Zeeusche Nachtegael


auteur: anoniem Zeeusche Nachtegael


editeur: P.J. Verkruijsse en P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse (eds.), Zeeusche Nachtegael en bijgevoegd A. vande Venne Tafereel van Sinne-mal, Drukkerij Verhage & Zoon, Middelburg, 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Bedenckinghe op het eerste Capittel Genesis van de scheppinghe des Weerelds.

 
ALtemet ben ick ghewent
 
Tot het nieuwe Testament,
 
Altemet soo keer ick weer
 
Tot der Ioden oude leer,
5
Om als nu en dan mijn gheeft
 
Te vermaken aldermeest.
 
Nu soo valt my in de hand
 
Moses, die God trouw bevand,
 
Daar hy schrijft, wat op een ry
10
Van ons God gheschapen zy.
 
Eerst so was het maar een klomp,
 
End' in een ghemengde romp,
 
Dysternis had d'eerd' bedeckt,
 
Op de waters was ghestreckt
15
Godes geest, die door sijn kracht
 
Al dit had uyt niet ghebracht;
 
Dit soo was de eerste stoff
 
Aller dinghen rouw, en grof,
 
Die niet eeuwich is gheweest,
20
Soomen by de Heyd'nen leest.
 
Want dat eeuwigh is, is een,
 
End ons God, end Heer alleen:
 
Oock soo is die stoff te slecht
 
Om te hebben sulcken recht:
25
Hier uyt heeft het stercke woord
 
Van ons' God doen comen voort
 
'tGeen hy van dien tijde aff
 
Wesen, end ghedaante gaf,
 
Op den eersten dagh soo is
30
Van het licht de duysternis
 
Af-gescheyden, end' de nacht
 
Teghens sijnen dagh ghebracht;
 
Siet het is volmaackt, end goed
 
Wat des Heeren Wijsheyd doet.
35
Op den tweeden dagh so sprack
 
Onse Schepper, ende strack,
 
Door het spreken van sijn mond,
 
Kreegh de weereld doe sijn rond.
 
'tFirmament werd als een kleed
40
Wt gespannen wijt, end breet,
 
End' de hemels hoogh ghestelt
 
Werden door haar loop ghemelt.
 
Siet het is volmaackt, end goed
 
Wat des Heeren Wijsheyd doet.
45
Als de derde dagh verscheen
 
Weeck de aard', end zee van een;
 
D'aard' die in de waters lag
 
Werde gansch droogh datment't sag,
[p. 213]origineel
 
Oock soo gaf de aarde uyt,
50
Loof, end gras, end alle kruyd.
 
End de boomen met haer top
 
Resen in de hooghte op.
 
Siet het is volmaackt, end goed
 
Wat des Heeren wijsheyd doet.
55
'sMorgens op den vijfden dagh
 
In de locht men vlieghen sagh
 
Al 'tgevogelt, 'twelck gevoegt
 
In een schoor, de lucht doorploegt,
 
Oock soo krield' het blauwe diep
60
Van de visschen, die God schiep
 
Van verscheyden slagh, end aard
 
Werden daar by een gepaart.
 
Siet het is volmaackt, end goed
 
Wat des Heeren wijsheyd doet.
65
Op den sesten dagh terstont
 
Op de aard' men beesten vond,
 
Met gedierten groot, end cleyn
 
Werd vervult het gansche pleyn.
 
Op het leste werd een held
70
Op, end over d'aard' ghestelt,
 
In de welcke werd gheplant
 
Reden, wijsheyd, end verstand.
 
Een ghetrocken uyt sijn sy
 
Voeghde God tot hulp hem by.
75
Siet het is volmaackt, end goet
 
Wat des Heeren wijsheyd doet.
 
Op den sevensten met lust
 
Heeft de Schepper selfs gerust,
 
Al de wercken die hy deê
80
Kreghen doen haar seghen mee.
 
Daarom sal de mensch altijd
 
Loven sijnen God verblijd,
 
Die uyt d'aard' hem heeft verwect,
 
End sijn macht wijt uyt gestrect,
85
Over al dat op het land
 
Van de Schepper was gheplant.
 
Groot soo is Gods macht alhier
 
Die uyt niet soo menigh dier,
 
Sonder arbeyd met een woord,
90
Heeft int licht doen komen voort.
 
Groot is oock de wijsheyd Gods
 
Van de welck, als op een bots
 
Menigh hondert duysent ding
 
Elck een nieuw gedaant' ontfing;
95
Oock soo is sijn goedheyd groot
 
Die vrywilligh sonder nood,
 
Met-gedeelt heeft aen de mensch
 
D'hope van sijn hoogste wensch.
 
Dit, end wat hier meer op viel
100
Dacht, end loofde mijne ziel.