Zeeusche Nachtegael


auteur: anoniem Zeeusche Nachtegael


editeur: P.J. Verkruijsse en P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse (eds.), Zeeusche Nachtegael en bijgevoegd A. vande Venne Tafereel van Sinne-mal, Drukkerij Verhage & Zoon, Middelburg, 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Corte, Scherp-sinnighe beschrijvinghen, die voor gheraedsels connen ghebruyckt vverden.

 

Een Wieghe.

DEs mensches eerste huys, vvanneer hy is gheboren;

Des mensches soete cruys, breeck-slaep, ghevvenschten toren:

Wanneer ick vverd' bevveeght, mijn huys-heer is in rust;

Wanneer ick stille stae, het schreeuvven hem ghelust.

 

Een Peck-tonne.

Een cruys is mijn ghestoelt', mijn traenen my verbranden;

Mijn vryheyt is mijn val, mijn leven zijn mijn banden;

Elck een mijn smert verheught, mijn sterven elck behaeght,

Nochtans mijn svvarte doot elck een naer 'tbedde jaeght.

 

Een Ajuyn.

Heel vierich, heet en sterck, nochtans heel over-trocken,

Als koud en teer van lijf, met velerhande rocken:

[p. 85]origineel

Mijn sterven elck bevveent, die dan ontrent my svveeft;

Maer meest die my vermoort, off vvel vvonde gheeft.

 

Een Graf.

Een vvit-ghekleeden hoop van bleeck' en magher' menschen

My daghelicx besouckt, die selden nae my vvenschen:

Platonis Republijck, daer alles is ghemeen;

Daer vrouvven ende mans vermenghen onder een.

 

Een Quack-salver.

Een hatelicke simm', een bastaerd van't gheleerde

Hippocrates gheslacht; by lieden van onvveerde

In vveerdigheyd en eer: mijn tongh' is al mijn vvinst,

Ick svveer', ick lacch', ick boert', het lieghen is het minst.

 

Een Schole.

Een cleyne borghery, veel-tijds met vrees en beven,

Die nochtans sonder krijgh en sonder vyand leven:

Een gantsch ghespleten leen, niet sonder recht van bloed,

Daer elck, met jaloersy de selve neeringh' doet.

 

Vlasch.

Ick liggh' en muyck' en vvrott', in vuyl' morassche kreken,

Elck een mijn stanck verjaeght, en schijnt sijn hert te breken:

Een dief, een groote sorgh', nochtans heel vveerd en lief,

De mensche leef, of sterv', ick ben hem groot gherief.

 

Een Boekvvey koecke.

Een vel is al myn lijf, heel vol van blinde ooghen,

Versteven door het vier, met masschels overtoghen;

[p. 86]origineel

De vvinter brengt my voort, de somer is mijn dood,

Rijck, arm, treckt my aen, maer d'arme meest, uyt nood.

 

Een Keerse.

Allenghskens crijgh' ick lijf, in tranen heel verdroncken,

Ghedrooghet in de vvind, en vveder neer-ghesoncken:

Mijn lichaem is deur-boort, mijn neus die is gheringht,

Mijn leven is een dood, die vreuchd' en leven bringht.

 

Een stock-oud man.

Myn eyghen vier is dood, een ander moet ick soecken,

Bouvv-vallich is myn huys, en leck in alle hoecken:

Myn glasen, eertijds claer, nu heel verdonckert zijn,

Ick ben een romp en ramp, gheen lichaem, maer een schijn.

 

Een Wt-roep.

Een rinck van vele lien, die om een tafel dringhen,

Een tafel toe-gherust met velerhande dinghen,

Een spreeckster staech alleen, de andere by beurt,

En die meest svvijght van al, die minst van al verbeurt.

 

Een Haven.

Het eynde van ghevaer, de ruste van het vvoelen,

De lang-ghevvenschte vreughd', die een-mael doet verkoelen

De hitte van de vrees: een boomgaert svvart ghelaen,

Daer van de vrucht en vreught ontrent de vvortel staen.

 

Brand-stocken, uyt het vier behouden, ende over eynde gherecht.

Wanneer ick sterv' om leegh', vergaen ick en verblijde;

Wanneer ick sterv' om hoogh, bedroev' ick en ghedijde:

[p. 87]origineel

Een mild man liever heeft, dat ick om leegh vergae,

Een vvrecke liever heeft, dat ick om hooghe stae.

 

Wijn.

Een vader van de vreuchd', een meester van de reden,

Een stercke held, nochtans met voeten onder-treden:

Myn cracht is altijds een, verscheyden is mijn vverck,

Die my te seere nijpt, verstom ick als een serck.

 

Een Schip.

Een svvart gehuyde Ghier, doch onder vvit van buycke;

Myn kevy vvijst de vvind, ghestreckt als een peruycke;

Mijn dermen hanghen uyt, mijn steert is myn behoud;

Mijn beenen staen om hoogh, in reghen en in koud.

 

Een Coop-man.

Een slavich, vvoelich dier, noch landsch, noch zeesch, maer beyde,

Ghelijck de Crocodil; ick gaen oock vvegh, en scheyde

Dan selfs, als ick betrap: en soo ick my vergaep,

(Wat vvilt ghy meerder straf?) van meester vverd ick knaep.

 

Een Vier-pijle.

Soo langh myn inghevvand, een svvarte kuyt, verbrandet,

Soo lev' ick; heel mijn lijf is aen het vier verpandet.

Ick sterve als ick leef; en vverd int sterven rood,

En als ick niet en sterv', dan ben ick even dood.

 

Een Saghe.

Ick bijt' en scheur' van een, dat t'samen is ghebonden;

Maer neen, dat maer een is, dat maeck' ick, door myn vvonden

[p. 88]origineel

Verscheyden en verdeelt: dat vast te vooren is,

Mijn tanden maken dun, en splijten als een vvis.

 

Een Blaes-balck.

Het doode hout ick vveck', de aerde gheef ick leven,

Den menschen veel ghenuechts, die stijf van koude beven:

Myn ingevvand is koud, nochtans soo maeckt het heet,

Al is de buyck vol vvinds, van gheen colijck en vveet.

 

Een sponcie.

Vol-oogigh is mijn lijf, in zee van zee ontfanghen;

De vvateren, als quijl, my uyt haer boesem pranghen;

Ick leve, als een gal, van alle vveer-tuygh blood,

De vuylicheyd ick haet', al ben ick langhe dood.

 

Een Spieghel.

Ick ben heel glat, heel stijf, heel dicht, heel vvater-schoone,

Een yder ongheveynst sijn vlecken ick verthoone:

De vryheyd hebb'ick lief, gheen hovelingh ick ben;

Ick spreke, soo ick meen, ick oordeel, als ick ken.

 

Een Bedde.

Myn vel is constich vvit, heel groen uyt svvart ghecomen,

Myn in-ghevvand is roof van licht' ghediert' ghenomen:

De suster van de dood my, alle nacht, besoeckt,

En die my matich bruyckt, lijf, ziel en gheest vercloeckt.

 

Een Lanteerne.

Een trotsich uyt-ghevvas van stieren en van rinden,

Myn binnenst' open stelt, en sluytet voor de vvinden:

[p. 89]origineel

Ghevenstert is myn huys, deur-reten is myn dack,

In huys, maer buyten meer, soo doen ick groot ghemack.

 

Druckery.

Waer is het eel verstant van d'oude nu ghebleven?

Wat schelden vvy Natuer? vvat quellen vvy ons leven?

Een man can nu alleen veel meer int schrijven spoen,

Als eertijds honderd deen, en noch in Oosten doen.

 

Het wapen van Zeeland.

Een groot en fel ghediert', met langh-ghecrolde tuyten,

Ten halven in de zee, ten halven oock daer buyten:

Een teecken van het volck, dat daer het vvoont te land,

Meest ploeghet in de zee, meest bouvvet aen de strand.