Biographisch woordenboek der Nederlanden. Bijvoegsel


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Bijvoegsel. J.J. van Brederode, Haarlem 1878


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 468]

Nawoord.

Het is meer dan 25 jaren geleden, dat de Haarlemsche uitgever J.J. van Brederode het plan ontwierp tot een onderneming, die eene groote leemte in onze vaderlandsche letterkunde zou vullen en tevens aan eene lang gevoelde behoefte voldoen, de uitgave namelijk van een Biographisch Woordenboek der Nederlanden, dat niet alleen korte levensschetsen van beroemde mannen en vrouwen in alle vakken van kunsten en wetenschappen, en van hen die als krijgslieden zoo te land als ter zee, zich verdienstelijk maakten, maar ook van degenen, die zich minder onderscheidden, minder vermaard maakten, maar toch op de dankbaarheid en hulde van tijdgenoot en nageelacht aanspraak hebben gemaakt, zou bevatten. Dit plan aan den Heer A.J. van der Aa te Gorinchem medegedeeld, droeg niet alleen diens volkomene goedkeuring weg; maar hij liet zich door den ontwerper bewegen zich als redacteur aan het hoofd der onderneming te plaatsen. Geleerden in alle vakken van kunst en wetenschap beloofden hunne medewerking, een prospectus werd overal verspreid, en toen de belangstelling van het publiek was opgewekt en eene gedurig toenemende inteekening daarvan getuigde, in de dagbladen eene uitnoodiging aan allen gericht, die bijdragen tot dit werk konden of wilden geven; eene uitnoodiging die bij den aanvang van elke letter herhaald werd.

Helaas! deze verdienstelijke letterkundige mocht slechts een klein gedeelte van dezen arbeid voltooien. Hij overleed reeds in 1857. Zijn opvolger was de niet minder verdienstelijke K.J.R. van Harderwijk te Noordwijk, en toen deze ongeveer 3 jaren later overleden was, nam Dr. G.D.J. Schotel, toen predikant te Tilburg, later te Leiden en thans te Dordrecht woonachtig, de redactie op zich en mag thans het voorregt smaken het werk, na een zwaren arbeid van bijna 18 jaren voltooid te zien. Wij herhalen een zwaren arbeid, want niet alleen ontsliepen in dien tusschen tijd vele medewerkers (waaronder het genoeg zij te noemen de heeren A.P. van Gro-

[p. 469]

ningen, Jhr. J.W. van Sijpesteijn en Dr. J.J. Viotta) maar de beloofde medewerking van vele anderen liet vaak vergeefs op zich wachten, tot eindelijk alleen de doorkundige boekhandelaar Eekhoff te Leeuwarden als medewerker overbleef en de geheele last der bewerking de schouders van den hoogbejaarden redacteur drukte. Slechts zeldzaam ontving deze bijdragen, maar des te meer werden klachten aangeheven van hen, die de namen hunner voorouders, schoon zij geen of weinige verdiensten hadden gehad, niet in het Woordenboek vonden, en dat in weerwil der herhaalde uitnoodigingen in de nieuwsbladen om bijdragen aan allen die hunne geleerden of letterkundigen of voorzaten wenschten vermeld te zien. Van velen mocht hij, inweerwil van dringend verzoek, geen inlichtingen bekomen, anderen weigerden hunne hulp tenzij de redacteur zich naar hunne overtuiging voegde.

Doch in weerwil van deze en vele andere bezwaren, ook ziekten en huisselijke rampen heeft hij het werk niet alleen mogen voleindigen maar er ook een Bijvoegsel van tusschen de jaren 1857 en 1878 overledene en van sommige in het hoofdwerk niet vermelde mannen en vrouwen van beteekenis mogen toevoegen.

Niemand gevoelt gewis meer dan hij de onvolledigheid van zijn werk; maar toch verdient het met alle recht niet alleen hoogst nuttig - het gebruik dat er reeds binnen en buiten Nederland van gemaakt is en wordt kan het getuigen - maar eene hoogst belangrijke bron voor onze geschiedenis en letterkunde, die in den vreemde meer en meer gewaardeerd worden, genoemd te worden. Men mag het als het fondament beschouwen van een groot gebouw waarop anderen kunnen voort bouwen, een pendant van de menigte werken van dien aard, die reeds lang in alle beschaafde landen van Europa zijn verschenen en nog dagelijks het licht zien.

Mochten zij, die het gebruiken, de gebreken goedgunstig voorbijzien, ter wille van het vele goede en nieuwe dat er in gevonden wordt, dan is aan den wensch van Redacteur en Uitgever voldaan, terwijl de eerste zich steeds zal bezig houden met zijn exemplaar te verbeteren en aan te vullen ten dienste van hen, die vroeg of laat, hunne aanteekeningen op dit Woordenboek wenschen in het licht te geven.

 

Augustus 1878.