Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 1


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 1. J.J. van Brederode, Haarlem 1852


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Henricus Aeneae]

AENEAE (Henricus), geboren den 19 Augustus 1743, te Oudemirdum, in Friesland, waar zijn vader, Eduard Schultetus Aenee, Predikant was. De zoon, die, op raad van den Rector der Latijnsche scholen, eenen Latijnschen uitgang aan dien naam gaf en zich diensvolgens Aeneae noemde, werd aanvankelijk mede tot het leeraarsambt opgeleid, en bezocht alzoo de Latijnsche scholen te Leeuwarden en de hoogeschool te Franeker. Ter laatstgemelde plaats zich, onder de Hoogleeraren Nicolaas Ypeij en Antonius Brugmans, in de wis- en natuurkunde oefenende, kreeg hij zoo veel smaak in die wetenschappen, dat hij besloot er zich geheel aan toe te wijden. Onder de leiding van den beroemden Jan van der Bildt, die zich destijds mede te Franeker gevestigd had, en van Wytze Foppes, die te Dongjum, een half uur van Franeker, woonde, oefende hij zich, door zijnen lust tot de gezigtkunde gedreven, in het maken van kijkers en telescopen. Daar hij inmiddels gehuwd was, en alzoo naar middelen van bestaan moest omzien, begaf hij zich, in 1767, naar Amsterdam, waar hij de wiskundige wetenschappen onderwees, en onder zijne leerlingen zelfs den grooten Nieuwland tellen mogt. Twee jaren na zijne komst te Amsterdam, werd hij te Leyden tot Meester in de vrije kunsten en Doctor in de wijsbegeerte bevorderd, bij welke gelegenheid hij, in eene verhandeling over de bevriezing(1), de eerste openlijke blijken van zijn helder en doorziend verstand gaf.

In het jaar 1778 deelde de Maatschappij: Felix Meritis, in het genot der begaafdheden van den meer en meer in roem stijgenden Aeneae, door hem tot honorair Lid als mede tot haren Lector in de Natuurkunde te benoemen; want Aeneae maakte zich niet alleen beroemd door zijne groote vorderingen in natuur- en wiskundige wetenschappen en wel bijzonder in de gezigt- en werktuigkunde, maar vooral ook door zijne manier van onderwijzen. Hierin toch was hij waarlijk eenig en zijne verdiensten daarin wa-

[p. 103]

ren boven allen lof verheven. Met de uiterste helderheid, de grootste eenvoudigheid en tevens op eene aangename wijze leeraarde hij de natuurkunde; terwijl eene meer dan gewone behendigheid zijne proefnemingen ten uiterste belangrijk maakte.

Tot aan de omwenteling van 1795 hield Aeneae zich dan ook uitsluitend met het geven van lessen in zijne geliefkoosde wetenschappen, bezig, maar toen werd hij alras uit den stillen werkkring getrokken, om zijn Vaderland meer onmiddellijk met zijne kundigheden ten dienste te staan. Al dadelijk toch na die omwenteling werd hij tot Lid van het Commité van de Marine benoemd, en niet lang daarna droeg men hem, benevens den zeekapiteinen Story en Lucas, met den scheepsbouwmeester Glavimans, den vereerenden last op, om, in de zeehavens dezer landen, de oorlogschepen te onderzoeken en hunne geschiktheid tot de dienst op te nemen. Nog meer omvattend echter was de werkkring, waartoe hij in 1798 geroepen werd, toen hem de onderscheiding te beurt viel, van, met den Hoogleeraar Jan Hendrik van Swinden, naar Parijs te worden gezonden, ten einde aldaar, met de voornaamste Fransche en andere geleerden, over het tientallig stelsel der maten en gewigten te handelen, hetwelk inderdaad grootendeels door deze beide Nederlanders tot de tegenwoordige volkomenheid gebragt is.

Na vervolgens weder in 1801 tot Lid der Marine, later tot Adviseur in zaken van wis-, natuur-, schei- en werktuigkunde, tot Inspecteur der maten en gewigten en tot Lid van het Committé Centraal der Marine te zijn aangesteld, overleed hij den 1 November 1810. Aangenaam in den omgang, was hij altijd leerzaam en vrolijk in zijne gesprekken; terwijl in alle zijne handelingen eene bijzondere braafheid en naauwgezette eerlijkheid doorstraalde. Nooit praalde hij met zijne kundigheden en er zijn geene werken van grooten omvang van hem voorhanden, maar zijne veelomvattende kennis straalt genoegzaam door in het weinige dat wij van hem bezitten, zijnde:

Wiskundige Beschouwing van een hellend waterscheprad, door A.G. Eckhardt uitgevonden, Amst. 1775, 8o. 2 stukken, met pl.

Verhandeling over de Molenwieken in het algemeen en over die, welke eene schroefwijze gedaante hebben, volgens de uitvinding van Jan van Deyl en Zoon, Amst. 1785, 8o.

Rekenboek voor de Nederlandsche jeugd, uitgegeven door de Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen, Amst. 1792, 2 deelen.

Iets over de waterweegkunde, Amst. 1808.

Aeneae was lid van alle de geleerde genootschappen in ons Vaderland, welke hun lidmaatschap, alleen als een vereerend blijk van verdiensten uitdeelen. De eerste, welke deze hulde aan zijne bekwaamheden bewezen, waren het Zeeuwsch en het Provinciaal Utrechtsch genootschap; terwijl de Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem en het Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam, dit vereerend voorbeeld volgde. Van dit

[p. 104]

laatste werd hij in 1808 Lid-consulent, na er sedert 1791 gewoon Lid van te zijn geweest. Van het Haagsche genoolschap der Proefondervindelijke Natuurkunde, was hij sedert 1800 werkend Lid, en bij de oprigting van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, behoorde hij onder de eerst benoemde Leden.

Zijn Portret komt voor in de Vaderlandsche Historie ten vervolge op Wagenaar, D. XLII.

Zie van Abkoude en Arrenberg, Naamregister van Nederduitsche boeken; Algemeene Konst- en Letterbode, voor 1808, D. I, bl. 201, voor 1810, D. II, bl. 280, en voor 1811, D. I, bl. 133; Vaderl. Hist. ten vervolg op Wagenaar, D. XXX. bl. 20, XXXII. 309, XL. 287, XLII. 67, XLIV. 144 en XLV. 104; Nieuwenhuis, Algem. Woord. van Kunsten en Wetenschappen; Biographie Universelle.