Omtrent Alphen (Petronella Cornelia van), overleden te Rotterdam den 16 Julij 1833 in den ouderdom van 70 jaren, vinden wij het volgende opgeteekend: ‘ofschoon op den rang van geletterde vrouw geen aanspraak makende, had zij zich echter zoo door in 1810 uitgekomene zeer druk gezochte Gedichtjes voor de jeugd, als door een aantal, hier en daar geplaatste, zinrijke Dichtstukjes, meestal van zedekundigen en satyrieken aard, in de letterwereld eenigzins bekend gemaakt; te meer daar zij zich vroeger, door persoonlijke naïve en tevens kiesche voordragt, in meer dan eene Letterkundige Maatschappij van hare kunst-zusteren meende te onderscheiden.’ 2 Iemand die haar van nabij moet gekend hebben, meldt ons echter, dat haar uiterlijk niet bekoorlijk genoeg was, om haar tot eene bevallige spreekster te maken, en de verguizing van vaderlandsche zeden in haar te doen verschoonen. Voorts vinden wij van haar getuigd: ‘dat zij aan fijn vernuft, schrandere menschen- en opgeklaarde godsdienstkennis, eene
zeldzame mate van menschenliefde paarde, die niet schroomde eigen fortuin, rust, ja, ware zulks noodig geweest, het leven voor hare vrienden ten beste te geven’ 1. Een der kortste van hare voortbrengselen, getiteld: De Pier en de Meelworm, Fabel, volgt hier als proeve: