|
|
|
| | | | | |
Non tibi tantum natus es, sed & proximo.
AL 'tghene dat ghy sult oyt nemen by der hand,
Al waar't oock met uw schaad, hebt daar in altijd voren
De eere uwes Gods, end sijnen naam besworen,
Waar toe een Christen hert soo vierigh hoopt, end brand.
5
Let op uw eyghe ziel, end als ghy hebt vermant
De helle, dood, end vleesch, dan zijt ghy oock gheboren
Tot uwen even-mensch, end tot sijn heyl vercoren;
Hoe heyligh is dit werck, end hoe volkome band!
De vrucht nu die ghy sult becomen uyt dit werck,
10
Is 'teynde uw's gheloofs, een vast, end seker merck
Van uwe trouwe liefd', dit laat altijd bevolen
De goedheyd uwes Gods, end sijnen woorde sterck,
En stelt hem nimmermeer hier in een seker perck,
De Heere laat noyt goed, of sijne vrucht verholen.
|
|
|