Liefdighe Leser,
MEn heeft goet ghevonden, dese Zeeusche-Nachtegael (overmits
de sonderlinge eyghenschap die de selve by sich heeft) V.E. voor te draghen in
dry deelen: (ghelijck geseyt is) waer van dit het eerste wert gerekent, ende
genaemt Minne-sang, dwelck, toe-geeyghent wert aen de soet bloeyende
Ieucht, om daer innerlijck mede de uyterlijcke bywoontselen der jonckheyt te
kennen te geven: Derhalven, wert hier cortelijck verhaelt wat voortreffelijcke
ghedichten en ghesangen zijn aen te mercken, in dit eerste deel. Int begin wert
verthoont het Wapen-schild, aller eerlijcke Ionghelinghen als een
plicht voorgestelt; mitsgaders de Wille-comen aen de waerde
Ionck-vrou
Anna Roemers: ende de Antwoorde
des selfs; met een Plock-haertje van Cupido: als mede een
Muytery tegen 't Liefde-kind, (by de selve Ionck-vrou
gemaeckt, benevens het gedicht aen de Zeeusche Poëten.) Volgende
daer aen, is noch een aerdich gerijm op Cupido Brille-man; met Cupido
Honich-dieff. Oock de wercking der Wout, en Zee-goddinnen. Loff vande
Leeuwerck. Volgend noch het soet dubbel-sinnich Visschers Praetje
van Steven, en Marijntje. Int voort-gaen een Venus
bedroch. noch wijder een treffelijck gespreck op Ionckheyt. Wederom
een Liedt aen de Vrouwe-slagers; ende Wulmers Ys-breuck. Men sal
int voortgaen sien de scharp-sinnighe Raetsels, ende Boere
dubbel-praet. De Zeeusche Mey-clacht oft Schijn-kijcker,
wijst in rijmsche wijs, ten deele hoe de Schilder-const ghehanthaeft wert,
terwijl de claegende Minnaer van liefde spreeckt; (doch wert met een
Vreuchden-lied weder versoet.) Daer is voorder acht te nemen, op de
aenspraeck tot L. Scipio over het weder geven van een seker E.
overschoone Maeght, aen haeren Bruygom. Voorts noch derghelijcke meer, als
Harders-sang. Galm-dichten. ende eyndelijck een Tafereel vande
liefde, waer mede de Minne-sang wert besloten, jae gelijck als ten
toone gestelt.
Leent V.E. ooren en oogen nu voorder tot het tweede deel, en
oordeelt heuslijck.