aantrokken en hem tot aan het laatst van zijn leven bleven bezig houden. Hij leefde in het Jus Romanum en vond in de onophoudelijke beoefening daarvan zijn grootste genoegen. Weinig zag men hem in gezelschappen, bijna nooit maakte hij van de wandelingen gebruik, welke Utrecht zoo overvloedig aanbiedt. Elk uur werd uitgezuinigd, om op het studeervertrek besteed te kunnen worden. De eenige uitzondering in deze, maakte de post van Schoolopziener, in het eerste district der provincie Utrecht, welken hij met dien van Secretaris der Commissie volijverig waarnam, als waardoor hij verpligt was, van tijd tot tijd de scholen buiten de stad, aan zijn opzigt toevertrouwd, te gaan bezoeken. Hij bezat eenen buitengewoon sterken ligchaamsbouw en genoot tot het einde van zijn leven eene gezondheid, welke in de laatste vijf en twintig jaren niet merkbaar was verstoord geworden. Ook had hij het geluk van zijne verstandelijke vermogens ongekrenkt te mogen behouden en tot kort voor zijne dood met voldoening werkzaam te kunnen zijn. Behalve de bovengenoemde epistola critica en de redevoeringen, welke hij bij het aanvaarden van zijn Hoogleeraarsambt en bij het nederleggen van het Rectoraat gehouden heeft, heeft Arntzenius geene geleerde schriften uitgegeven, welligt teruggehouden door de onaangenaamheden, die hij na het uitgaven van den brief aan Ruardi ondervonden had, of liever door eene zekere hem eigene schroomvalligheid, om, waar het niet volstrekt gevorderd werd, openlijk voor zijn gevoelen uit te komen. Naauwgezetheid in het vervullen zijner maatschappelijke pligten, gepaard aan eenen echt christelijken zin, onderscheidde geheel zijnen wandel.
Zie Konst- en Letterb., voor het jaar 1842, D. II. bl. 370; Mr. A. van Goudoever in het Programma van het Prov. Utr. Gen. van Kunst. en Wetensch. voor het jaar 1843, bl. 10-12.