Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 2. Eerste en tweede stuk


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 2. Eerste en tweede stuk. J.J. van Brederode, Haarlem 1854


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. I]

Biografisch woordenboek.
II.
2e. Stuk.

[p. 481]

[Cornelis de Beveren]

BEVEREN (Cornelis de), oudste zoon van den voorgaande, geboren te Dordrecht in 1524, was, tijdens de hevige vervolgingen om het geloof door den Schout Jan van Drenkwaart, Raad zijner geboortestad, en belette, zoo veel in zijn vermogen was, de vervolging om het geloof. Werd er in den Raad besloten, om met meer gestrengheid te werk te gaan, en eenige verdachten te vatten, dan gaf hij zulks aan zijne godvruchtige echtgenoot, Maria van der Valk, te kennen, die door hunne dochter, Maria, de ongelukkigen heimelijk liet waarschuwen, opdat zij den gevreesden slag mogten kunnen ontwijken. Hij zelf had, na ernstig onderzoek der Heilige Schrift, de gevoelens van Calvijn omhelsd, en bleef, in weerwil der scherpe bedreigingen en herhaalde huiszoekingen, volharden in het lezen van den Bijbel en van het Huisboek van Henricus Bullingerus; maar was voorzigtig genoeg, om beide, ten einde zich en de zijnen niet, buiten noodzaak, in gevaar te brengen, zorgvuldig te verbergen. Hij bekleedde het Raadsambt mede in 1572, toen, nadat Brielle door de Watergeuzen was ingenomen, Bossu met de zijnen zich voor Dordrecht vertoonde, en begeerde daar te worden binnengelaten. Hij werd met den Burgemeester Arend van der Myle, door de Regering gelast om den Graaf, die voor de Riedijksche poort lag, hare vrees voor oproer mede te deelen, en dringend te verzoeken van zijn opzet af te zien en buiten te blijven, met aanbod, om al het noodige tot de verkwikking van hem en zijn volk te bezorgen. Toen echter de Watergeuzen zich, den 23sten Junij van dat jaar, voor de stad vertoonden, sloot de Beveren, als Raad, benevens de gilden, een verdrag met den Groninger Edelman Barthold Entes van Mentheda, waarbij de stad aan het bestuur van den Prins van Oranje werd overgegeven, en de Hertog van Alva tot vijand verklaard. Twee dagen daarna stond de Beveren als doopgetuige over het eerste kind, dat te Dordrecht openlijk, op de wijze der Hervormden, gedoopt werd.

Toen kort daarna Willem Lumey, Graaf van der Mark, Andreas Waltheri, Pastoor van Heinenoord, had gevangen genomen, met voornemen om hem ter dood te brengen, begaf de Beveren zich tot dien Bevelhebber der Watergeuzen, ten einde hem daarover te berispen, onder andere zeggende: ‘dat men de Geuzen had binnen gelaten, om de vrijheid van geweten te hebben en de dwingelandij te ontgaan, maar niet om anderen, om der godsdienstwille, geweld aan te doen.’ Terwijl hij dit zeide werd hij zoo aangedaan, dat hij in onmagt viel. De Graaf hem hierop opnemende en wanende dat het hem alleen om de Pastoor van Heinenoord te doen was, zeide: ‘Herr! ich schenck ihr den Pfaff.’

In dat zelfde jaar werd hij van stadswege gezonden naar Prins Willem I, die zich destijds te Delft bevond, waar hij bij dezen verblijf hield tot den 15den November, als wanneer hij, tot Burgemeester verkozen, naar huis werd geroepen, zijnde alzoo de eerste

[p. 482]

Hervormde Burgemeester te Dordrecht geweest. Terwijl hij dit ambt bekleedde, werd hij in vele gewigtige zaken gebruikt, onder anderen den 15den October 1573 nevens den Prins gecommitteerd ter Finantiën. Van zijn eerste Burgemeesterschap ontslagen, werd hij weder naar Delft gezonden, om aldaar verblijf te houden, en de dienst van den Lande in die zoo onrustige tijden te behartigen.

In 1573 werd hij andermaal, met den Heer van Mathenesse, in den uitersten nood naar Middelburg, tot den Prins gezonden. Ook was hij in 1578 tegenwoordig bij het sluiten der Pacificatie van Gent, en in 1581 werd hij aangesteld tot Raad van voornoemden Prins, alsmede tot Lid van den Landraad.

Hij overleed den 27sten Januarij 1586, des namiddags ten 3 ure, zeer onverwacht; terwijl hij op het stadhuis in de Weeskamer werkzaam was. Hij was gehuwd in 1548 met Maria van der Valk, bij wie hij zeven kinderen verwekt had, onder welke twee zonen namelijk Willem de Beveren, die volgt, en Pieter de Beveren, geboren in 1569, die Generaal-Muntmeester der Vereenigde Nederlanden werd; in 1598 een der Reeders was van de vloot, met welke Olivier van Noord den aardbol omstevende, en in 1617 overleed.

Het afbeeldsel van Cornelis de Beveren komt voor bij Balen, Beschrijving van Dordrecht, met dit onderschrift:

Hanc laudem feram.
 
Dit was een zuil van Staat, die ijvrend voor 't Gemeen
 
Dorst Alva's tieranny manhaftig tegentreên,
 
Een meester aan 't gebouw der vrijgevogten steden,
 
Die Willem diende als Raad in 's Lants bouwvalligheden.
 
Den eersten Borgerheer van Hollands eerste stadt,
 
Nadat de Batavier het dwanggeloof vertradt.
 
Die stervende, den geest op 't Raadhuis heeft gegeven,
 
Waar eindigt zulk een Man roemwaardiger het leven?

Men getuigt dat hij een vijand van dweeperij, een ware ijveraar voor de vrijheid, een schrander Staatkundige, een uitmuntend Raadsman en een vriend van geleerden en geleerdheid was.

 

Zie van Someren, Beschr. van Batavia, bl. 239; Balen, Beschrijv. van Dordr., bl. 255, 667, 842-845 880, 957-960; van Leeuwen, Batavia Illustrata, bl. 866 en 867; Valentijn, Ouden Nieuw Oost Indiën, bl. I. a bl. 177; van Hoogstraten en Brouërius van Nidek, Groot Algem. Hist. Woordenb.; Luïscius, Algem. Hist. Woordenb.; Wagenaar, Vaderl. Hist., D. VII. bl. 23; Chalmot, Biogr. Woordenb.; Scheltema, Staatk. Nederl.; Collot d'Escury, Hollands Roem, D. II. A. 99 en 100; Schotel, Kerkelijk Dordrecht, D. I. bl. 37, 45, 47-60: Arend, Algem. Gesehied. des Vaderl., D. II. St. V. bl. 194.