eene Reden-caert uitschreef ‘aen alle vrye ende toeghelate cameren der nutbare konst van Redenrijck, ende dat tegen den eersten julij des jaers 1641’ verscheen aldaar ook:
Aerd (C.J. van), als Lid van de Rederijkkamer den Maeslandsch olyfboom, onder de zinspreuk: 't spruyt uyt liefde, met een antwoord op de vrage: Wat oeff'ning is elck best en noodigst voor 't gemeen; eene verklaring op den Regel: Geluckigh is het Landt, daer sulcke Volckren wonen, en een liedt op den sin: Die God heeft tot syn hulp geen dingh hem hinder doet. Ten proeve deelen wij den aanhef van het eerste stuk hiermede:
Wij twijfelen of onze lezers, na deze regels gelezen te hebben, wel lust gevoelen, om dit gezang te hooren en zullen het dus hier maar bij laten berusten.