Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 11


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 11. J.J. van Brederode, Haarlem 1865


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Jan Hendricx Jarichs van der Ley]

LEY (Jan Hendricx Jarichs van der), zoon van Hendrick Jarichs van der Ley, die, toen de Unie van Utrecht gevormd was, door de Staten van Friesland werd gemagtigd, om die, in hunnen naam, voor hun gewest te gaan onderteekenen. De naam van der Leij ontleende hij waarschijnlijk van de Leye, eene buurschap op de grenzen van het Bildt, Ferwerderadeel en Leeuwarderadeel. Geboren omstreeks 1560 à 1570. Hij was ontvanger der admiraliteit te

[p. 383]

Dokkum en ontvanger-generaal der gemeene middelen van de uit- en invoerende goederen in Friesland, stad Groningen en Ommelanden. Hij was een uitmuntend wiskunstenaar, die veel moeite aanwendde, om de wiskunde op de stuurmanskunst en de zeevaart toe te passen, weshalve de voormelde Staten hem een jaargeld van 1200 Caroli guldens toelegden, 't welk hij niet alleen levenslang, maar ook zijne kinderen en kindskinderen zouden genieten. In 1618 vond hij een middel ter bepaling der lengte op zee, waarvoor hij aan de Staten-Generaal octrooi verzocht. In het laatst van zijn leven legde hij zich op de godgeleerdheid toe. Hij huwde Judith de Gardyn. Onder een zijner portretten leest men een vierregelig Latijnsch vers van P. Winsemius. Zijn spreuk was: Weest van een Der Ley Sin, Rom. XII.

Hij schreef:

Eerste boeck van 't Licht der Zeevaert, daerinne beschreven en afgebeeldt wort, alle de Custen ende Havenen van de Westersche Zee, namentlijck van Hollandt, Zeelandt, Vlaenderen, Spangien ende Barbarien tot an de Cap de Geer. Item van de Eijlanden van Canarien, Madera ende de Vlaemsche Eijlanden, Mitsgaders de voornaemste Custen van Yerlandt ende Engelandt. Tot Amsterdam, Ghedruckt bij Willem Jansz. woonende op 't Water bij de Oude Brugghe in de Vergulde Sonne-wijser, Anno 1608. breed 4o.

Het Gulden Zeeghel des grooten Zeevaerts. Daerinne beschreven wordt de waerachtige grondt van de Zeijlstreeken en platte Pas-caerten (voor desen noijt bekent) waermet als onder een Secreten Zeegel de ghenerale Regule, daerinne mede ghesien worden, de onbehoorlycke Proceduren die de wedersprekers teghen dezelve ende het ghemeene best drie jaren lanck hebben ghepleecht. Tot Leeuwarden, bij Abraham van den Rade Boeckdrucker Ordinaris, 1615. langw. 8o.

't Gesicht des Grooten Zeevaerts, met de wonderbaerlijke âert ende natuijre der Coursen. Tsampt de platte pas-caarten met haere Spherische Lopers: dienstich om soo wel der werelts lengte als breete te meten (voor desen ondoenlijck) en de Groote Zee, beschreven door een gheneralen regel, ende in de aldergebruijckelijckste practijckque (ten dienste van 't gemeine best) gebracht door J.H.J.v.d.L., ghedruckt tot Franeker, bij Jan Lamrinck, Boeckdrucker-Ordinaris, Anno 1619. breed 4o. Op de verso van de 125 bladz. vindt men een attest van W. Snellius, Symon Stevyn, Jan Pietersen Bouwes, ten gunste van Jan Henrich Jarichs, dat zeer merkwaardig is. Het werk is uitgegeven door N. Mulerius, professor te Groningen. Het portret van van der Ley, door Hollar, volgens anderen, en met veel meer waarschijnlijk, door P. Feddeg van Harlingen en eenige houtsneêkaarten komen er in voor.

[p. 384]

Voyage van 't experiment van den Gheneralen Regul des Gesichts van de Groote Zeevaert, gedaen bij C. Nijs, J. Buijs en J. Carolus, 's Hage, 1620 met hetz. portret.

Verborgene eijgenschappen in de Heijlighe Schriftuur als in en verseghelt Boeck in beijde Testamenten, soo wel in 't Nieuwe als Oude verseghelt, nootwendich om te weten tot opbouwinghe van den Tempel des vredes voor Heijdenen, Joden, Christenen en Muhamedisten, door J.H.J. van der Ley, Amsterd. 1624. 4o.

Corte Verclaringhe van de Comste Messias, mitsgaders tot onderscheijdt van de Alderheijlichste Drievuldicheijt ende de Heijlighe Drieëeenheijt, door J.H.J. van der Ley, Amst. 1626. 4o.

Den Slotel Davids, die opent ende niemant en sluijt, door J.H.J. van der Ley, Amst. 1627. 4o.

 

Zie Winsemius, Chron. van Friesl. fol. 852, 902; Scheltema, Mengelw. D. III. bl. 3; P.C. Scheltema, Vriess. Spreekw. D. II. bl. 4; van Kampen, Ned. Lett. D. II. bl. 259; J.C. Pilaar en Obreen, Tijdschr. voor het Zeew. D. VIII. (1848) bl. 37; J.K.J. de Jonge, Opkomst van het Nederl. gezag in Oost-Indie, I. bl. 81, 83. Stamboek van den Frieschen Adel, D. II. bl. 259; Nav. D. IV. bl. 185, D. V. bl. 40 volgg. Bijbl. p. XCV. CXLII.