Zeeusche Nachtegael


auteur: anoniem Zeeusche Nachtegael


editeur: P.J. Verkruijsse en P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse (eds.), Zeeusche Nachtegael en bijgevoegd A. vande Venne Tafereel van Sinne-mal, Drukkerij Verhage & Zoon, Middelburg, 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Foelicester, & amplius quos irrupta tenet Copula Horat. in Satyr.

 
EY, ey, wat heeft den Hont, wat mach de prye letten,
 
Ey! hoort de arme beest, sijn keel eens open setten,
 
Siet hoe hy wringt in een, met ysselijck gecrijt,
 
Ia 'k sie wel watter schort, de steert is Lobben quijt;
5
Ick denck hy heeft zijn muyl, weer yeuwers in gesteken,
 
Hy loopt doch over al, dit sijn van Pieters streken.
 
Pier, soo ghy dit gheloop niet staeckt en laten kont,
 
Soo komdy oock eens t'huys als Lobben onsen Hont.
 
J.L.