Zeeusche Nachtegael


auteur: anoniem Zeeusche Nachtegael


editeur: P.J. Verkruijsse en P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse (eds.), Zeeusche Nachtegael en bijgevoegd A. vande Venne Tafereel van Sinne-mal, Drukkerij Verhage & Zoon, Middelburg, 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 191]origineel

Lof-gesang Op de geboorte onses Heeren ende Salichmakers Iesv Christi.

 
DE gene die de doot vant leven soet ontbonden,
 
En buyten het begrijp des weerelts heeft gesonden;
 
Van dat int eerste God de Water-golven diep
 
Den Hemel boven ons, de Lucht, en d'Aerde schiep;
5
En die noch houden in den kercker, hun gegeven
 
Tot wooninge van God, om hier daer in te leven:
 
Heft blijde stemmen op, en t'samen over-luyt
 
Met lof-gesangen soet, roept 'sHeeren segen uyt:
 
Om dat het jarigh wort dat huyden is geboren
10
De doot van onse doot, den Heylant uytvercoren;
 
In allen tegenspoet, en swaren overlast,
 
Ons toe-vlucht, hope, troost, en eenich steunsel vast.
 
Den omme-loop des tijts op duysent en ses hondert
 
En elve was gebracht, geen jaren uyt-ghesondert,
15
Dat op de weerelt eerst den Salichmaker quam,
 
En uyt een reyne Maeght sijn sterflick wesen nam,
 
Med'-brengend' in de hant de sleutelen van boven;
 
Dat 'shemels poorten hoogh, en grendelen ontschoven
 
Een yder stonden op, en bleven soo voortaen,
20
Voor alle die sijn leer met yver nemen aen.
 
Op huyden is een licht geschenen den verlaten,
 
Die buyten allen troost in duysternisse saten;
[p. 192]origineel
 
Verlossing aen de geen die aen de doot verkocht,
 
En die de sonde valsch had onder haer gebrocht;
25
De gene die verdwaelt vast werden om-gedreven,
 
Den onbekenden wech te kennen is gegeven;
 
Wat onder 'sweerelts pracht en sonde listich stont,
 
En wat gequollen was met sieckten ongesont;
 
Iae die van 'sHeeren wet wijt waren af-geweken,
30
En volghden openbaer 'svleesch lusten en gebreken,
 
Genesen en bekeert, zijn los en vry ghestelt,
 
Ontbonden van de doot, en 'sduyvels bang gewelt.
 
Ons vleesch met sijnen God is over een ghecomen,
 
En 'smenschen wesen heeft de Godheyt aengenomen:
35
Wt liefde tegenS ons van boven dalend' aff,
 
Om onse ziel t'ontslaen van d'hell' en d'eeuw'ge straff.
 
Den droeven boom des doots in Edens hof besloten,
 
Des levens soete vrucht heeft weder uyt-geschoten;
 
Iae selve 'tschepsel heeft sijn Schepper voort-ghebracht,
40
En ons den Heylant groot gegeven onverwacht.
 
Sie van begin hem aen: om 'smenschen groote sonden,
 
Wort commer en verdriet stracx over hem ghesonden,
 
En in een cribbe snoo, swack zijnde, neer-geleyt,
 
Ons opentlick bewijst sijn ware mensch'lickheyt;
45
En wesende gelijck in crachten God den Vader,
 
Almachtich, sonder end, Heer van ons alle gader,
 
Op dat sijn hooge macht, sijn licht en claren glants
 
'tGesicht ons niet beneem en dat verblinde gants,
 
Sijn heerlickheyt bedeckt, en onder ons gebogen,
50
Verborgen hout sijn cracht en Goddelick vermogen,
 
En niet in hoogen staet off eere voort-gebracht,
 
Gecomen is tot ons in ned'richeyt veracht.
[p. 193]origineel
 
O langh-verwachte comst! ô liefde goedertierich!
 
O grondeloose gunst, en mede-lijden vierich!
55
Wt liefde teghen ons met duysternis om-gort,
 
'tOnblusschelicke licht gantsch overtogen wort.
 
Verdonckert evenwel sijn licht ons heeft gegeven,
 
Sijn kennisse verjont, sijn leere voor-geschreven:
 
De duysternis verjaeght, gescheyden is van een,
60
En ons sijn heylich woort doen worden heeft gemeen.
 
Een Maget onbevleckt den Vader heeft vercoren,
 
Daer uyt den Sone Gods op aerden is geboren;
 
Van vleesch en bloet gelijck ons teenemael in als,
 
Genomen uyt alleen de boose sonde vals:
65
Dat door sijn weerde bloet onnooselick vergoten,
 
Den mensche van den doot, en helle straff ontsloten,
 
Geworden Godes kint, sijn vlucht om hooge nam,
 
En buyten alle vrees in 'shemels vreuchde quam.
 
Verblijde dy, ô mensch, met soete lof-gesangen,
70
Den Salichmaker groot op aerden is ontfangen;
 
Doch niet verwondert zy, off stoote dy daer aen,
 
Dat swaricheden veel hem stracx rontomme staen:
 
Sijn Goddelicke macht is daerom niet besneden,
 
Tis sijnen wil alsoo te leven hier beneden,
75
Noch heeft hy d'eygen cracht, daer med'hy d'aerde schiep,
 
De lucht om hooge trock, en 'twater tsamen riep.
 
Dat hy te vooren was voor eeuwich hy moet blijven,
 
Verandering en can sijn wesen niet beclijven;
 
Maer 'tgeen hy noyt en was te worden hy begint,
80
Geschapen als een mensch en nieu-geboren kint:
 
En evenwel blijft God, almachtich en on-endich;
 
Bedeckend' onderdruckt, behoeftich, en ellendich,
[p. 194]origineel
 
Om onser wel-vaerts wil sijn groote Majesteyt,
 
Sijn mogende gewelt, en hooge weerdicheyt:
85
Comt als een mensche swack, dat hy de doot verdrage,
 
Comt als een crachtich God, op dat hy van ons jage
 
Den Duyvel, Helle, Doot, en van haer slaverny
 
Verlosse 'smenschen ziel, ontbind' en make vry.
 
Wiens tong off stemme can uyt-spreken en verconden?
90
Wiens sinnen off verstant sou connen ondergronden
 
Sulck een genade Gods, en wonderlicke daet,
 
En sulcken hoogen werck van 'sHeeren wijsen raet?
 
De wetenschap en const, die door een diep versinnen
 
Int dichten ons verheft en eere doet gewinnen,
95
De kennis en de leer, die met een tale soet
 
Can dwingen ons verstant, en leyden ons gemoet,
 
Niet machtich is genoegh te prijsen naer behooren
 
De comste van den Christ, en Heylant uytvercooren;
 
Doch evenwel wie can voor-by dees liefde gaen,
100
En dese gunste Gods onweerdich over-slaen?
 
Een dier-gelijcke daet, en sulcken werck van wonder
 
Gevonden noyt en was, noch wesen can hier onder.
 
Een sterre voort-gebracht, een sonne voor ons heeft,
 
Een Maeght gelegen is, en ons Gods Sone geeft.
105
Hoe grondeloos, ô God, bistu in dijnen rade!
 
Hoe diep is dijn gericht! hoe groot is dijn genade!
 
Ondanckbaer is den mensch, die dese gunste niet
 
Erkent in sijn gemoet, en altijt over-siet.
 
God comt van boven aff, wort 'smenschen knecht en slave,
110
Dat hyse coope los, en vryheyt aen haer gave;
 
Wort onderworpen druck, verdriet, en armoe swaer,
 
Dat hyse make rijck en weeldich allegaer.
[p. 195]origineel
 
O Heer almachtich God, ô Coning groot van waerden,
 
Wat hebben doch verdient de menschen hier op aerden?
115
Om harent wille du dijn sone sendest aff,
 
Dat hy betalen gae de lang-verdiende straff,
 
En door sijn heylich bloet uyt-wissche de misdaden,
 
Daer met sy waren gantsch vervult en overladen,
 
En lijde veel verdriets, bespotting, ende pijn,
120
Dats' alle werden vry, en mochten salich zijn.
 
Dit's 'tongheschapen woort, dat d'aerde vast besloten
 
Heeft water-golven diep rontomme toe-gheschoten,
 
Dat d'hooge lucht verciert met menich eeuwich licht,
 
En daer de clare Maen en Son heeft aen gesticht.
125
Dit's 'tuytgedruckte beelt van Gods onsichtbaer wesen,
 
Soo dickwils in de Schrift belooft en aengewesen.
 
Dit's 'teynde van de Wet, d'af-beeldinge sijns rijcx,
 
't Merck-teycken sijner cracht, en wijsheyt desgelijcx.
 
Dit's Ioseph, die vercocht en door gewelt verdreven,
130
Is tot beschermer trouw 'tEgypsche lant gegeven,
 
En over hun gestelt, heefts' alle van den doot
 
Bevrijdet en bewaert voor swaren hongers noot.
 
Dit's Moses, die van God 'tvolck Iacobs toe-gesonden,
 
Heefts' ongeschent door 'tmeyr en 'swaters steyl afgronden
135
Opt drooge neer-gestelt, doe Pharhos groote macht
 
Met waghens en 'theel heyr in zee wiert omgebracht.
 
Sijn bloet is 'troode meyr, 'twelck af-wascht ons gebreken,
 
By Moses stercke roe sijn cruyce vergeleken
 
Sijn overwinning ons, en macht voor oogen stelt,
140
Daer met den Duyvel, Doot, en Sond' is om-gevelt.
 
Het buygt al onder hem, de stercke Vorstendommen,
 
De wallen die met cracht niet conden zijn beclommen
[p. 196]origineel
 
Gevallen zijn om leegh, en op sijn stercke stem
 
Ter aerden neer-ghestort, stracx gaven plaets voor hem;
145
En even als wel eer, doe Iosua op-getogen
 
De volck'ren Canaäns heeft onder hem gebogen;
 
De machtig' Heerschappyen, de Vorsten hooch-geducht,
 
Snel overwonnen zijn, en haestich wech-gevlucht.
 
O stercke Gedeon! ô machtichst' onder allen!
150
Wy lagen onderdruckt, en waren neer-gevallen;
 
Doch bistu t'onser troost en hulpe voor-gestelt,
 
En hebst ons vry gemaeckt van Madians gewelt.
 
Als Richter Israëls, den Samson, tot een wonder
 
Van God gegeven was, en voor-gestelt bysonder
155
Tot schrick des Philistijns, tot wel-vaert van het lant,
 
Tot hulpe van sijn volck, en haerder onderstant:
 
In desen Samson ons den Helt is aff-geschreven
 
Die 'tmenschelick geslacht tot voor-spraeck is gegeven,
 
Die van de sonde snoo wierp omme den gront-steen,
160
En 'sdoots pilaren vast aen 'tcruyce brack van een.
 
Dit's David, die voor ons in d'heyr-baen neer-getreden,
 
Des Goliaths gewelt cloeckmoedich heeft bestreden;
 
Die tegen d'oude beest, de Slang, getogen op,
 
Gekloven heeft van een, vermorselt haren cop:
165
O wonderlicken strijt! ô aengename wonden!
 
Dees overwinning ons van alle sorg ontbonden,
 
Wt 'sduyvels hant geruckt, om hoogh getogen heeft,
 
En uyt genade milt Gods eeuwich rijcke geeft.
 
Dat alle menschen dan, met stemmen op-geheven,
170
Tot lof-gesangen soet te singen sich begeven;
 
Dat yder een verheucht, met stichtelick gesanck
 
Om sijn genade God, en gunste segge danck:
[p. 197]origineel
 
Dat d'aerde vrolick zy, en d'hooge water-baren
 
Mitsgaders oock de lucht haer blijdschap openbaren,
175
Dewijle dat de doot en sonde neer-gestort,
 
En 'sduyvels bang gewelt, en macht gebroken wort:
 
Dat alles wat bewoont den vlacken schoot van d'eirde
 
Dit nieu-geboren kint met vrolickheyt aenveirde,
 
Ontfange sijnen Heer, en eenich Middelaer,
180
Omhelse sijnen troost in allerley gevaer:
 
En met een nedrich hert bepeynse sijn weldaden,
 
Legg' over sijne gunst, bedencke sijn genaden,
 
Sijns doots gedachtich zy, en lijdens bitterheyt,
 
En tot vergelding hem bewijse danckbaerheyt.
185
O wel gelukkich kint! ô Coning over-togen
 
Met swackheyt, en nochtans almachtich van vermogen,
 
Mijn heylant, toeverlaet, vertroosting, ende deucht,
 
Mijn steunsel, mijn geluck, mijn salicheyt, en vreucht;
 
Die voor ons onse schult aen 'tcruys hebst af-gesproken,
190
De sonde neer-gevelt, 'sdoots angel af-gebroken;
 
Die ons ontbonden hebst van alle slaverny,
 
En van de dienstbaerheyt des wets gewesen vry;
 
Dewijle dat om niet du bist ghecomen neder,
 
Indien wy niet in ons geboren worden weder,
195
Voor stalling neem mijn hert, voor kribbe mijn geloof,
 
En my van dijne gunst en liefde niet beroof:
 
Herboren werd' in my, dat ick dy vergeleken
 
Mach buygen mijn gemoet, en temmen mijn gebreken,
 
En ick aldus bekeert, genomen aen van dy,
200
Dijns Coning-rijcx hier nae deelachtich mede zy.
 
Canebam, & finiebam xxiije. Decemb. MDCXI.
 
I.S.M.Z.