Zeeusche Nachtegael


auteur: anoniem Zeeusche Nachtegael


editeur: P.J. Verkruijsse en P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse (eds.), Zeeusche Nachtegael en bijgevoegd A. vande Venne Tafereel van Sinne-mal, Drukkerij Verhage & Zoon, Middelburg, 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Gebedt op den Bid-dach.

 
O Eeuwich groote God, die een beangst gemoet,
 
En een gebroken hert (voor 'treutelende bloet
 
Van het geslachte vee) aen-neemt als offerhanden,
 
Soo dickmael als wy dat tot uwer eeren branden
5
Op 't Altaer van 'tGeloof. Siet neer, ach! siet ons aen;
 
Laet u bedruckte Kerck niet hulpeloos vergaen.
[p. 210]origineel
 
De damp klimt in de lucht van veel benaude suchten,
 
Die moedeloos vol moet tot uwe goetheyt vluchten.
 
Wie moeloos door de sond schier in der hellen sijght,
10
Die moedicht u genaed, dat hy ten hemel stijght,
 
En bidt, en smeect, en schreyt, en derf om bystant vergen
 
Die hy niet heeft ontsien tot grimmicheyt te tergen.
 
Wy kennen onse schult! en vallen in ootmoedt,
 
Eendrachtich met berouw, u Majesteyt te voet;
15
Belijden dat niet een is onder ons gevonden,
 
Die niet gepropt is vol verdoemelicke sonden,
 
Door 'tovertreden van u wetten en gheboon,
 
Hebt mé-lyen met ons, om 'tlyen van u Soon.
 
Doet onse haters sien (die trots zijn en vermeten)
20
Dat ghy ons wel castijt, maer niet en wilt vergheten.
 
Laet u verdrieten dat ons herten-leet en clacht
 
Van hun wel spijtig, dreuts, en schamper wert belacht,
 
Helaes! keert u tot ons; op dat ons bitter schreyen
 
In vreucht verkeer, en wy met sang u lof verbreyen.
 
Anna Roemers.