Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 12. Eerste stuk


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 12. Eerste stuk. J.J. van Brederode, Haarlem 1869


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Mr. Gerrit Willem van Marle]

MARLE (Mr. Gerrit Willem van), zoon van Berend en van Helena Eva Golts, werd in 1752 geboren te Zwolle, studeerde onder F.A. van der Marck, te Groningen, en promoveerde 9 Dec. 1772 op eene Dissertatio de eo quod justum est circa haereditates peregrinorum earumque successiones. Hij leefde in onrustige tijden, was een vriend

[p. 258]

van J.D. van der Capellen tot den Poll en werd gewikkeld in de twisten over de drostendiensten; bij de omwenteling van 1787 werd hij van zijn post (hij was burgemeester zijner geboortestad) ontzet, doch in 1795 op nieuw in het bewind hersteld. Rond en met wijsheid kwam hij als lid der beide nationale vergaderingen en van de eerste commissie tot het ontwerpen eener staatsregeling voor zijne gevoelens uit. Toen de voorstanders eener onbeperkte eenheid in Jan. 1798 op het kussen kwamen, werd hij met 27 andere volksvertegenwoordigers gevangen genomen, den 5 Februarij naar het huis in 's Bosch vervoerd, doch 18 Augustus ontslagen. Sedert leefde hij geheel ambteloos en stierf 29 Mei 1799. Hij huwde Catharina Wicherlinck, en liet kinderen na.

Verscheidene staatsstukken die bij de twisten omtrent de drostendiensten, de readmissie van van der Capellen en over het regt van overstemming de aandacht trekken, zijn van zijne hand; ook:

Verklaring van den drost A.W. van Pallandt tot Zuithem, over het regt van overstemming ter staatsvergadering in 1784.

Hij is en silhouette afgebeeld onder de leden der nationale vergadering van 1796.

 

Zie Scheltema, Staatk. Nederl. D. II. bl. 63-65; Tegenw. staat van Overijssel, D. I. bl. 334; Bijdr. tot de authent. omwent. van 22 Jan. 1798, No. 75, 86, 94; Verv. op Wagenaar, Reg. op D. IX, XVIII, XXXI, XXXIV, XXXV, VI, VIII, IX, XII; Kobus en de Rivecourt, Bekn. Biogr. Handwoordenb. D. II. bl. 285.