Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 9


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 9. J.J. van Brederode, Haarlem 1867


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

Biographisch woordenboek der Nederlanden.
I.

[Pieter Rembt van Iddekinghe]

IDDEKINGHE (Pieter Rembt van) werd in 1683 geboren te Groningen en was de zoon van Rembt Iddekinghe, burgemeester aldaar, en Maria Verucius. Na in 1719 tot raad zijner geboorteplaats verkozen te zijn, werd hij in 1739 burgemeester, bleef vervolgens in de aanzienlijkste ambten en werd in de meeste commissien in den Haag benoemd. Hij had een groot deel aan de omwenteling van 1747, en stond als een warm voorstander van den prins van Oranje bekend. In de onlusten te Groningen, in Maart 1748, ondervond hij dan ook deswege de genegenheid van het volk. Toen het oproer op het hevigst was zich naar huis begevende, werd hij door eene groote menigte gevolgd of liever gedragen. Een gedeelte van het volk drong mede binnen en wilde hem dwingen een geschrift te teekenen, dat hij voor het erfstadhouderschap zoude stemmen. Dit weigerde van Iddekinghe onverschrokken, zeggende: ‘dat doe ik nooit; schiet mij liever voor de kop; gij moet mij op mijn burgemeesterlijk woord gelooven;’ waarop het volk terstond antwoordde: ‘als gij het daarop aanneemt, om het uwe toe te brengen, vader, zoo willen wij het gaarne doen.’ Met een onbeschrijfelijk gejuich en geroep van: vivat Oranje, vivat Iddekinghe, vader der stad, zonder wien ze reeds lang verzonken was,’ werd de burgemeester vervolgens naar het raadhuis teruggebragt. Men wilde niet dat hij te voet ging, en droeg hem als in zegenpraal op eenen stoel naar de vergadering, terwijl zij, die hem vooruitgingen, onophoudelijk riepen: ‘sta! ruim voor dezen waardigen burgervader.’

Nog op andere wijzen ondervond hij 's volks genegenheid gedurende den duur des oproers, hetwelk eindelijk ook door zijn toedoen gestild werd. De gemoederen bleven evenwel onrustig, en toen in 1749 de aangestelde volmagten uit den burger- en boerenstand zich voor de licentiatie verklaarden (zoo noemde men de begeerde afzetting van de meeste regenten in het gewest) deed hij ter staatsvergadering het merkwaardige voorstel om de ambten neder te leggen en ter beschikking van

[p. 2]

den stadhouder te stellen. Hij werd echter later weder herkozen, en bleef in zijne bediening tot aan zijnen dood, die den 6den Julij 1758 plaats had. Bij de instelling van het jagtgerigt werd hij luitenant houtvester en in 1749 curator der Groningsche hoogeschool. Hij was gehuwd met Bartha Johanna Gerlacius, bij wie hij, onder andere kinderen, een zoon verwekte, die volgt.

 

Zie Boekz. der gel. Wereld, 1758. b. bl. 108; Het beroerd Nederl. D. II. bl. 109, 120, 122, D. III. bl. 155; Brucherus, Gedenkb. van Stad en Lande, bl. 313; Scheltema, Staatk. Nederl. D. I. bl. 529, D. II. bl. 569; Gron. Volks-Alm. 1849. bl. 58, 59, 69, 141.