terug  begin  verderprepost
[p. 48]

7 West-Indië

West-Indië neemt in Wonderlicke Avontuer een bijzondere plaats in. Waterbrandt besluit er een oplossing voor de financiële problemen van zijn familie te gaan zoeken en vindt die ook. In het vorige hoofdstuk hebben we opgemerkt dat het gedeelte van ons verhaal dat in de oorlog speelt een realistisch karakter heeft. In dit hoofdstuk willen we nagaan in hoeverre dit realisme in het stuk over Waterbrandts West-Indië-vaart gehandhaafd blijft. Daarnaast gaan we kort in op de mogelijke functie die het West-Indiëverhaal heeft.

Hoewel het al in 1492 door Columbus was ontdekt, kwam de handel op West-Indië pas in de loop van de zestiende eeuw echt op gang. Vooral Spanje en Portugal profiteerden van de rijkdommen die dit gebied bood. Spanje financierde met de daar verkregen winsten zelfs een groot deel van haar strijd in de Nederlanden. Omstreeks 1600 kwam ook de Nederlandse handelsvaart op West-Indië langzaam tot ontwikkeling (zeer tot ongenoegen van Spanje). Er gingen in de Republiek al snel stemmen op om, in navolging van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de handelsbelangen op West-Indië te bundelen. Tijdens het twaalfjarig bestand met Spanje (1609-1621) konden de Staten-Generaal hier geen toestemming voor geven omdat Spanje dat als een oorlogsdaad zou opvatten en het bestand dus in gevaar gebracht zou worden. Met het eind van het bestand veranderde deze situatie echter. De Staten-Generaal realiseerden zich dat een verzwakking van de Spaanse positie in West-Indië een belangrijk wapen in de strijd kon zijn. Vooral om die reden verleenden zij op 3 juni 1621 een octrooi waarmee de West-Indische Compagnie (WIC) formeel werd opgericht. De WIC kreeg een monopolie op handel en verkeer met Noord- en Zuid-Amerika (toen nog vaak als geheel ‘West-Indië’ genoemd) en West-Afrika, maar zou onder toezicht van de Staten-Generaal staan. Om het doel van winst maken te combineren met een ander doel, de strijd tegen Spanje, zou de WIC zich vooral gaan bezig houden met de kaapvaart. Handel en kolonisatie kwamen op een tweede plan, maar werden zeker niet veronachtzaamd. Per slot van rekening kon men ook daarmee Spanje dwars zitten. De WIC werd zo een van de speerpunten in de strijd tegen Spanje en kon daarom rekenen op belangrijke bijdragen van de overheid.

Waterbrandt vertrekt in 1623 naar West-Indië. De toenmalige lezer

[p. 49]

zal, gezien het monopolie van de WIC, aangenomen hebben dat hij in dienst van de WIC trad. De eerste schepen die door de WIC werden uitgezonden hadden nog vooral handels- en ontdekkingsdoeleinden, er was nog geen geld voor een agressiever optreden. In overeenstemming daarmee lezen we in r. 1192-1193 dat Waterbrandts reis tot doel heeft ‘landen ende plaetsen te ontdecken’. Naast de handel werd de kaapvaart echter niet vergeten. In Wonderlicke Avontuer vinden we twee verwijzingen naar de kaapvaart. Zowel in r. 1234-1235 als in r. 1279-1280 is sprake van de verovering van Spaanse schepen. Ook de vermelding van Waterbrandts gevangenschap in Brazilië in r. 1238 verwijst naar Nederlands-Spaanse vijandelijkheden. Brazilië was een kolonie van Portugal dat in die tijd met Spanje een dubbelkoninkrijk vormde.

Al meteen na de oprichting van de WIC ontstonden er meningsverschillen over het feit of nu kaapvaart of handel en kolonisatie het belangrijkste doel moest zijn. Zoals we al zagen was de kaapvaartpartij het sterkst. In r. 1233-1234 wordt de rechtvaardigheid van het veroveren van Spaanse schepen ter discussie gesteld. Vinden we hierin misschien een echo van de oppositie binnen de WIC?

De reis

De reis van Nederland naar West-Indië duurde gemiddeld zes weken. Vanuit Nederland werd eerst naar de Canarische of naar de Kaap Verdische eilanden gevaren, waar verse mondvoorraad en eventueel handelswaar ingeslagen kon worden en van waar de tocht over de Atlantische Oceaan het kortst was. Waterbrandt reist via de Canarische eilanden (r. 1202-1203). Hij vertrekt in de voorzomer van 1623, komt in december van dat jaar weer terug en is dus ongeveer zes maanden onderweg. Dat komt ongeveer overeen met de reisduur die A. Cabeliau, die in 1599 als rapporteur voor de Staten-Generaal naar West-Indië is geweest, nodig had, om heen en weer te zeilen en ook nog op ontdekkingstocht te gaan.

We hebben geprobeerd te achterhalen of de reis van Waterbrandt misschien een werkelijke reis als achtergrond heeft gehad. N. Wassenaer maakt in zijn jaaroverzicht van 1623 melding van een reis die daartoe gediend kan hebben. Onder juni 1623 wordt het volgende meegedeeld:

De Bewint-hebbers van de West-Indische Compagnie (...) senden om den treyn van handelinghe te onderhouden drie schepen uyt het Lant, de Orangie Boom, de Grijpende Arent, en de Liefde: op hope van het eerste avancement voor de Compagnie die noch niet voltoyt was te becomen. (Wassenaer, deel V, p. 92r)
[p. 50]

Onder december 1623 wordt de terugkeer van een van deze schepen beschreven:

In het midden van dese maent is in Texel ghearriveert, het eerste Schip tot vordeel van de geoctroyeerde West-Indische Compagnie, de Grypende Arent ghenaemt, als Admirael, daer Jan Jarichs van Staveren Schipper op was, brenght Toback en S. Martens hout, sijn ladinghe op het Eylandt Bonnes Aires becomen hebbende (Wassenaer, deel VI, p. 61r)

Wassenaer vermeldt verder dat Jarichs de Spaanse gouverneur van Bonaire op zijn schip gevangen hield. Om vrij te komen had deze beloofd water te wijzen en hout te leveren. Voordat hij zijn belofte kon uitvoeren, ontsnapte hij echter. Toen Jarichs' mannen daarna zelf op zoek gingen naar water en hout werden ze door de Spanjaarden overvallen, waarbij menig Nederlander het leven liet. Desondanks lukte het Jarichs zijn schip vol te laden met tabak en St. Maartenshout (dat bij de verfindustrie gebruikt werd). Daarnaast nam hij enkele kruiden en zaden mee voor de universiteit in Leiden. Van een trip naar Brazilië noch van het kapen van Spaanse schepen is echter sprake.



illustratie
Fig. 3
Den Dubbelen Arent een Westindis Vaerder. Gedeelte van een gravure door R. Zeeman.


[p. 51]

Net als Waterbrandt vertrekt Jan Jarichs in de voorzomer van 1623 en komt hij in december van dat jaar weer terug. Er zijn echter te veel verschillen tussen de twee reizen om te concluderen dat we in Wonderlicke Avontuer een beknopte beschrijving van de reis van de Grypende Arent vinden. Natuurlijk is het wel mogelijk dat de auteur gegevens over die reis gecombineerd heeft met informatie over andere reizen, al dan niet aangevuld met eigen fantasie. Een directe relatie tussen de werkelijkheid en Waterbrandts reis naar West-Indië hebben we echter niet kunnen vaststellen.

Feit en fictie

Informatie over reizen naar West-Indië was toendertijd zeker beschikbaar. In veel van die reisverslagen wordt West-Indië, zoals in Wonderlicke Avontuer in r. 1206-1221, afgeschilderd als een ‘Aerts Paradijs’. Rijkdom van de natuur en het aangename klimaat worden uitvoerig beschreven en vaak wordt daarbij het gebruik van de fantasie niet geschuwd. Een voorbeeld van zo'n vermenging van verbeelding en werkelijkheid vinden we in het reisverhaal van de Engelsman Raleigh. Zijn werk werd in 1598 in het Nederlands vertaald en heeft grote invloed gehad op de beeldvorming over West-Indië - Raleigh beschrijft dit gebied als El Dorado, het goudland. Het goud zou hier en daar op straat liggen. Er zijn zelfs meerdere expedities uitgerust om op zoek te gaan naar de rijkdommen die Raleigh beschreven had. Zonder het gewenste resultaat natuurlijk.

Ook Wassenaer benadrukt de enorme rijkdommen van West-Indië:

Het lant is seer schoon, vol van Schapen en ghevoghelt, soo wel tam als wilt, overvloet van alles tot 's menschen leven noodich: die hem derwaerts soude willen laten transfereren sal niet behoeven te wercken, alsoo alle provisie daer te veel is (Wassenaer, deel VI, p. 61v)

Hoe fantastisch deze en andere beschrijvingen van West-Indië ook mogen zijn, het blijft een feit dat er met de handel op dat gebied enorme winsten gemaakt zijn. De fraaie verhalen moeten dus op zijn minst voor een deel op waarheid hebben berust.

Functie

Het relaas over West-Indië neemt in Wonderlicke Avontuer een opvallende plaats in. Het vormt met de avonturen die in de oorlog spelen geen organisch geheel. Even afgezien van de mogelijkheid dat alles echt gebeurd is, lijkt het er met de haren bijgesleept om Waterbrandt een fortuin te verschaffen. Dat had de auteur hem op een eenvoudige manier ook tijdens zijn oorlogsbelevenissen kunnen laten vinden.

De vraag dringt zich op waarom West-Indië in Wonderlicke Avontuer

[p. 52]

is opgenomen, vooral als we merken dat op de titelpagina over de oorlog met geen woord gerept wordt, terwijl West-Indiën er expliciet genoemd wordt.

Opvallend is dat in Wonderlicke Avontuer bijna niets verteld wordt over het leven aan boord en de belevenissen tijdens de zeereis. Daarentegen wordt er veel aandacht besteed aan de beschrijving van het ‘Aerts Paradijs’ en aan de schat die Waterbrandt tijdens de reis verzamelt. Deze aandacht geeft misschien een aanwijzing voor de mogelijke functie van het West-Indië-verhaal.

Het bijeenbrengen van het voor de WIC benodigde kapitaal verliep moeizaam. De potentiële beleggers waren zeer terughoudend.

Vandaar dat men er toe over ging reclame te maken voor de WIC. In vele pamfletten en aanplakbiljetten werd gewezen op de grote winstmogelijkheden die West-Indië bood. Het is mogelijk dat Wonderlicke Avontuer, bedoeld of onbedoeld, tot deze reclamecampagne heeft bijgedragen. Het werkje kwam op de markt in een periode dat men nog druk bezig was het beginkapitaal voor de WIC bijeen te krijgen. Ook kan Wonderlicke Avontuer, weer bedoeld of onbedoeld, aangesloten hebben bij toendertijd gevoerde propaganda om kolonisten aan te trekken. Een van de doelstellingen van WIC was het (laten) koloniseren van overzeese gebieden. Weliswaar kreeg de kaapvaart de meeste aandacht binnen de WIC, maar kolonisatie werd toch niet helemaal verwaarloosd. Al in 1623 werden door de WIC kolonisten naar Nieuw Nederland (rond het huidige New York) gebracht. Ook in later jaren en naar andere gebieden gebeurde dat. Misschien heeft voor sommigen het aantrekkelijke beeld van de Nieuwe Wereld in Wonderlicke Avontuer wel de doorslag gegeven bij de beslissing kolonist te worden.

Hoewel het niet uitgesloten is dat West-Indië in ons verhaal een propaganda-functie heeft gehad, is het aannemelijker dat de uitgever het als klantenlokker heeft bedoeld. Met het opnemen van een verhaal over West-Indië speelde hij waarschijnlijk in op de grote belangstelling die er in die dagen voor dat gebied en voor alle verre, vreemde landen bestond. De titelpagina had in die dagen vaak de functie die de cover van een tijdschrift tegenwoordig heeft: de klanten tot kopen bewegen, door hun nieuwsgierigheid te prikkelen. De uitgever vermeldde dus juist op die plaats de zaken waarvan hij verwachtte dat de lezers ze interessant zouden vinden en dat dan zo opvallend mogelijk. Vandaar misschien dat we op de titelpagina van ons verhaal West-Indië op zo'n opvallende manier aantreffen.

Een speciale groep belangstellenden vormden de mensen die geld in de WIC geïnvesteerd hadden. Dat was een gevarieerde groep: van schatrijke kooplieden, die duizenden guldens inbrachten, via boek-

[p. 53]

houders tot arbeiders en eenvoudige kamermeisjes die op afbetaling een aandeel van vijftig gulden gekocht hadden. Bij deze aandeelhouders moet nog eens extra belangstelling voor West-Indië bestaan hebben: daar moest immers hun dividend verdiend worden. Juist daarom wilde men misschien graag een boekje kopen dat volgens de titelpagina over ‘Gout ende Paerlen uyt West-Indien’ handelde.

Literatuur

Om een algemeen overzicht te krijgen van de West-Indische Compagnie geeft het boek De West-Indische Compagnie van Menkman een aardig beeld, hoewel de tijd die voor ons verhaal van belang is kort behandeld wordt. Veel informatie bevat de inleiding van De Nederlanders in Brazilië 1624-1654 van C.R. Boxer. Dit boek beperkt zich tot Brazilië. De meest recente publikatie op dit gebied is echter P.J. van Winter De Westindische compagnie ter Kamer Stad en Lande. Wat de Nederlandse expansie in de zestiende en zeventiende eeuw in Zuid-Amerika betreft verwijzen we naar de boeken van Netscher, Geschiedenis van de koloniën Essequebo, Demerary en Berbice, en Goslinga, The Dutch in the Carribean and the Wild Coast 1580-1680.

prepostterug  begin  verder