Biographisch woordenboek der Nederlanden.
K.(1)
[Daniël Matthijs Kaakebeen]
KAAKEBEEN (Daniël Matthijs), zoon van Christiaan Kaakebeen en Helena Paulina Ellinchuyzen, werd te Haarlem den 11den Maart 1788 geboren. Op de Latijnsche school aldaar voor de hoogere studiën voorbereid, vertrok hij in 1804 naar Utrecht, om zich in de godgeleerdheid te oefenen. Zijn ijver, aangevuurd door de hoogleeraren G. van Oordt en H. Royaards, was zoo groot, dat hij reeds op één en twintig jarigen leeftijd tot de predikdienst werd toegelaten. Naauwelijks tot proponent bevorderd, werd hij in 1809 beroepen te Zeist. Na in 1815 voor een beroep naar Rijswijk bedankt te hebben, vertrokhij nog in dat jaar naar 's Hertogenbosch. In 1816 bedankte hij voor een beroep naar Haarlem, doch nam in 1818 een beroep naar Middelburg aan. Van daar in 1820 naar Amsterdam beroepen, werd hij er den 13den September bevestigd. Ruim dertien jaren was hij daar velen ten rijken zegen door zijn voortreffelijk onderwijs, tot hem, op den 24sten Februarij 1834, op den predikstoel eene hevige bloedspuwing overviel, aan welks gevolgen hij den 30sten November 1835, op zijne buitenplaats Amerika boven Weesp, overleed. Hij was gehuwd met J.M.F. de Haas, die hem in 1832 door den dood ontviel. Zijne afbeelding ziet het licht. Hij was lid van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.
Als verstandig, evangelisch, ernstig, gemoedelijk, duidelijk en eenvoudig welsprekend prediker deed Kaakebeen zich door zijne werken kennen, die getiteld zijn:
Christelyk dagboek, Amst. 1828. 8o.
Leerrede over Joh. XVI:31. Amst. 1834. 8o.
Lessen der wijsheid, getrokken en zamengevoegd uit de Spreuken van Salomo, Amst. 1835. kl. 8o.