|
|
|
| |
Gebedt op den Bid-dach.
O Eeuwich groote God, die een beangst gemoet,
En een gebroken hert (voor 'treutelende bloet
Van het geslachte vee) aen-neemt als offerhanden,
Soo dickmael als wy dat tot uwer eeren branden
5
Op 't Altaer van 'tGeloof. Siet neer, ach! siet ons aen;
Laet u bedruckte Kerck niet hulpeloos vergaen.
| | | |
De damp klimt in de lucht van veel benaude
suchten,
Die moedeloos vol moet tot uwe goetheyt vluchten.
Wie moeloos door de sond schier in der hellen sijght,
10
Die moedicht u genaed, dat hy ten hemel stijght,
En bidt, en smeect, en schreyt, en derf om bystant
vergen
Die hy niet heeft ontsien tot grimmicheyt te tergen.
Wy kennen onse schult! en vallen in ootmoedt,
Eendrachtich met berouw, u Majesteyt te voet;
15
Belijden dat niet een is onder ons gevonden,
Die niet gepropt is vol verdoemelicke sonden,
Door 'tovertreden van u wetten en gheboon,
Hebt mé-lyen met ons, om 'tlyen van u Soon.
Doet onse haters sien (die trots zijn en vermeten)
20
Dat ghy ons wel castijt, maer niet en wilt vergheten.
Laet u verdrieten dat ons herten-leet en clacht
Van hun wel spijtig, dreuts, en schamper wert belacht,
Helaes! keert u tot ons; op dat ons bitter schreyen
In vreucht verkeer, en wy met sang u lof verbreyen.
|
|
|