Zeeusche Nachtegael


auteur: anoniem Zeeusche Nachtegael


editeur: P.J. Verkruijsse en P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse (eds.), Zeeusche Nachtegael en bijgevoegd A. vande Venne Tafereel van Sinne-mal, Drukkerij Verhage & Zoon, Middelburg, 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 45]origineel

Wel-coom-gedichten aen Jonck-vrou Anna Roemers, Op hare over-comste in Zeelant.

Sonnet.

 
GHy heerscher van de zee, Neptun, wilt nu de baren
 
Doen liggen stil en vlack, en houden in den bant
 
De winden noort, suyt, west, dat sy het Zeeusche lant
 
Met haren rouwen storm, niet vreeslick en vervaren,
5
Want in een plancken-hol comt met ons over-varen
 
Een costelick juweel, een onwaerdeerlick pant,
 
Een maecht, wiens eer en roem, verspreyt aen elcken cant,
 
V hoochlick heeft verplicht haer schip wel te bewaren;
 
Sy sal tot uwer eer doen klincken hare stem,
10
En met een soet gesang het danssende geswem
 
Van u Zee-Nymphen al doen gaen voor onsen steven.
 
Maer als u wil of macht ontbraeck tot haer gheluck,
 
Soo sal sy bergen noch op der Delphynen rugh
 
Meer als Arion deed', haer end' ons aller leven.