Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 2. Derde en vierde stuk


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 2. Derde en vierde stuk. J.J. van Brederode, Haarlem 1855


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Antonius Brugmans]

BRUGMANS (Antonius), zoon van Pijbo Brugmans, Predikant te Hantum-en-Hantumhuizen, in Friesland, en van Petronella Wiersema, geboren te Hantum, den 2den October 1732, stamde van 's vaders zijde uit een adellijk geslacht in den Paltz. De stamvader, aldaar gehuwd met Jonkvrouwe von Wulfink, verloor leven en goed bij den inval der Spanjaarden in dat gewest, de familie week naar Holland, waarvan een Lid zich in Friesland nederzette. Antonius begaf zich, na het voorbereidend onderrigt met ongemeene vlijt doorgeloopen te zijn, en eenen ruimen voorraad van de eerste beginselen der wetenschappen opgedaan te hebben, in veertienjarigen ouderdom, naar de Hoogeschool te Franeker, waar hij de lessen bijwoonde, zoo van andere Hoogleeraren in de fraaije wetenschappen, als in het bijzonder van den beroemden Samuel Koenig, Hoogleeraar der Wijsbegeerte. Hij maakte aldaar in twee jaren tijds zulke aanmerkelijke vorderingen, dat hij op den 25sten Mei 1748 openlijk eene Verhandeling verdedigde Over de volstrekte noodzakelijkheid der wezens en denkbeelden en hunnen oorsprong uit het Goddelijk verstand(1). Een jaar daarna, en dus in het achttiende zijns ouderdoms, verkreeg hij de waardigheid van Meester der Vrije Kunsten en Doctor der Wijsbegeerte, en tevens den prijs, door de Staten van Friesland

[p. 1464]

toegezegd aan die genen, welken, op die jaren de Doctorale waardigheid verdiend hadden, en verdedigde openlijk eene Verhandeling over een luchtverschijnsel(1), welke naderhand, in het Fransch vertaald en met aanteekeningen van den geleerden Elias Luzac te Leiden verrijkt, herdrukt is. In het jaar 1750 volgde Brugmans zijnen Leermeester en vriend Koenig naar 's Gravenhage, werwaarts deze laatste geroepen was om in de Wijsbegeerte en het Natuurregt onderwijs te geven. Daar zijnde, gaf hij, bij gelegenheid van den vermaarden twist tusschen Maupertuis en Koenig, eene Verhandeling uit onder den titel van: Proeve over de waare grondwetten der Beweging en Ruste, bij gelegenheit van het verschil tusschen de Heeren Maupertuis en Koenig. Leid. 1753. 8o. Niet lang daarna werd hij door de Bestuurders der Friesche Hoogeschool tot Hoogleeraar in de Wijsbegeerte te Franeker beroepen. Hij aanvaardde deze waardigheid in September 1755, en hield den 10den Maart daaraanvolgende zijne inwijdings-redevoering: Over het gezond verstand de moeder der Wiskunde en Wijsbegeerte(2). Gedurende 11 jaren bekleedde hij dien post met veel roem, en stelde gedurende dat tijdvak zijne uiterste pogingen te werk, om de studerende jeugd in de Wijsgeerige wetenschappen voor te lichten, en maakte in dien tusschentijd ook onderscheidene stukjes door den druk gemeen, gelijk het

Schediasma, quo demonstratur, corpora perfecte dura cum principio continuitatis non consistere, en zijne

Tentamina philosophica de materia Magnetica edita, ejusque actione in ferrum et magnetem, Francq. 1765. 4o, waarin hij eerst zijne nieuwe theorie van den Magneet ontvouwd heeft. Op zijn verzoek lieten ook de Bestuurders der Friesche Hoogeschool, een nieuw Theatrum Physicum vervaardigen, hetwelk hij den 16den Maart 1756 met eene plegtige voorlezing inwijdde. In 1766 werd hij tot Hoogleeraar in de Wijsbegeerte en Wiskunde, te Groningen beroepen. Hij aanvaardde dezen post, den 21sten Mei 1767 en deed bij die gelegenheid eene plegtige Redevoering: over het uitbreiden van de grenzen der Natuurkunde(3), welke te gelijk met zijne openlijke inwijdingsvoorlezing: over de onbekende volmaaktheden van God(4) is uitgegeven. Hier ging hij voort met zijne waarnemingen omtrent den Magneet, en vond langs dien weg eene naauwkeurige en gemakkelijke wijze uit, om de betrekkingen van allerlei ligchamen met den Magneet te beproeven; waaromtrent hij eerst onderscheidene stukken in de Vaderlandsche Letteroefeningen in het licht zond, doch naderhand een breedvoeriger werk schreef, hetwelk tot titel had:

[p. 1465]

Magnetismus seu de affinitatibus magneticis observationes Academicae. L.B. 1778. 4o, en tegelijk met zijn vorig werk over de Magneetstoffe, in het Hoogduitsch vertaald, en door den Leipziger Hoogleeraar Esschenbach in het licht gegeven is.

In het VIIde deel van de Commentationes van het Koninklijk Gottings-Genootschap van Wetenschappen, vindt men van hem eene Proeve om de Werktuigkunde der ouden uit de nieuwere Werktuigkunde beter te verklaren(1).

Eene door vele proefnemingen belangrijke verhandeling: over de theorie van Newton omtrent de breking der zonnestralen, zond hij aan de Akademie van Lyon toe. Hij had nog een groot aantal geschrevene waarnemingen in gereedheid, die hij het licht zoude hebben doen zien, zoo niet een ontijdige dood hem der geleerde wereld ontrukt had. Ook hield hij briefwisseling met de beroemdste Natuurkundigen van Europa. Kort na zijne komst te Groningen werd hij Lid van het aldaar opgerigte Genootschap Pro excolendo jure Patrio, waarbij hij eene Lofrede uitsprak over den geleerden Engelhard, zijnen voorganger, welke ook in het Iste deel der Verhandelingen ter nasporing van de wetten en gesteldheid onzes Vaderlands van gemeld Genootschap gedrukt is; gelijk hij almede daarin heeft uitgegeven eene Redevoering over de overgeblevene blijken van verschillende veranderingen, welke de grond der Vereenigde Nederlanden somtijds ondergaan heeft(2); terwijl hij naderhand nog verscheidene verhandelingen bij het zelfde Genootschap heeft ingeleverd, als Over den eersten aanleg der Dijken, en 's Lands gesteldheid voor dezelve, en over de Maten en Gewigten. Door de Staten van Stad en Lande geraadpleegd over de beste wijze van brandewijn en andere geestrijke dranken, van elders ingevoerd, te beproeven, vond hij eenen zeer naauwkeurigen vochtmeter (hydrometrum) uit, welke sedert dien tijd in die provincie voor de Tolbedienden ten wegwijzer bij hunne te nemene proeven heeft verstrekt.

Na altijd gezond en bijna zonder aanmerkelijke ziekte geleefd te hebben, kreeg hij onder aan den hals bij den rug een gezwel, uit hetwelk, zich langzamerhand vergrootende, een zeer groot vleeschgezwel (sarcoma) uitmaakte, dat, meer en meer verergerende en steeds grooter wordende, de krachten van het ligchaam uitputte, eene langzaam uitterende koorts veroorzaakte, en op den 27sten April 1789 een zacht uiteinde aan zijn nuttig en werkzaam leven maakte,

Brugmans was begaafd met eenen echt wijsgeerigen geest, een scherp oordeel, vlug vernuft, en groote geleerdheid in alles, wat tot de Wiskunde en Wijsbegeerte betrekking had. Hij helde meer

[p. 1466]

tot het deftige dan tot het vrolijke over, was echter zeer gemeenzaam en vriendelijk, ook opregt en godvruchtig.

Hij was getrouwd met Johanna Frederika Manger, bij wie hij vijf kinderen naliet, onder welke Sebaldus Justinus Brugmans en Mr. Pibo Antonius Brugmans, die beide volgen.

 

Zie Vriemoet, Athen. Fris., pag. 875 et 876; Brucherus, Gedenkb. van Stad en Lande, bl. 338; Ekama, de Frisia ingen. Mathem. inprimis fertili, pag. 44 et 45, de Chalmot, Biogr. Woordenb.; Feith en Lulofs, het 25jarig feest van het Depart. Gron. der Maats. T.N.v. 't A., Aant. bl. 67 en 68; Nieuwenhuis, Algem. Woordenb. van Kunsten en Wetens.; van Kampen, Geschied. der Nederl. Letteren en Wetens., D. II. bl. 354; Algem. Woordenb. der Zamenl.; Bouman, Geschied. der Gelders. Hooges., D. II. bl. 313.