|
|
|
| |
Mvytery tegen Cvpido. Van Jonck-vrouvv Anna Roemers.
AL ben ick nu ghequetst, ô wicht! soo sal ick maecken
Dat ick, naer u begeer, niet quijnen sal of craecken,
Ghy sult u wensch niet sien, dat ick als mal en sot
Nu sou begaen daer ick soo vaeck mé heb gespot,
5
Dat ick door schrick van pijn klijn-seerich sou
verschuylen
Mijn wonden, op dat die verettren en vervuylen.
Siet daer mé gae ick heen, en soeck sulck een die can
(Ervaren in die const) mijn vrylick tasten an;
Ick sal gheen bijt-salf noch gheen pijnlick tenten vreesen,
10
Noch bittre drancken die bequaem zijn te gheneesen
| | | |
Mijn hert van dese quael, die'k in mijn jonge
tijt
Soo angstich heb gevreest, soo naerstich heb gemijt.
En ghy gehelmde Maecht, ghy schoonste der Goddinnen,
Hoe mocht het van u hert dat ghy my liet verwinnen?
15
Hoe mocht het van u hert, dat u die altijt eert
Soo klackloos van een kint! een kint! nu is verneert?
Ick berst van spijt, als my dees aeterlingsche-bastert
Sijns moeders schoonheyt prijst, en uwe schoonheyt lastert.
Neen, neen, ick acht soo veel geen lichaem schoon en fris
20
Als een oprecht gemoet daer deucht gewortelt is.
Al creech sijn moer de prijs, nae 'toordeel van een Herder
Die op sijn geyle lust slech sach en niet eens verder,
Dat acht ick niet met al: wanneermen siet het endt
Wat was sijn loon? ach arm! slech jammer en ellendt.
25
Wie souw niet uyt sijn hert de dertel min-lust royen
Die de puyn-berghen siet van het verbrande Troyen?
|
|
|