|
|
|
| |
Lof van de Leuvvercke.
LEeuwerckje soet en altijt bly,
Van alle sware sorghe vry;
Wie van de ghene, die beminnen
Die drie-mael drie Gedicht-Goddinnen,
5
Kan swijghen op sijn soete luyt
Dijn hooghe stem en wilt geluyt?
Ick sou my kennen gants onweerdich
Haer wijse leer en conste veerdich;
Indien ick sweech en ging voorby
10
Hoe aengenaem dijn singen zy.
De stemmen wilt die velt vercieren,
En om den hoogen hemel swieren,
Verr' overtreft dijn soet geschal
En laet sick hooren over al.
15
Als Lentens tijt 'tlant onbewogen
Met nieuw gelaet toont overtogen;
En dat de soete Bloem-Goddin
De velden heeft ghenomen in;
| | | |
En alle vee, en alle dieren
20
Vrou Floraes blijde comste vieren,
En dat de bouw-lien 'smorghens vroegh
Doorsnijden d'aerde metten ploeg;
Alsdan ghevlogen hun besijden,
Haer herten droef, du gaetst verblijden;
25
En nu beneden op een cluyt.
Dan boven d'aerde dijn geluyt
En soet gesang om hoog geresen
Doet al de dierkens vrolic wesen:
Ia d'aerde self om dese vreucht
30
Sick blijder thoont en meer verheucht
Dan als haer borst wort op-gesneden,
En met den ploeg van een gereden.
Als nu den claren dagheraet
Wt-breken met de sonne gaet,
35
En dat dijn pluymen zijn begoten
Met soeten dauw, om hooch gheschoten;
De winden du dijn liefde soet
Vertellest met een bly ghemoet,
Dies hoortmen dan dijn keelken beven
40
En menich soete deuntjen geven,
En leeghe nu, dan hooghe weer
Dijn stemme drillen even seer:
Dan gaetstu weer, stracx neer-geschoten,
In boskens dicht met gras besloten,
45
Dijn huys besoecken, en met een
Wt-kippen dijne jongskens cleen.
Of broeyen uyt op dijne wijse,
En hun besorghen hare spijse,
Van risp' of kever eenich lidt,
50
Of tvliegjen dat in bloemkens sit.
Tot vreuchden dan, int gras geboghen,
Van d'eene sy werd ick bewoghen
Door dijne stem en hooch geluyt;
Van d'ander sy de boere-fluyt
55
En 'tsoet gesang van d'Herderinnen
Verquict mijn hert en droeve sinnen.
Geluckich dan, soo noem ick dy,
Leeuwercke soet en altijt bly,
Die't onbecommert is gegeven
60
In vreuchden oyt te sullen leven;
Die sonder sorg of argelist
Geen valscheyt onderworpen bist,
In wiens gemoet geen quae gebreken
Noch boose lusten oyt ontsteken;
65
Dat door bedroch en vonden quaet
Naer gheen ghebiet of goet en staet.
Doch evenwel moet onder desen
Dijn hert bedroeft ten deele wesen;
Dat als de Son des avonts laet
70
In Thetis schoot te bedde gaet,
En dat de nacht tot rust bewoghen
Hout alles onder hem getogen,
Dijn hooghe stem en soet gedril
En wilden sang moet swijgen stil.
75
Maer alsoo haest de son ontsloten
Wt d'hooge lucht comt voort-geschoten,
En sijne stralen haren glans
Doen lichten over d'aerde gans,
Soo springstu vlijtich op van onder,
80
En langs de weyden groen bysonder
| | | |
Geeft weder-slach vroech over al
Dijn wilde stem en soet geschal,
Dat stracx doet rijsen op den herder,
En al de geen die reysen verder,
85
En menich dierken uyt-gestreckt
Wt sijnen diepen slaep op-weckt.
|
|
|