Biographisch woordenboek der Nederlanden. Bijvoegsel


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Bijvoegsel. J.J. van Brederode, Haarlem 1878


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

F.

[Thijs Feenstra]

FEENSTRA (Thijs) werd den 17den Augustus 1765 te Franeker geboren, en had het ongeluk reeds op zijn twaalfde jaar een waardigen vader te verliezen. Als de oudste van het talrijk gezin, dat deze achterliet, legde hij zich sedert met geringe hulpmiddelen, doch met grooten ijver op den handel, maar ook gelijktijdig op de weten-

[p. 243]

schappen toe. Het scheen of hij deze laatste bijna vaarwel moest zeggen, toen hij, reeds op zijn achttiende jaar, in het huwelijk trad met Rinske Scheltinga, en zich met der woon te Dokkum vestigde. Doch hier leerde hij aan het huis van zijne vrienden Herke en Taco Schonegevel een achtingswaardig gezelschap kennen, waarin de letteren en wetenschappen als uitspanning werden beoefend. Hoe jong en beschroomd ook nog, zag hij zich in dien even aangenamen als nuttigen vriendenkring opgenomen, en leerde daarin achtereenvolgens mannen als Stuart, Westerbaen, de Crane, Siegenbeek en anderen kennen en waarderen. En die verkeering was voor hem zoo belangrijk, dat hij niet slechts met die geleerde en later zoo beroemde mannen bestendig eene trouwhartige vriendschap onderhield, maar tot aan zijnen dood bleef erkennen, alles, wat hij in de wereld geworden was, aan de opleiding in dat gezelschap dank te weten. Zijne gelijktijdige oefeningen met Stuart in de wis- en natuurkunde, geschiedenis enz. werden echter afgebroken door de omwenteling van den jaare 1795, waarin hij door den drang der omstandigheden medegesleept en daardoor weldra in openbare betrekkingen geplaatst werd. Zoo werd hij reeds dadelijk onder de Provisioneele Volksrepresentanten opgenomen en in 1798 tot Lid van het Intermediair Administratief Bestuur van het voormalig gewest Friesland, gelijk in 1802 tot Lid van het Departementaal Bestuur van Friesland benoemd.

Na de heugelijke omwenteling van het jaar 1813 werd hij bij de zamenstelling van een nieuw stedelijk bestuur reeds dadelijk tot Lid van den Raad der stad Leeuwarden en in 1821 tot Burgemeester benoemd, in welke betrekking hij in 1824, bij de nieuwe organisatie van het bestuur, aan het hoofd der regering geplaatst werd. Nadat hij zich, in verbinding met andere leden van den Raad, veel moeite gegeven had ter herstelling van de stedelijke financiën, die onder het Fransch bestuur en door latere rampen zoo veel geleden hadden, zijn er sedert door zijne ijverige bemoeijingen gewigtige ondernemingen tot stand gebragt en belangrijke verbeteringen in deze stad uitgevoerd. Het zal genoeg zijn onder deze slechts te herinneren aan de vernieuwde bestrating der stad en de verbeterde straatverlichting; het wegbreken der stadspoorten en de daarop gevolgde aanleg van plantsoenen, kade, veemarkt enz.; de aanbouw van de kazerne Prins Frederik en van het Militaire Ziekenhuis; de aanleg van den versch-water-vijver, de Stedelijke Begraafplaats, en verscheidene andere stichtingen, verbouwingen en verbeteringen en meer, waardoor het uitwendig aanzien dezer stad in die

[p. 244]

jaren zoo gunstig is toegenomen. Inzonderheid was bovendien het schoolwezen, waaraan hij reeds voor 1795 te Dokkum vele verbeteringen had toegebragt, een onderwerp, waaraan hij hier ter stede, naar een geregeld plan, eene aanzienlijke uitbreiding heeft gegeven, zoodat weinige steden des vaderlands zich op eene dergelijke verzameling stads-scholen kunnen beroemen als Leeuwarden toen reeds bezat. In zijne overige betrekkingen als Lid der Staten van Friesland, gelijk vroeger ook van de Commissie van Landbouw en als lid van verschillende commissiën en nuttige inrigtingen, nam hij steeds een werkzaam deel in alles, wat het algemeen belang kon bevorderen.

Hij verzocht in het begin des jaars 1840 zijn eervol ontslag uit zijne betrekking tot het stedelijk Bestuur; bragt daarop nog eenige maanden in rust op zijn buitengoed Schierstins te Veenwouden door, en ontsliep, na bestendige afneming zijner krachten, den 23 November 1840, nadat hij weinige dagen te voren in de hoofdstad was teruggekeerd.

Hij was Ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw.

 

Zie W. Eekhoff in de Leeuwarder Courant van Dingsdag den 26 Januarij 1841.