|
|
|
| |
Bedenckinghe op het eerste Capittel Genesis van de
scheppinghe des Weerelds.
Tot het nieuwe Testament,
Altemet soo keer ick weer
5
Om als nu en dan mijn gheeft
Nu soo valt my in de hand
Moses, die God trouw bevand,
Daar hy schrijft, wat op een ry
10
Van ons God gheschapen zy.
Eerst so was het maar een klomp,
End' in een ghemengde romp,
Dysternis had d'eerd' bedeckt,
Op de waters was ghestreckt
15
Godes geest, die door sijn kracht
Al dit had uyt niet ghebracht;
Dit soo was de eerste stoff
Aller dinghen rouw, en grof,
Die niet eeuwich is gheweest,
20
Soomen by de Heyd'nen leest.
Want dat eeuwigh is, is een,
End ons God, end Heer alleen:
Oock soo is die stoff te slecht
Om te hebben sulcken recht:
25
Hier uyt heeft het stercke woord
Van ons' God doen comen voort
'tGeen hy van dien tijde aff
Wesen, end ghedaante gaf,
Op den eersten dagh soo is
30
Van het licht de duysternis
Af-gescheyden, end' de nacht
Teghens sijnen dagh ghebracht;
Siet het is volmaackt, end goed
Wat des Heeren Wijsheyd doet.
35
Op den tweeden dagh so sprack
Onse Schepper, ende strack,
Door het spreken van sijn mond,
Kreegh de weereld doe sijn rond.
'tFirmament werd als een kleed
40
Wt gespannen wijt, end breet,
End' de hemels hoogh ghestelt
Werden door haar loop ghemelt.
Siet het is volmaackt, end goed
Wat des Heeren Wijsheyd doet.
45
Als de derde dagh verscheen
Weeck de aard', end zee van een;
D'aard' die in de waters lag
Werde gansch droogh datment't sag,
| | | |
Oock soo gaf de aarde uyt,
50
Loof, end gras, end alle kruyd.
End de boomen met haer top
Siet het is volmaackt, end goed
Wat des Heeren wijsheyd doet.
55
'sMorgens op den vijfden dagh
In de locht men vlieghen sagh
Al 'tgevogelt, 'twelck gevoegt
In een schoor, de lucht doorploegt,
Oock soo krield' het blauwe diep
60
Van de visschen, die God schiep
Van verscheyden slagh, end aard
Werden daar by een gepaart.
Siet het is volmaackt, end goed
Wat des Heeren wijsheyd doet.
65
Op den sesten dagh terstont
Op de aard' men beesten vond,
Met gedierten groot, end cleyn
Werd vervult het gansche pleyn.
Op het leste werd een held
70
Op, end over d'aard' ghestelt,
In de welcke werd gheplant
Reden, wijsheyd, end verstand.
Een ghetrocken uyt sijn sy
Voeghde God tot hulp hem by.
75
Siet het is volmaackt, end goet
Wat des Heeren wijsheyd doet.
Op den sevensten met lust
Heeft de Schepper selfs gerust,
80
Kreghen doen haar seghen mee.
Daarom sal de mensch altijd
Loven sijnen God verblijd,
Die uyt d'aard' hem heeft verwect,
End sijn macht wijt uyt gestrect,
Van de Schepper was gheplant.
Groot soo is Gods macht alhier
Die uyt niet soo menigh dier,
Sonder arbeyd met een woord,
90
Heeft int licht doen komen voort.
Groot is oock de wijsheyd Gods
Van de welck, als op een bots
Menigh hondert duysent ding
Elck een nieuw gedaant' ontfing;
95
Oock soo is sijn goedheyd groot
Die vrywilligh sonder nood,
Met-gedeelt heeft aen de mensch
D'hope van sijn hoogste wensch.
Dit, end wat hier meer op viel
100
Dacht, end loofde mijne ziel.
|
|
|