Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 18


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 18. J.J. van Brederode, Haarlem 1874


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Jacobus Taurinus]

TAURINUS (Jacobus) werd in 1576 te Schiedam geboren, in 1600 predikant in 't Woud, in 1601 te Delfshaven en in 1605 te Utrecht. Hier vond hij ambtgenooten, die bij het meer en meer opwakkeren der kerkelijke twisten, voor het grootste deel de zijde van Arminius hielden. Ook Taurinus was die toegedaan en betuigde reeds in 1609 in een brief aan Uitenbogaert zijne verontwaardiging over de hardheid van Gomarus. Hij bleef echter geen werkeloos aanschouwer.

In 1615 had de Amsterdamsche kerkleeraar Jacobus Trigland den rechtmatigden Christen in het licht gegeven, waarin hij betoogde dat de bekende vijf artikelen, zoo als ze door de Remonstranten geleerd werden, niet geduld konden worden. Taurinus nam tegen dit geschrift de pen op (van de onderlinge verdraagzaamheid). In dit werk, waarin hij, onder goedkeuring der Utrechtsche Staten, Trigland wederlegd en op verdraagzaamheid aangedrongen had, klaagde hij, dat men te Amsterdam te veel aan onberaden ijver bot vierde. Zulks mishaagde de Amsterdamsche regeering zóó, dat zij het geschrift deed ophalen en het verkoopen er van verbood. Dit bewoog Taurinus tot het schrijven eener Naarder opening enz., 'twelk te Amsterdam gelijk lot als het vorige onderging. Intusschen gaf, wat toen in Amsterdam plaats vond, de geboorte aan eenige andere geschriften. Ook wordt hem het zedig onderzoek van eenige handelingen in Gelderland (1617) toegeschreven. In dit gewest namelijk had het hof zich met de Remonstrantsch-gezinde predikanten van Nijmegen zóó ingelaten, dat men aan zijne ingenomenheid met deze niet meer kon twijfelen. Veel meer opzien maakte bij door zijn Weegschaal in 1617, nadat de Engelsche gezant Dudley Carlelon, in October van dat jaar, in de staten-vergadering eene redevoering had uitgesproken, waarin hij hevig tegen de Remonstranten uitvoer, op het houden eener nationale synode aandrong en de verdraagzaamheid der Hollandsche staten ten sterkste afkeurde. Getuigde dit stuk, dat reeds in November in het licht kwam, van Taurinus' vluggen geest, het berokkende hem aan den anderen kant groot gevaar. De Engelsche gezant achtte zich zóó gehoond, dat hij de algemeene staten dwong, schoon niet zonder verzet van Holland, Utrecht en Overijssel, om hooge belooning uit te loven aan elk die

[p. 28]

den schrijver aanbragt. Gelukkig bleef deze verborgen en Taurinus daardoor voor het oogenblik gespaard. Het dreigend gevaar had echter geen genoegzamen invloed om hem tot rust te brengen. Een aantal geschriften, in 1618 uitgekomen, worden hem toegeschreven.

Weldra begonnen de zaken te Utrecht te veranderen, het verblijf werd voor hem aldaar gevaarlijk. Eerst vlugtte hij naar Gouda en van daar Amsterdam. Op scherpen toon werd hij ingedaagd. Hij nam de vlucht naar Autwerpen, en zou daar 23 September 1618, drie dagen na zijn aankomst, overleden zijn, zich op zijn sterfbed voor de schrijver van de Weegschaal verklarende, en een zwangere weduwe in kommervollen toestand achterlatende. Elders vond ik echter vermeld, dat hij op den vermelden datum te Bokhoven bij Heusden overleden en zijn ligchaam te Schiedam begraven is.

De volgende werken worden aan hem toegeschreven.

Copye van sckeren brief, daer inne beantwoort wort de.... Na reden, die F. Hommius.... heeft gedaen in den Hooghlandsche kercke. Ghedruckt in de Mater Salem (Amst.). z.j. (1610). 4o.

Brand-Clock, ghegoten ten deele van de stoffe ghecomen wt de Camer der E.H.M. Staten soo der Geun. Prov. in 't ghemeyn, als in 't particulier van Hollandt, noodich ghetrocken in dese bedroefde vruchtbare tijden, der ghevaerlijcke, van ouds begravene nieuwicheden. z. pl. 1611. 4o.

Kleine wegwijser, gestelt door Cerard van Vrijburg. 1612.

Cleynen Wech-wijser, ghestelt tot onderrichtinghe der Eenvoudighen. Wighegh. door Geernerd van Vriburch. 1612. 4o.

Op een exemplaar op Cat. Meulman, 1013, wordt P. Bertius als autheur opgegeven.

Chrtstelijcke ende nootwendighe verclaringhe, waerinne cortelijck ende dengdelijck verclaert wordt, wat in seecker formulier van eenicheyt met Godes H. Woort overeencompt. 1615. 4o.

Van de onderlinge verdraagsaamheit, die soo wel Predikanten, als gemeine Lidmaten niettegenstaende verscheidenheit van gevoelen in eenige Leerpoincten, met malkander in liefde behoren te onderhouden tegen Jacobi Triglandii (t' onrecht gewaanden) Recht gematigden Christen. Utrecht 1616. 4o.

Naarder opening dienende tot grondige aanwijsinge van eenige manieren van spreken, gebruikt bij Jac. Taurinus in zijn eerste deel van de onderlinge verdraagsaamheit gestelt aan de Eerenfeite, achtbare, wijse, descrete Heeren Schout, Burgemeesters, Schepenen en Vroedschappen van Amsterdam. Te Utrecht 1616. 4o.

Postbode 15 Julij 1616. S.N. 4o.

In-houdt van eenighe Brieven, aengaende de beroerten bin-

[p. 29]

nen Amsterdam onlangs voorgevallen. Met een discoure aen alle goede Patriotten, uit het latijn vertaald. 1617. 4o.

Corte ende naeste ontdeckinghe van den luegen-geest onlangx verschenen in de uytgegeven ‘Antwoordt tot wederlegginghe van het discours over de Amst. beroerten.’ 1617. 4o.

Zedich onder-soeck van eenige handelingen in Gelderlandt in de maent Februarius, ter oorsaecke van seecker verschil tusschen de Predicanten voorghevallen. 1617. 4o.

Ernstighe Aenspraeck aen de Maeght van Hollandt, tot waerschouwinghe van alle goede Lief-hebbers der oude Vaderlijcke Vrijheydt. 1617. 4o.

Weegh-schael om in alle billickheydt recht te overweghen de Oratie van Dudley Carleton, Ambuss. van Gr. Britt; geh. in de Verg. der Staten-Generael. 1617. 4o.

Bij Plaecaat van 16 Dec. 1617 ‘als een diffamatoir boekske strengelijck verboden. Zie Vreede, Inleid. tot eene gesch. d. Ned. diplomatie. 2de ged., 1ste st. bl. 326. Cat. d. Pamft. v. Meutman 1252 en aangeh. schrijv.

Nasporing, hoe, ende in wat manieren de Prince van Orangien, hooghtoff. memorie, de bescherminghe deser Landen heeft aengenomen, om de Nederlandtsche Belijdenisse te maintineeren. 1617. 4o.

Notulen ofte Aenmerckingen op het af-scheydt der Predikanten van Nimmegen, ghegheven bij den E. Raedt ders. stadt, op den 8 April 1618. 1618. 4o.

Reuck-appel of-ghevende den lieffelijcken geur van de daden der Princen van Orangien Teghen de quade lucht onlanghs veroorsaeckt door het opdoen van een spore tot verdedingh van de op-rechte na-sporingh. Gestelt door een Liefhebber der Nederl. vritheydt. Phtladelphi, 1618. 4o.

Den Vraegh-al, inhoudende ettelijcke Questien ofte Vraghen om daer op te hebben een bondigh Antwoordt. 1618. 4o.

Notities op het ofscheyd der predikanten van Nijmegen, gegeven den 8 April 1618.

Wat Wonder-Oudt-Nieuws dienende tot claer, ende onweder-leggelijck bewijs, hoe de Remonstr. Predicanten regsen en rossen. 1618. 4o.

Bloem-potgen van verscheyden bloemen ghepluckt uyt den Hoff van de Geldersche Contra-Remonstranten... Door Theophilus Phileleutherus. 1618. 4o.

 

Zie Cattenburg, Bill. Remonstr., bl. 127; Brandt, Hist. de Reform., D. II (Reg); Regenboog, Hist. d. Rem. (passim); van Rhenen, Naaml. a. Utr predd., bl. 31; Paquot, Mém., T. III. p. 620 suiv.; Ypey en Dermout, Gesch. d. Herv. kerk, D. II, bl. 217, Aant. 117; J. Tideman, Rem. Broeders., bl. 209, 252, 253, 298, 368; Glasius, Godget. Nod.; Wagenaar, Vad. Hist., D. X, bl. 182, 259; Kist en Royaards, K.A. (1ste Ser.), D. VII, bl. 5, 196; 219, 228, 235; Rogge, Rem. Pomft., bl. 115; Dodt. Archtef, D., VI; van Doorniuck, Pseud. en Anon., (Index); Tiele, Pamfl., D. I, bl.

[p. 30]

120, 153, 155, 156, 159, 161, 163, 213, 220; Nav, D. X, bl. 356; Jöcher; Nieuwenhuis; Vorwoert; Kobus en de Rivecourt.