Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 13


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 13. J.J. van Brederode, Haarlem 1868


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Mr. Willem Nieupoort]

NIEUPOORT (Mr. Willem), zoon van Willem Nieupoort, secretaris van Schiedam, aldaar den 30sten Januarij 1607 geboren, werd een der grootste staatsmannen van de zeventiende eeuw. Na volbragte letterkundige studiën in Frankrijk, werd hij benoemd tot secretaris bij den ambassadeur in Engeland, Joachimi. In 1629 werd hij lid van de regering zijner geboortestad, vervolgens pensionaris en bekleedde sedert van wege Schiedam vele staatsambten. Na het overlijden van Willem II, zonden de Staten van Holland hem eerst naar Friesland en Groningen, ten einde de Staten dier gewesten te bewegen tot het houden van eene buitengewone vergadering in den Haag, vervolgens naar Zeeland, om daar de denkbeelden van die van Holland, nopens de noodeloosheid van het ambt van kapitein-generaal, veld te doen winnen. Hij betoonde onder de omstandigheden, waarmede de uitvoering van dezen last vergezeld ging, veel moed. In 1653 werd hij een der afgevaardigden van Cromwell, om over den vrede te handelen. Als vertrouwde van de Witt had hij een groot deel aan de leiding der zaken, reisde heen en weder en werd benevens Beverninck van geheime voorschriften voorzien. Een en ander deed de verdenking geboren worden, dat hij het vorderen van de zoo vermaarde acte van seclusie aan Cromwell had voorgeslagen, doch hij zuiverde zich met eenen eed en deed daardoor de van wege Friesland ingestelde strafvordering vervallen. Hij bleef als ambassadeur in Engeland, doch de door hem gevoerde onderhandelingen tot het sluiten van een scheepvaartverdrag vorderden weinig en na het herstel van Jacob II, aan wien hij niet aangenaam kon zijn, werd hij terug geroepen. Gedurende den tweeden Engelschen oorlog was hij in verstandhouding met eenige uitgewekene Engelschen, en vermits hij de partij van den raadpensionaris de Witt was toegedaan, troffen ook hem de gevolgen van 1672. In een oproer te

[p. 225]

Schiedam werd hij door het graauw gevangen genomen, later werd hij door den stadhouder van zijne ambten ontzet.

Hij overleed den 2den Mei 1678 in den Haag, bij zijne echtgenoote Anna van Loon, verscheidene kinderen nalatende. Joachim Oudaan vervaardigde bij zijn overlijden een Lijkgedagtenis.

Men heeft van hem:

Verbael, gehouden door de Heeren H. van Beverningh, W. Nieupoort, J. van de Perre en A.P. Jongestal, als Gedeputeerden en Extraordinaris Ambassadeurs van de Heeren Staaten Generaal aen de Republycque van Engelandt, 's Gravenh. 1725, 4o.

Schrijvens van 't geene Willem Nieupoort, Ambassadeur van Hollandt, in en ontrent syn jonghste audientie van het nieuw Parlement van Engelant enz. - bejegent is, en wat hij voorders aen 't selfde Parlement vyt krachte van nieuwe credentiale geproponeert heeft (10 Junij) Harl. (Pseud.) 1659.

Missive van den Heer Ambassadeur Willem Nieupoort uyt Engelandt aen seker gequalificeert Heer aeng. drie weecken prolungatie van stilstant van wapenen tusschen de vlooten (van Nederland en Zweden).

Noch een Missive van denz. Ambass. aen de Heeren Ambass. in Denemarcken enz. (over 't zelfde onderwerp, beide van 13 Junij). - Item een Missive en Instructie van het Parl. aen den Engelschen Admiraal Montagu in de Sond, ten eynde als boven, Haarl. Jan Schaeck (pseud.) 1659.

 

Zie Aitsema, Herst. Leeuw, bl. 134, 136; Saken van Staat en Oorl. D. III. bl. 814, 815, 1153, 1295 enz. D. IV. bl. 133. Ludlows, Memoirs, Vol II. p. 21, 199. Vol. III. p. 135-139, 150, 151, 152; Thurloes, Papers, Vol. I. p. 281, 299. 600. Vol. II. p. 133. Vol. III. p. 114, 116. Vol. V. p. 243, 259, 309, 463. Vol. VI. p. 489. Vol. VII. p. 33, 119, 130 Wicquefort, Livre X. p. 572; v. d Capellen, Gedenkst. D. II. bl. 302, 303; de Witt, Brieven, D. II. bl. 205, 223. D. III. bl. 880; Lamberti, T III. p. 551; Wagenaar, Vad. Hist. D. XII. bl. 130, 188, 257, 259, 264, 307, 316, 279, 280, 309, 337, 369, 430, 472. D. XIII. bl. 4, 10, 168. D. XIV. bl. 78, D. XVI. bl. 441. D XVII. bl. 289. D. XVIII. bl. 128; van Wijn op Wagenaar, D. XII. bl. 43, 115; Bilderdijk, Ges. des Vad. D. IX. bl. 72, 75, 83; Scheltema, Staatk. Ned.; Jaarb. van Schied. 1849. bl. 1 volgg. van Kampen, Karakt. D. II. bl. 250; J. Oudaan, Ged. D. III. bl. 467; Kok, Nieuwenhuis, Kobus en de Rivecourt.