|
|
|
| |
| | | |
De Arion-sonnetten van Hooft en Huygens uit 1621*
Tineke L. ter Meer
1. Inleiding
Eén van de drie sonnetten die Hooft in januari 1621 voor Constantijn Huygens schreef, is ‘Behouden rejs’, waarin Huygens een voorspoedige overtocht naar Engeland wordt toegewenst. De Haagse dichter zou namelijk diezelfde maand naar Engeland vertrekken als secretaris van een gezantschap. Jacob Smit merkt in zijn biografie van Huygens terloops op, dat het sonnet van Hooft een propemptikon is.1. Met deze term duidt men een gedicht aan waarmee iemand die een zeereis gaat maken, uitgeleide gedaan wordt. ‘Propemptikon’ kan men vertalen met ‘uitgeleidegedicht’.
In het navolgende komt eerst Hoofts ‘Behouden rejs’ aan de orde, gezien tegen de achtergrond van de zojuist genoemde soort gelegenheidspoëzie. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan het verband tussen Hoofts sonnet en een uitgeleidegedicht van Daniël Heinsius. Hierop volgt een bespreking van Huygens' reactie, een sonnet dat dezelfde rijmwoorden heeft als ‘Behouden rejs’. Daarna ga ik in op een eerder gegeven interpretatie van de beide gedichten.
| |
2. Hoofts ‘Behouden rejs’ als propemptikon
De tekst van Hooft waar het om gaat, luidt naar zijn handschrift:
| |
Behouden rejs
Aen Heer Constantijn Huighens naer Engelandt.
Trompetter van Neptuin, heb jck op v een beê?
Rond met de wangen, en te wercke legt de longen;
Op dat te stijver aem ten hooren wtgewrongen
Doe luistren weêr en windt: En kundight over zee,
Wt vwes Coninx naem, soo trouwe vaste vreê,
Als wordt geviert, wanneer d' IJsvoghel is in 't jongen.
Sijn volck, Oost wtgeseidt, houde' Aeol al bedwongen,
Soo lang tot Huighens heb besejlt gewenschte reê.
Oft draelt ghij, en wilt eerst vw' meester oorlof vraeghen?
Geen noodt oock. Schipbreck kan Arion niet vertzaeghen
Dien de Delfijn, als 't nauwt, moet dienen tot een schujt.
| | | |
Sijn sang sal baeren bats en lujtruftighe bujen
Licht tegens eighen aerdt van toghten woest oprujen,
En maecken zeedigh zee en stormen, met sijn lujt. 2.
Van de tekst zijn, behalve de hierboven weergegeven autograaf, twee afschriften bewaard in de hand van Huygens. Het eerste staat op een blad dat zich onder signatuur G.e.9 in de U.B. te Amsterdam bevindt.3. Bovenaan zette Huygens: ‘Copie’. Op de andere zijde van het blad schreef hij zijn antwoordsonnet, zonder correcties of open varianten. Het blad is klein opgevouwen geweest. Dit kan het handschrift zijn dat Huygens uit Londen aan zijn ouders zond (zie p. 30). Het tweede afschrift bevindt zich in de K.B. te Den Haag onder signatuur K.A. XLa. Het gaat om een handschrift dat ook het antwoordsonnet bevat en dat als kopij gediend heeft voor Huygens' Otia (1625).4. In deze bundel werd ‘Behouden rejs’ voor de eerste maal gedrukt, samen met het antwoordsonnet.5. Van de latere uitgaven noem ik alleen nog Hoofts Gedichten uit 1636.6. De tekst van de beide sonnetten in deze laatste uitgave gaat waarschijnlijk terug op de Otia.7. De twee afschriften en de genoemde drukken wijken steeds alle vier op een aantal punten af van de
hierboven gegeven tekst. De latere redacties hebben alle vier bijvoorbeeld komma's in vs. 13 na ‘Licht’ en ‘woest’, waardoor de syntactische structuur van het vers beter uitkomt.
Ik ga nu over naar de inhoud van het gedicht.8. In het octaaf vraagt de dichter Triton, de heraut van Neptunus, er zorg voor te dragen, dat de zee kalm is tijdens Huygens' overtocht. Het sextet brengt de wending (volta): mocht Triton aarzelen en eerst willen overleggen met de zeegod in wiens dienst hij staat, welnu, dan is er nog niets aan de hand. Voor schipbreuk hoeft Huygens immers niet bang te zijn, die in dat geval net als Arion gered zal worden door een dolfijn. Hij zal zonder problemen de zee en de winden beheersen met zijn zang en luitspel.
Arion is een legendarische zanger uit de Griekse oudheid, die tijdens een zeereis op wonderbaarlijke wijze aan de dood ontsnapte. De bemanning van het schip waarmee hij voer, was uit op zijn bezittingen en wilde hem uit de weg ruimen. Hij kreeg toestemming om voor zijn dood nog één lied te zingen. Toen hij dat gedaan had, sprong hij in zee, waarop een dolfijn, die door de liefelijke zang naar het schip was gelokt, hem van de verdrinkingsdood redde. Op de rug van de dolfijn bereikte hij veilig de kust.9.
Bekijken we nu Hoofts gedicht tegen de achtergrond van het klassieke propemptikon. Het uitgeleidegedicht is niet gebonden aan een bepaalde vorm. We rekenen een tekst tot de propemptika op grond van de thematiek en het voorkomen van enkele vaste motieven, niet op grond van bepaalde vormkenmerken. De teksten die als uitgeleidegedichten te boek staan, kunnen dan ook grote verschillen in vorm en omvang vertonen.10.
Een essentieel onderdeel van het klassieke uitgeleidegedicht is de bede tot de goden en godinnen van de zee en tot de god van de winden, Aeolus. Van hen hangt immers in grote mate het verloop van een zeereis af. Een dergelijke bede treffen we bijvoorbeeld aan in Horatius' ode 1,3, een propemptikon voor Vergilius, geschreven toen deze een reis naar Griekenland ging maken. De dichter
| | | | vraagt Venus, de uit de zee geborene, voorts de Dioskuren, beschermers van de zeevaarders, en ook Aeolus, zich over het schip te ontfermen, opdat Vergilius veilig de kust van Attica zal bereiken (vss. 1-8). Het verzoek aan de god van de winden dienen we nader te bekijken. Horatius spreekt de wens uit, dat Aeolus het schip zal leiden, ‘obstrictis aliis praeter Iapyga’, d.i. terwijl hij alle andere winden dan de noordwestenwind (nodig om van Italië naar Griekenland over te steken) tegenhoudt. Dit motief komt vaker voor in het klassieke propemptikon.11. Ook Hooft spreekt de wens uit, dat Aeolus alle winden zal tegenhouden, behalve de wind die de reiziger nodig heeft (vs. 7).
Mogelijk heeft Hooft het idee, in zijn gedicht het motief van de ijsvogel te gebruiken, eveneens ontleend aan een klassiek uitgeleidegedicht.12. Ik denk aan het lied van Lycidas uit Theocritus' zevende idylle (vss. 52-89). In dit lied, dat ook in de zeventiende eeuw als een propemptikon werd beschouwd, wordt gezegd dat de ijsvogels tijdens de overtocht voor een kalme zee zullen zorgen.13.
Het besproken type gelegenheidsgedicht kan Hooft, behalve uit de klassieke literatuur, gekend hebben uit een theoretisch werk als Scaligers Poetices libri septem14. en verder uit de eigentijdse literatuur. Of er in de zeventiende eeuw nog andere propemptika in het Nederlands zijn geschreven, weet ik niet.14a. Wel is bekend, dat het genre in de Duitse literatuur van die tijd voorkomt.15. Verder weten we dat het gebruikelijk was bij de zestiende-eeuwse Duitse dichters van Neolatijnse poëzie.16. Ook bij onze Neolatijnse dichters zal het uitgeleidegedicht bekend zijn geweest. Op z'n minst één van hen heeft het genre beoefend: Daniël Heinsius. Hij schreef een propemptikon voor Fredericus Sandius.17.
Er is nog een ander gedicht van Heinsius, waarvan het opschrift weliswaar niet de term propemptikon bevat, maar dat we vanwege de inhoud toch als een uitgeleidegedicht kunnen beschouwen. Op dat gedicht dien ik nader in te gaan, omdat het waarschijnlijk een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van ‘Behouden rejs’. Het gaat om elegie 1,2 uit de bundel Elegiarum libri III uit 1603.18. Heinsius schreef deze elegie naar aanleiding van het vertrek van de Franse gezant Paul Choart de Buzenval.19. Ik geef een samenvatting van de vss. 19-56. De sprekende persoon is Heinsius.
Choartus, je kunt niet zonder Heinsius gaan! Wie wil niet, dat hem een dichter begeleidt? Dergelijke mensen kunnen veel gedaan krijgen! De wateren zullen zich gewonnen geven en zich richten naar mijn zang. Samen met Triton zal ik zingen. De Nereïden (zeegodinnen) zullen onder de bekoring van onze liederen raken, evenals Zephyrus (de westenwind) - een briesje, precies goed, zal je schip voortbewegen. Bedenk dat het door de zang van Orpheus was, dat de Argo van stapel liep!20. (vss. 19-46)
Ook al zou ik in de golven terechtkomen en zouden de wateren meedogenloos op mij afstromen - ik zal veilig zijn. Dolfijnen zullen komen en mij gewillig op hun rug nemen; liederen zullen hun vaarloon zijn. Dan zal ik een levend schip hebben, hoe ongelofelijk! Arion laat zien dat dit niet onmogelijk is.21. Als de mensen het niet kunnen, zullen de vissen op mijn zang afkomen. (vss. 47-56)
| | | |
We zien, dat hier niet de persoon die uitgeleide gedaan wordt centraal staat, maar de dichter zelf. Zoals vaak in zijn elegieën wil Heinsius hier het goed recht van zijn dichterschap aantonen. Dit is een belangrijk verschil met Hoofts sonnet. Het verschil wordt vooral duidelijk, wanneer we nagaan wat de dichters met het Arion-verhaal doen. Heinsius gebruikt de Arion-mythe in verband met zijn eigen dichterschap; bij Hooft daarentegen gaat het om de hoedanigheid van de persoon voor wie het propemptikon bestemd is. Ook de houding jegens Triton verschilt: Heinsius stelt zich voor hoe hij, de gelijke van Triton, de zee en de winden met zijn zang zal beheersen, terwijl Hooft de boodschapper van Neptunus voorzichtig om een gunst vraagt, ten behoeve van Huygens.
Toch is er voldoende aanleiding de twee teksten met elkaar in verband te brengen. In de eerste plaats voeren beide dichters, in hetzelfde type gedicht, achtereenvolgens de heraut van Neptunus en Arion ten tonele. Dit is des te opmerkelijker, omdat deze twee figuren niet in het klassieke propemptikon voorkomen. In de tweede plaats brengen zowel Hooft als Heinsius de wonderbaarlijke redding van Arion in verband met schipbreuk, terwijl daar in het oorspronkelijke verhaal geen sprake van is (Arion leed geen schipbreuk, maar werd bedreigd door rovers). Ten derde is er het beeld van de dichter die de zee en de winden gunstig stemt met zijn lied. Het vierde, tevens belangrijkste punt van overeenkomst betreft de opbouw van de gedachtengang. Op het Triton-gedeelte volgt in beide propemptika de volgende redenering. Als het op schipbreuk uitloopt, dan nog geen nood. De persoon om wie het gaat (Heinsius/Huygens) is immers dichter en zal net als Arion door de dolfijnen gered worden. In beide uitgeleidegedichten vormt het gedeelte waarin naar de Arion-mythe verwezen wordt, een climax ten opzichte van het voorafgaande. We vinden in Heinsius' elegie reeds de wending uit Hoofts sonnet. Ik veronderstel, dat Hooft het gedicht van Heinsius gekend heeft en er bij het schrijven van zijn propemptikon voor Huygens door beïnvloed is.
Hooft maakte de Haagse dichter en musicus geen gering compliment door hem met Arion te vergelijken. Wat was zijn reactie?
| |
3. Huygens' antwoord
Huygens kwam op 30 januari 1621 in Engeland aan. Pas op 14 maart had hij het sonnet gereed waarmee hij Hoofts uitgeleidegedicht beantwoordde. Hij krijgt de tijd niet om te dichten, zo verontschuldigt hij zich in de brief die hij enkele dagen daarna aan zijn ouders zendt en waarbij hij een afschrift van Hoofts sonnet, gevolgd door het antwoordgedicht, insluit (vgl. p. 28). Uit diezelfde brief weten we, dat hij ‘Behouden rejs’ als een uitdaging zag.22.
Het gedicht waarmee Huygens op de uitdaging inging, is een sonnet met dezelfde rijmwoorden als ‘Behouden rejs’. Een dergelijke reactie kon Hooft min of meer verwachten. Korte tijd ervoor had Huygens namelijk eveneens op deze wijze gereageerd op Hoofts sonnet ‘Men voede’ Achilles op, met mergh wt leeuweschoncken’, dat, zoals bekend is, het begin vormt van een hele reeks sonnet- | | | | ten, alle met dezelfde rijmwoorden (de zgn. schonckensonnetten).23.
Van Huygens' sonnet zijn drie autografen bewaard. Hieronder geef ik de tekst naar de uitgave van De gedichten door Worp, die het handschrift volgde dat zich nu onder signatuur 28 C 3 in de U.B. te Amsterdam bevindt. Bij de open varianten is telkens gekozen voor de versie die de dichter het laatst opgeschreven heeft.24. Over de twee andere autografen sprak ik reeds in verband met ‘Behouden rejs’. Huygens' sonnet is steeds in combinatie met dat van Hooft gedrukt, voor het eerst in de Otia van 1625.
Des heeren P.C. Hoofts Arions-trotz.
Arions Zwanen-treur, en doot-bereyde beê,
Het uyterste gepooch van syn geleerde longhen,
Heeft het hem 'tleven oock den Rooveren ontwrongen?
Neen. Een beleefder Vissch ontvoerden hem de zee.
Hoe? by de menschen Vrees, en by de beesten Vree?
Fij, grijse loghen-eeuw: Comt, leert het bij de jonghen,
Wie Water, Windt en Weer al singhend' heeft bedwonghen,
Tot syn gescheepte Vriendt beseylde land en ree.
Ick gheve vol bescheyt op 'tongeloovich vraghen,
Ick, Thetis toren laest, der Schipperen vertzaghen,
Ontswommen, op de kiel van Hoofts bewenschte schuyt.
Corinthen hoort; en wijckt. Noord-westelijcker buyen
Te dempen met een woordt, Zuyd-Ooster op te ruyen,
Dat can een Hollandts liedt, meer als een Griecksche luyt.
Londini, Prid. Id. (14) Mart.
Het opschrift van het sonnet vat ik aldus op: Arion naar de kroon gestoken door Hooft. Het substantief ‘trotz’ heeft een subjectsgenitief bij zich (‘Des Heeren P.C. Hoofts’) en een objectsgenitief (‘Arions-’).25. Het gedicht zelf kan als volgt geparafraseerd worden.26. Arions zwanezang (zijn laatste lied voordat hij in zee sprong; vgl. p. 28) had op de rovers geen enkel effect. Ze hadden geen medelijden met hem, hoe mooi hij ook zong. Een vis toonde meer ‘menselijkheid’ en redde hem van de verdrinkingsdood. De mensen waren dus gevaarlijk voor hem en de beesten vriendelijk.27. Wat een onlogisch geheel! Echt een verhaal uit een verre tijd toen men van alles verzon. Laat die oude tijd liever luisteren naar een verhaal uit déze tijd als het gaat om de bijzondere krachten van dichters.28. Ik zal het vertellen, ik, die onlangs een probleemloze overtocht naar Engeland had, omdat Hooft mijn schip uitgeleide gedaan had (met zijn propemptikon). Corinthiërs, waarom zijn jullie zo trots op Arion? Meer dan Grieks luitspel is een Hollands lied (Hoofts ‘Behouden
rejs’) in staat, de goede wind op te roepen en de andere tegen
te houden. - De kern van Huygens' repliek is dus, dat we aan de Arion-mythe geen waarde moeten hechten. Hij stelt er een ander verhaal voor in de plaats: het verhaal over Hooft die met een gedicht ervoor gezorgd heeft, dat hij een goede overtocht naar Engeland had.
Hoe origineel Huygens' kritiek op het Arion-verhaal ook lijkt, zij is niet nieuw. De dichter heeft niet willen verrassen met een ongebruikelijke kijk op dit
| | | | verhaal - hij heeft teruggegrepen op de literaire traditie, net zoals Hooft dat in ‘Behouden rejs’ gedaan had. Het tegengestelde gedrag van de rovers en de vis (vss. 3-4) of, algemener geformuleerd, van de mensen en de beesten (vs. 5), wekte namelijk reeds in de oudheid verbazing. Dit blijkt uit twee Griekse epigrammen over Arion. De pointe van het ene epigram luidt: ‘Bevat de zee dan vissen die billijker zijn dan mensen?’ In het andere trekt Arion deze conclusie uit wat hem overkomen is: ‘We worden gedood door mensen, gered door vissen’.29.
Het is mogelijk, dat Huygens (één van) deze twee epigrammen gekend heeft en in zijn antwoordsonnet verwerkt heeft. Een andere mogelijkheid is, dat de dichter gebruik gemaakt heeft van een emblema van Alciato dat teruggaat op de beide zojuist aangeduide epigrammen. De vss. 3-4 van het in het Latijn gestelde onderschrift van dit emblema luiden in vertaling: ‘Een wild beest is niet zo wreed als een hebzuchtig mens: immers, wij, die door mensen van onze vrijheid worden beroofd, worden door vissen gered’.30.
De uitleg van het Arion-verhaal die hierdoor gekenmerkt wordt, dat de nadruk valt op de tegengestelde reacties van de rovers en de vissen op de zang van Arion, vinden we ook in de Mikrokosmos van Haechtanus (1e dr. 1579). Dit werk bevat een emblema waarvan het onderschrift een amplificatio is van de tekst bij Alciato.31. Dit is dus een derde mogelijke bron van wat een belangrijk bestanddeel van Huygens' repliek genoemd mag worden.
Ik dien nog een opmerking te maken over de windrichtingen genoemd in vss. 12-13. Huygens zegt, dat hij de overtocht gemaakt heeft met een wind uit het zuidoosten. Had dit niet het noordoosten moeten zijn, gezien de ligging van Londen ten opzichte van ons land? Eenzelfde verschuiving in de windrichting komt ook elders bij Huygens voor, wellicht onder invloed van kaarten waarop de kust van Holland voorgesteld is als een lijn die van links naar rechts loopt, als een ‘oost-west’-lijn.32. Het handschrift waarnaar Worp de tekst geeft (zie p. 30), had overigens in vs. 12 eerst ‘Zuyd’. De dichter heeft er direct ‘Noord’ over heen geschreven. Misschien speelde ook mee, dat ‘Noord’ in vs. 13 binnenrijm zou veroorzaken.
We kunnen stellen, dat Huygens' sonnet - waarvan de rijmwoorden van te voren vaststonden! - een hoffelijk antwoord is, waarin recht gedaan wordt aan alle facetten van ‘Behouden rejs’. Het propemptikon-element neemt Huygens op door Hooft te laten weten, dat hij inderdaad een goede overtocht had. Met het Arion-motief manipuleert hij zo, dat er een compliment voor Hooft uitkomt. Adequaat is het antwoord ook hierom, dat het, net als ‘Behouden rejs’, de geadresseerde het genoegen van de herkenning gegeven zal hebben. Huygens zinspeelt immers op een bekende uitleg van het Arion-verhaal. Dergelijke allusies maken voor een niet onaanzienlijk deel de charme van deze poëzie uit.
| |
4. Arion-Amphion
Marijke Spies bespreekt in haar artikel ‘Arion-Amphion: Huygens en Hooft in de stormen van 1621-1622’ onder meer Hoofts ‘Behouden rejs’ en het antwoord
| | | | van Huygens.33. Volgens haar dienen we de stormen op zee waar de dichters over spreken, niet letterlijk op te vatten. Ze zouden een beeld zijn voor de niet optimale verhouding tussen de Republiek en Engeland in de tijd rond de afloop van het Twaalfjarig Bestand. Koning Jacobus I van Engeland betoonde zich in die jaren steeds minder een tegenstander van Spanje. Het gezantschap dat in januari 1621 met Huygens als secretaris naar Engeland vertrok, had de opdracht de koning aan te sporen tot hulp aan de protestanten in Duitsland. De besprekingen liepen op niets uit. Op 5 december van hetzelfde jaar probeerde een tweede gezantschap de Engelse koning tot minder Spaansgezinde gedachten te brengen. Ook toen reisde Huygens mee als secretaris. Een belemmerende factor bij de onderhandelingen was het optreden van de V.O.C., die bezig was met krachtige hand haar positie in het Verre Oosten te versterken, ten koste van de Engelsen. In het begin van 1623 keerde men terug, zonder iets bereikt te hebben.34.
Hooft zegt in de vss. 12-14, dat Huygens in staat is de stormen en de woeste zee te kalmeren. Volgens mevr. Spies wil de dichter daarmee zeggen, dat Huygens in staat is de geschilpunten tussen de Republiek en Engeland weg te nemen. Huygens antwoordt, dat Hooft degene is die de stormen bedwongen heeft. Daarmee zou hij bedoelen, dat niet hij, maar Hooft een gunstige invloed op het verloop van de onderhandelingen met Engeland heeft gehad.
Deze interpretatie vindt naar mijn mening geen steun in de teksten. Alle elementen van Hoofts sonnet laten zich probleemloos verklaren wanneer we het als een propemptikon opvatten. Hooft heeft bewust een dergelijk gedicht willen schrijven. Hij spreekt over de gevaren van de zee die de reiziger zal moeten trotseren, omdat het genre dat vereist. We hoeven daar verder niets achter te zoeken. Er is niets in het gedicht te vinden dat daartoe aanleiding geeft. Ook het gebruik van het Arion-motief mag geen aanleiding zijn tot het veronderstellen van een tweede betekenislaag. Arion komt, net als Orpheus, in allerlei teksten voor; bovendien had niemand minder dan Daniël Heinsius het Arion-verhaal al eens in een propemptikon verwerkt.
Evenmin als het gedicht van Hooft, bevat Huygens' antwoordsonnet iets wat wijst op een figuurlijke betekenis. Ook mevr. Spies noemt geen elementen uit de sonnetten zelf ter ondersteuning van haar interpretatie. Zij baseert zich op andere teksten, o.a. een gedicht van Huygens, gedateerd 15 mei 1622. Het is de rijmbrief aan Anna en Tesselschade Visscher en Hooft, die begint met ‘Van over 't Noorder Nauw’.35. Op de interpretatie van deze tekst wil ik nog even ingaan. Huygens schreef het gedicht, toen hij voor de tweede keer als gezantschapssecretaris in Engeland was (zie boven). Uit het gedicht spreekt voortdurend Huygens' verlangen, weer thuis te zijn. In de vss. 90-108 verzoekt hij zijn kennissen, die vanwege hun zang- en dichtkunst over dezelfde krachten als Orpheus beschikken, ervoor zorg te dragen, dat de god van de winden, de god van de zee en de god van de oorlog hem op zijn terugreis gunstig gezind zijn. Orpheus is, net als Arion en Amphion, een zanger uit de Griekse oudheid, die met zijn liederen alles en iedereen in zijn ban kon krijgen. In de vss. 93-95 wijst Huygens erop, dat Orpheus zelfs op de goden van de onderwereld invloed had. Het moet dus - zo redeneert hij - voor mensen die over ‘Orpheus-lycke macht’ be- | | | | schikken, een kleinigheid zijn, Aeolus, Neptunus en Mars te vermurwen. Dezen behoren immers niet tot de grimmige goden van de onderwereld, maar tot ‘de milder Goden-schaer Van't hoogh’ en middel-huys’, d.w.z. de vriendelijker goden van de hemel en de aarde.36. ‘'t hoogh’ en middel-huys’ is wel
geïnterpreteerd als het Engelse Hoger-
en Lagerhuis.37. De directe context sluit deze betekenis echter uit. Wel is het mogelijk, dat de dichter hier spelenderwijs zijn formulering gemodelleerd heeft naar de benamingen van de beide delen van het Engelse parlement. Of heeft hij misschien gedacht aan een formulering als ‘superas deorum domos’ (het hoge huis der goden; Ovidius. Metamorphoses, 4, 735-736)? Bij de afweging moet het handschrift van de brief betrokken worden (K.B., sign. K.A. XLa), waaruit blijkt dat Huygens eerst opgeschreven had: ‘de milder Goden-schaer Van 's hemels opperhuys’.
Tot vs. 109 laat Huygens in zijn dichtbrief het onderwerp van de besprekingen met Engeland geheel buiten beschouwing. Pas aan het slot van het gedicht, in de vss. 109-116, komt de kwestie ter sprake waar het bij de onderhandelingen om ging. Huygens vraagt dan namelijk, of de drie geadresseerden de Engelse koning niet kunnen verleiden tot een agressiever houding tegen Spanje. Koning Jacobus is in deze kwestie even onvermurwbaar als een stuk staal, even bewegingloos als een rots, kortom, een passend object voor de drie aangesproken personen, die immers hun musische krachten kunnen aanwenden! Hun roem zal groter zijn dan die van Amphion (die met zijn lierspel stenen verplaatst had), als het hun lukt dat staal te vermurwen, die rots in beweging te brengen! Dit is toch niet een verzoek aan de beide dochters van Roemer Visscher en aan Hooft, zich daadwerkelijk met de zaken van het gezantschap in te laten.38. Het is veeleer een schertsende verzuchting: jullie zijn toch zangers - als jullie met de koning nu eens hetzelfde deden als Orpheus met de rotsen! Dezelfde manier van zeggen vinden we in een briefje uit 1632 van Hooft aan Tesselschade met als onderwerp het weer. Hooft, die naar de zon verlangt, schrijft (ik parafraseer): ‘Ze zeggen dat je toveren kunt. Spreek toch eens een toverformule uit en geef het weer een ander aanzien. Dan doe je meer dan de tovenares Circe!’39.
In de gedichten die Hooft en Huygens in de jaren 1621-1623 uitwisselden, is niets te vinden waaruit blijkt dat Hooft zich met de onderhandelingen beziggehouden heeft. Hetzelfde geldt voor de correspondentie van Hooft uit die jaren, voor zover deze bewaard is. Wel had Hooft in die tijd schriftelijk contact met Jacob van Wijngaerden en Albertus Bruijningh, leden van het gezantschap dat begin 1621 in Engeland was, en met Dirck Bas, lid van de tweede buitengewone ambassade die de Republiek dat jaar naar Engeland zond. De brieven betreffen echter niet het staatsbelang, maar een privé-kwestie. Hooft had een grote som geld uitstaan in Engeland. Vergeefs probeert hij via de afgevaardigden dit geld met de verschuldigde rente terug te krijgen. Ook met Huygens heeft hij hierover contact gehad.40.
| |
| | | |
5. Besluit
In ‘Behouden rejs’ gaf Hooft enerzijds blijk van zijn gevoelens van vriendschap voor Huygens, anderzijds van zijn bekendheid met de literaire traditie. Huygens vatte het gedicht op als een uitdaging. Bij het beantwoorden ervan had hij, evenals bij de schonckensonnetten, de gelegenheid, zich als een vindingrijk dichter te doen kennen. We moeten achter deze gedichten niet te veel zoeken; we mogen er althans niet uit afleiden, dat Hooft invloed gehad heeft op de onderhandelingen die de Republiek in die jaren voerde met Engeland. Wat vooral opvalt in de beide sonnetten is de trefzekerheid waarmee de dichters hun keuze doen uit hetgeen de literaire traditie hun te bieden heeft. Het is hierin, dat het belang van deze poëzie is gelegen. |
*Prof. dr. L. Strengholt dank ik hartelijk voor zijn opmerkingen bij een eerdere versie van deze tekst.
1.Jacob Smit. De grootmeester van woord- en snarenspel. Het leven van Constantijn Huygens. 's-Gravenhage 1980, pp. 85 en 88.
2.De transcriptie is ontleend aan: P.C. Hooft. Sonnetten. Reden vande Waerdicheit der Poesie. Uitg. door P. Tuynman. Amsterdam 1971, p. 36.
3.Vgl. P. Tuynman. Bijdragen tot de P.C. Hooft-filologie. [Z.pl.] 1973 (diss. G.U. Amsterdam), p. 28.
4.Naar dit afschrift is ‘Behouden rejs’ afgedrukt in: Constantijn Huygens. De gedichten. Naar zijn handschrift uitgegeven door J.A. Worp. Dl. 1. Groningen 1892, p. 201.
5.Vgl. P.C. Hooft. Alle de gedrukte werken 1611-1738. Onder redactie van W. Hellinga en P. Tuynman. Dl. 1. Amsterdam 1972, pp. 299-300.
6.Agw dl. 3, p. 238. Voor de latere uitgaven zie: P. Leendertz Jr. Bibliographie der werken van P.C. Hooft. 's-Gravenhage 1931, p. 59.
7.Damsteegt vermoedt hetzelfde t.a.v. de zgn. schonckensonnetten. Zie B.C. Damsteegt. ‘De schonckensonnetten.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 96
(1980), pp. 101-132 (115 n. 31).
8.Voor annotaties zie o.m.: Uit Hoofs lyriek. Verzameld en toegelicht door C.A. Zaalberg. 5e herz. dr. Den Haag 1981, p. 74. Een korte bespreking van het sonnet geeft Theod. Jorissen. Constantin Huygens. Studiën. Arnhem 1871, p. 69.
9.Der kleine Pauly. Lexikon der Antike. Hrsg. von Konrat Ziegler und Walther Sontheimer. 5 dln. München 1979, s.v. Arion.
10.Voorbeelden van propemptika: Hor. c. 1,3; Stat. silv. 3,2; Prop. 1,8; Ov. am. 2,11. Over het type gedicht zie o.m.: Der kleine Pauly s.v. propemptikon; Felix Jäger. Das antike Propemptikon und das 17. Gedicht des Paulinus von Nola. Rosenheim 1913 (diss. München); Kenneth Quinn. ‘Persistence of a theme: the propempticon.’ In: idem. Latin explorations. Critical studies in Roman literature. London 1963, pp. 239-273; Woldemar Görler. ‘Ovids Propemptikon (Amores 2,11).’ In: Hermes 93 (1965), pp. 338-347; R.G.M. Nisbet en Margaret Hubbard. A commentary on Horace: Odes book 1. Oxford 1970, pp. 40-58 (over c. 1,3); Francis Cairns. Generic composition in Greek and Roman poetry. Edinburgh 1972 (zie de registers).
11.Zie bijv.: Görler. ‘Ovids Propemptikon’, pp. 340-341.
12.Voor het motief van de ijsvogel los van het propemptikon is verwezen naar Ovidius, Plinius en Montaigne. Zie: P.C. Hooft. Gedichten. Volledige uitgave door F.A. Stoett. 2e, herz. en verm. dr. van de uitgave van P. Leendertz Wz. Dl. 1. Amsterdam 1899, p. 170; J.C. de Haan. Studiën over de Romeinsche elementen in Hooft's niet-dramatische poëzie. Santpoort 1923 (diss. Groningen), p. 80; Fokke Veenstra. Bijdrage tot de kennis van de invloeden op Hooft. Assen [1946] (diss. Groningen), p. 119.
13.Jäger. Das antike Propemptikon, p. 7; Theocritus. Edited with a translation and commentary by A.S.F. Gow. 2 dln. Cambridge 1965. Dl. 1, pp. 58-63 en dl. 2, pp. 145-154. Daniël Heinsius noemt het leid van Lycidas een propemptikon in zijn uitgave van: Theocriti, Moschi, Bionis, Simmii quae extant [...]. Ex Bibliopolio Commeliniano, 1604 (ex. UBA 1717 D 11 2), pp. 341 en 342.
14.Julius Caesar Scaliger. Poetices libri septem. Faksimile-Neudruck der Ausgabe von Lyon 1561 mit einer Einleitung von August Buck. Stuttgart [enz.] 1964, pp. 156-157.
14a.Drs.W. Vermeer maakte mij na de lezing erop attent, dat Den Nederduytschen Helicon enkele gedichten bevat die mogelijk in verband staan met het besproken genre. Dankzij zijn opmerking kan ik de volgende aanvulling geven. In de genoemde bundel (Ghedruckt tot Alckmaer, by Jacob de Meester, voor Passchier van Westbusch, boeckvercooper, in den beslaghen Bybel, tot Haerlem. 1610 (ex. UBVU XH.05528.-)) bevinden zich op pp. 224-227 twee liederen, geïntroduceerd als ‘twee lievelijcke Oorlof Liedekens, de welcke twee kloecke Dichters hunnen goetjonstighen vriendt (buyten lande varende) tot eere, vermaeck, goetwenschinghe, ende betooninghe van vriendelijcke toegheneghentheyt, gemaeckt hadden’. Zij vertonen duidelijk de trekken van het propemptikon. Het eerste lied is een aaneenschakeling van gebeden, o.a. gericht tot Neptunus, Aeolus, Triton en de zeenimfen. Dezelfde personages komen voor in het tweede lied, dat voorts Oceanus, Nereus en Arion (!) noemt. Blijkens vs. 3 van deze tekst gaat de reis ‘Tot Moluca waert’. Er volgt nog een 7-regelig gedichtje over dezelfde reis (pp. 227-228).
15.Wilfried Barner. Barockrhetorik. Untersuchungen zu ihren geschichtlichen Grundlagen. Tübingen 1970, pp. 68-70. Vgl. Wulf Segebrecht. Das
Gelegenheitsgedicht. Ein Beitrag zur Geschichte und Poetik der deutschen
Lyrik. Stuttgart 1977, pp. 99-100.
16.Georg Ellinger. Geschichte der neulateinischen Literatur Deutschlands im sechzehnten Jahrhundert. 3 dln. Berlin [enz.] 1929-1933 (zie registers); Erich Trunz. ‘Der deutsche Späthumanismus um 1600 als Standeskultur.’ In: Deutsche Barockforschung. Dokumentation einer Epoche. Hrsg. von Richard Alewyn. 2. Aufl. Köln [enz.] 1966, pp. 147-181 (164 en 179).
17.Daniel Heinsius. Poematum editio tertia [...]. Lugd. Batavorum 1610 (ex. UBA 349 B 3), pp. 346-350. Mogelijk ook in eerdere en/of latere drukken van de bundel (de samenstelling daarvan wisselt nogal).
18.Daniel Heinsius. Elegiarum lib. III. Monobiblos, sylvae, in quibus varia. Lugduni Batavorum 1603 (ex. UBVU XB.05501.-), pp. 6-9. Enigszins gewijzigd in de tweede druk: Poematum nova editio [...]. Lugduni Batavorum 1606 (ex. KB 759 K 17), pp. 22-23. In de latere drukken (althans die van vóór 1621) niet meer opgenomen. - Ellinger laat zich over deze elegie lovend uit ( Geschichte dl. 3,1: Geschichte der neulateinischen Lyrik in den Niederlanden vom Ausgang des fünfzehnten bis zum Beginn des siebzehnten Jahrhunderts. Berlin [enz.] 1933, pp. 179 en 183). Het gedicht wordt verder vermeld door Bärbel Becker-Cantarino. Daniel Heinsius. Boston 1978, pp. 79 en 80.
19.Over Paul Choart de Buzenval zie: Dictionnaire de biographie française. Sous la direction de M. Prevost et Roman d'Amat. Dl. 8. Paris 1959, kol. 1178-1180. Aan Choart droeg Heinsius zijn Theocritus-editie uit 1604 op (zie noot 13). Vgl. D.J.H. ter Horst. Daniel Heinsius (1580-1655). Utrecht 1934 (diss. Leiden), p. 30.
20.Heinsius doelt hier op een bepaalde versie van het Argonauten-verhaal. Zie Der kleine Pauly s.v. Orphische Dichtung.
21.Iets dergelijks moet toch wel de strekking zijn van ‘Arion / Vatibus ignotas non sinit esse vias’ (vss. 53-54). De precieze betekenis hiervan is mij niet duidelijk.
22.Constantijn Huygens. De briefwisseling. Uitg. door J.A. Worp. Dl. 1. 's-Gravenhage 1911, nr. 104.
23.Over de schonckensonnetten zie het artikel van Damsteegt, genoemd in noot 7.
24.Huygens. Gedichten. Dl. I, pp. 201-202. In de drukken heeft het sonnet een ander opschrift en eindigt vs. 8 niet met ‘land en ree’, maar met ‘Iacobs Reê’ (de kust van Engeland, waar Jacobus I koning was).
25.Voor ‘trots’ in de betekenis ‘uitdaging’, ‘het rivaliseren met’ zie WNT XVII, kol. 3364.
26.Voor annotaties zie: Constantijn Huygens. Koren-bloemen. Nederlandsche gedichten. Met inl. en aant. van J. van Vloten. Dln 3 en 4. 4e dr., herz. en verm. door J. Heinsius. Zutphen 1924 (KLP), p. 88. Een korte bespreking van het sonnet geeft Jorissen. Constantin Huygens, pp. 69-70.
27.‘Vrees’ (vs. 5) betekent ‘dreiging’, ‘gevaar’ (WNT XXIII, kol. 415-417).
28.‘jonghen’ (vs. 6) vat ik op als zelfstandig gebruikt bijv. nw. (de jonge eeuw), ondanks de - n. De vorm van het woord lag voor Huygens vast!
29.Griekse Anthologie 9,308,5-6 en 16,276,4.
30.James Hutton. The Greek Anthology in Italy to the year 1800. Ithaca [enz.] 1935, p. 546; A. Henkel en A. Schöne. Emblemata. Handbuch zur Sinnbildkunst des XVI. und XVII. Jahrhunderts. Stuttgart [1967], kol. 1608.
31.Laurentius Haechtanus. Μ ιϰϱοϰοςμος. Parvus mundus. [Colophon:] Antwerpiae apud Gerardum de Iode [...]. 1579 (ex. KB 1705 C 9); emblema nr. 64. Vgl. K. Porteman. ‘“D'een klapt, t'geen d'ander heelde”. Kijken en lezen in en rond Den gulden winckel (1613).’ In: Visies op Vondel na 300 jaar. Samenst. S.F. Witstein en E.K. Grootes. Den Haag 1979, pp. 26-59 (30 en 56 n. 23). Voor Vondels bewerking van het emblema in Den gulden winckel zie De werken. W.B.-editie. Dl. 1. Amsterdam 1927, pp. 402-403.
32.Zie: L. Strengholt. ‘Een stuk Hofwijck.’ In: Voortgang van het onderzoek in de subfaculteit Nederlands aan de VU 3 (1982), pp. 40-53 (41-43).
33.Marijke Spies. ‘Arion-Amphion: Huygens en Hooft in de stormen van 1621-1622.’ In: Uyt liefde geschreven. Studies over Hooft. Groningen 1981, pp. 101-116.
34.Huygens. Briefwisseling. Dl. 1, pp. XL-XLI; J.J. Poelhekke. 't Uytgaen van den Treves. Spanje en de Nederlanden in 1621. Groningen 1960, pp. 50-54.
35.Huygens. Gedichten. Dl. I, pp. 259-261.
36.Vgl. Huygens. Koren-bloemen. Dln. 3/4, p. 96; 't Hoge huis te Muiden. Teksten uit de Muiderkring. Samenst., inl. en toelichting van M.C.A. van der Heijden. 2e bijgewerkte dr. Utrecht [enz. 1978] (Spectrum Ned. lett. 8), p. 16.
37.Jorissen. Constantin Huygens, pp. 111-112; Spies. ‘Arion-Amphion’, p. 110.
38.Vgl. Spies. ‘Arion-Amphion, p. 110.
39.P.C. Hooft. De briefwisseling. Uitgeg. door H.W. van Tricht. Met medew. van F.L. Zwaan e.a. Dl. 2. Culemborg 1977, nr. 539.
40.Hooft. Briefwisseling. Dl. 1 (Culemborg 1976), nrs. 167-169, 171, 178, 181, 190, 201, 226a. Vgl. H.W. van Tricht. Het leven van P.C. Hooft. 's-Gravenhage 1980, pp. 111 en 245 n. 78.
|
|