in ieder geval anti-calvinistisch pamflet, Spieghel van der Calvinisten Tyrannie ghepleecht in Oost-Vrieslandt, onder het beleyt van den Grave van Mansfelt in dienste van de Generale Staten, vinden we een aantal van de gruwelijke daden, al dan niet waarheidsgetrouw, beschreven. Naast alle gewone plunderbezigheden als branden, breken en moorden vinden we onder ondere het relaas over soldaten die het huis van een oude man binnen dringen. Ze dwingen hem een maaltijd voor hen te bereiden. Tijdens het eten haalt een van de soldaten een gloeiend kooltje uit het vuur en duwt het de oude man in het gelaat. De man deinst vanzelfsprekend achteruit en loopt zo in een mes dat een andere soldaat achter hem gereed houdt. Alsof dat nog niet genoeg is slaan ze de oude man en braden hem met kleren en al boven een vuur waarbij ze bier en wijn over hem heen gieten, want hij ‘broeyde van de hitte van bier ende wijn’. Ook bij andere soldaten zou mensen braden een geliefde bezigheid zijn.
Even verder in het pamflet lezen we over een familie die turf aan het steken is. Soldaten beschuldigen de familieleden ervan hun geld te begraven (wat dé manier was om geld voor plunderaars verborgen te houden) en dwingen hen ze naar hun huis te brengen, waar ze ‘des eenen Huysvrou bestaen te schenden voor des mans oogen’. Als de man zegt dat hij dat niet kan aanzien, zeggen de soldaten: ‘Meucht ghy 't niet sien, soo sult ghy 't oock niet sien, ghy schelm, ende staken hem syn beyde oogen uyt’. Het acht bladzijden tellende pamfletje staat vol met dergelijke gruwelijke verhalen waarvan je je kan afvragen of ze allemaal op waarheid berusten, of alleen bedoeld waren om de calvinisten zwart te maken. Dat het leger van Mansveld in Oost-Friesland vreselijk huisgehouden heeft, is echter wel zeker.
Over de dertigjarige oorlog is menige studie verschenen. We noemen een aantal belangrijke: Van het historisch verloop van de dertigjarige oorlog biedt The
Thirty Years War van C.V. Wedgwood een algemeen en helder overzicht. G. Parker, Europe in Crisis 1598-1648, plaatst de oorlog in een ruimer Europees kader, en geeft een uitgebreide beredeneerde bibliografie. Over de organisatie van de zeventiende-eeuwse legers, wijze van oorlogsvoering en aspecten van het soldatenleven tijdens de dertigjarige oorlog verschaffen H. Langer, Kulturgeschichte des Dreissigjährigen Krieges en de brochure van Geoffrey en Angela Parker, European Soldiers 1550-1650, vele gegevens. Beide werken zijn bovendien voorzien van talrijke prachtige illustraties. Ook J.W. Wijn behandelt in Het krijgswezen in den tijd van prins Maurits zeer uitvoering tal van zeventiende eeuwse krijgsaspecten betreffende organisatie, tactiek, bewapening, etc. Hij is echter in het bijzonder gericht op de Nederlandse situatie. Een literaire neerslag van de dertigjarige oorlog vindt men ook in de Abentheurliche Simplicissimus van H.J.C. von Grimmelshausen (1669) en in De Vuuraanbidders van Simon Vestdijk (1947).