Abba (Mr. Bartholomeus) leefde omstreeks de helft der zeventiende eeuw, als regtsgeleerde te Leyden, zoo als wij meenen te moeten opmaken uit het opschrift van het dichtstukje getiteld: Leidens Wellekomst aen d'E Heere Mr. Cornelis de Witt, Borgermeester en Raedt tot Dordrecht, Ruwaert van Putten, Hoogeschoolbezorger te Leiden, hetgeen wij vinden in het Swart toneelgordynopgeschoven voor de gebroeders Cornelis en Joan de Witt. Hij maakte slechts nu en dan een gelegenheidsvers, dat hij met vergelijkingen uit de fabelleer en oude geschiedenis doorspekte. Zijne verzen waren vrij vloeijend, doch hebben geene bijzondere verdiensten; in het Swart toneelgordyn vindt men, behalve dat, waarvan wij hierboven den titel vermeld hebben, nog een drietal
stukjes allen gerigt aan Leden van het geslacht der De Witten, met hetwelk hij zeer bevriend schijnt te zijn geweest. Tot proeve van zijnen dichttrant strekke het kortste dier stukjes getiteld:
In de Nieuwe verzameling van Mengeldichten, Amsterdam 1727, zijn twee rijmen van veel mindere gehalte opgenomen, dan die in het Swart toneelgordyn
voorkomen, beide zijn gerigt aan jonge dames. In het eene zingt hij de gezusters Bollen toe:
terwijl wij een weinig verder lezen:
Ook vindt men een gedicht van hem voor het veranderlijk geval van D. Heinck Pz. Amst. 1663, 4o.