|
|
|
| |
Syncerum est nisi vas quodcunque effundit amarum
est.
DIe goede wijn, of eenich nat
Wil tappen uyt een stinckend' vat,
Die sal voorwaar van sulcken dranck
Ontfangen weynich eer, end danck,
5
Al is hy van coluere goed,
Van rueck, end ooc van smake soet,
Nochtans om dat het vat is quaad
De guer, de smaac terstond vergaat.
Wanneer een bouf, of mensche boos
10
In handel, wandel trouweloos,
Wil spreken van de dueghd, of God,
Het heeft geen val, 'tschijnt dat hy spot,
Al zijn de woorden goed, de man
Die maact dat niemand hebben kan
15
In sulcke reden lust, of smaack,
Sijn hert besmet de goede saack.
|
|
|