Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 13


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 13. J.J. van Brederode, Haarlem 1868


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

BIJVOEGSELS.

[Johannes Theodorus Netscher]

NETSCHER (Johannes Theodorus) werd te Rotterdam 1 December 1786 geboren. Na promotie aan de Hoogeschool te Leyden, waarhij onder de leiding van den hoogleeraar Wyttenbach ijverig had gestudeerd, werd J.T. Netscher in 1811 benoemd tot Substituut van den keizerlijken Procureur bij de regtbank van eersten aanleg te 's Gravenhage. In 1817 werd hij aangesteld tot Commissaris bij het Dept. van koophandel en koloniën, welke betrekking in 1818 bij het Dept. voor het publiek onderwijs, de nationale nijverheid en de koloniën werd ingedeeld. In 1824 werd hij benoemd tot referendaris; in 1826 tot Inspecteur Generaal der nationale nijverheid en in 1828 tot Administrateur voor de nationale nijverheid. In verband met de opheffing van de administratie voor de nationale nijverheid werd hij in Februarij 1848 tot staatsraad in buitengewonen dienst en eenige maanden later, in October 1841, tot lid van den Raad vad State benoemd. Deze laatste betrekking werd door hem bekleed tot 1 Julij 1862, wanneer hij, na den Lande 51 jaren onafgebroken te hebben gediend, werd op pensioen gesteld. Als administrateur voor de nationale nijverheid werd door hem de Veeartsenijschool te Utrecht tot stand gebragt; bevorderde hij met de meeste belangstelliug landbouw, fabriekwezen, scheepsbouw en handel, en deed hij zich steeds als een voorstander kennen van hetgeen tot de ontwikkeling van die rijke bronnen van het volksbestaan kan leiden. Bij herzieningen van de tarieven van in- uit- en doorvoer werd dan ook door hem steeds op vermindering van regten aangedrongen,

[p. 428]

voor zoo veel dit destijds met de belangen van landbouw en nijverheid strookte.

Hem viel de onderscheiding te beurt van in 1829 tot ridder en in 1849 tot Commandeur der Orde van den ned. Leeuw benoemd te worden.

Hij was lid van onderscheidene geleerde Genootschappen, o.a. van het Friesch Genootschap van proefonderviudelijken Landbouw; van het prov. Utrechts Genootschap, en van het Oudheidkundig Genootschap te Athene. Hij huwde Petronella Jacoba Matthyssen en overleed te 's Hage 20 Jan. 1864.

Hij schreef: Disputatio juridico-literaria, de M. Tullii Ciceronis Oratione pro A. Licinio Archia poëta, L. Bat. d. 29 Oct. 1808, 8o. Een blad proefschrift, dat destijds zeer grooten opgang maakte.

(D. Wyttenbachii) Philomathia, S. Misc. Doct. Liber 1. p. 190-200.

 

Part. Berigt.