Arntzenius (Robert Hendrik) werd den 19 December 1717 te Amsterdam uiteen deftig geslacht geboren, welks naam sedert vele jaren in de geletterde wereld met roem bekend is. Zijn vader was Mr. Pieter Nicolaas Arntzenius, een der drie zonen van Otto Arntzenius Rector der Latijnsche Scholen te Amsterdam, door vele uitgegevene schriften vermaard; zijne moeder uit een deftig geslacht geboren, en uitblinkende door vele voortreffelijke hoedanigheden van verstand en hart, was Margaretha Ida Armenault. Dit waardig ouderenpaar besteedde de meeste zorg aan de opvoeding van dezen hunnen eenigen telg, wiens gevoelig hart en vroeg ontluikend verstand voor hen het gelukkigst verschiet openden. Zijn vader een kundig regtsgeleerde, die daarbij de fraaije letteren en de dichtkunst met grooten lust beoefende, ontvonkte in de borst van den vurigen jongeling, die blakende zucht naar kennis, die liefde
voor de letteren en dien dichterlijken gloed, welke hem zijn gansche leven bezielden. Zijn ijverigst streven was, om hem vroegtijdig zijn vaderland te doen liefhebben, en bovenal zaden van deugd en godsvrucht in hem te doen rijpen en wortel schieten.
Na de eerste opleiding van zijnen vader te hebben genoten, werd de jongeling toevertrouwd aan het onderwijs van den toenmaligen Rector der Latijnsche Scholen te Amsterdam, Richaeus van Ommeren. Steeds roemde hij naderhand het geluk, dat hem in het onderrigt van dien voortreffelijken man was ten deel gevallen. Daarna tot de academische studiën aan het Athenaeum der hoofdstad bevorderd, vond hij in de lessen van de beroemde Hoogleeraren, Wijttenbach, Van Swinden en Cras, eene niet minder gunstige gelegenheid, om zijnen heerlijken aanleg te ontwikkelen, en zich in de studie der Regtsgeleerdheid te bekwamen. Doch hij bleef zich, gedurende de vijf jaren, die hij aan het Athenaeum doorbragt, met ijver op de beoefening der fraaije letteren toeleggen; verscheidene proeven zijner bedrevenheid in de Latijnsche dichtkunst zijn van dien tijd, en vele overzettingen, die door bevoegde regters nog als onovertroffen geroemd worden, vooral van de Elegiën van Tibullus in Hollandsche verzen, getuigen, hoe zeer hij in den geest der oude schrijvers was ingedrongen. Onder de Latijnsche verzen van hem worden reeds uit jeugdigen leeftijd geroemd: Vespera, 10 Nov. 1794. In veram vitae beatitudinem, 24 Dec. 1794. In Vindictam, 1795.(Zie Letterbode, 11Jan. 1799). Van de vertalingen deelen wij hier als proeve mede die van de derde Elegie van het tweede boek:
Dikwijls roemde hij die jaren zijner jeugd, waarin hem zulke voortreffelijke vrienden als Kemper, Falck, Van Lennep, De Vries en anderen, waren te beurt gevallen, met welke hij innig verbonden was en bleef. Na de uitgave eener Regtsgeleerde proeve, onder voorzitting van den Hoogleeraar Cras met lof verdedigd, De confessione doli in delictis, werd hij, aan de Hoogeschool te Leyden, in het jaar 1798, tot meester in de regten bevorderd 1. Hij aanvaardde de loopbaan van pleitbezorger en bereikte reeds in het volgende jaar het toppunt zijner wenschen, door zijne echtverbintenis met de vriendin door hem gekozen, en die, door hare voortreffelijke gaven en deugden, ten volle waardig was zijn hart te bezitten, Jonkvrouwe Anna Elisabeth Tideman. Nadat hij in den aanvang van datzelfde jaar, zijnen braven vader had zien ten grave dalen, dien hij met tranen der opregtste kinderlijke dankbaarheid beweende, besloot hij als ambtenaar het vaderland te dienen en zag zich benoemd tot Secretaris van het Departementaal Bestuur van den Amstel, welke post hij, drie jaren later, met eene gelijke betrekking bij het Departementaal Gedeputeerd Bestuur van Holland verwisselde. Hij bekleedde daarna, gedurende de menigvuldige afwisselingen van Bestuur, aan welke ons vaderland in die jaren was blootgesteld, onderscheidene ambten, die met zijne regtsgeleerde studiën meer verwant waren. De kunde, eerlijkheid en ijver, welke hij in de waarneming der hem opgedragene bedieningen
steeds aan den dag legde, en welke soms, bij eene groote verantwoordelijkheid, buitengewone vastheid in beginselen vorderden, verzekerden hem door alle tijden heen het vertrouwen en de achting van de leden van het Bestuur dezer landen. Als een vereerend blijk hiervan moge strekken, dat, na de herstelling onzer nationale onafhankelijkheid, de Souvereine Vorst, in den aanvang van het jaar 1814, aan Arntzenius den aanzienlijken en veel omvattenden post van Advokaat-Fiskaal voor de middelen te lande in Noord-Holland opdroeg. Hij bekleedde dezen post tot in het jaar 1820, toen eene verandering in het beheer der middelen te lande dien deed vervallen. Met een eervol ontslag verkreeg hij daarop de waardigheid van Rijks-Advokaat in Noord-Holland; en met dezen de bevoegdheid om weder als gewoon pleitbezorger op te treden. Door het vertrouwen, dat hij in zoo ruimen mate van zijne medeburgers genoot, zag hij zich als zoodanig zeer spoedig in menigvuldige werkzaamheden gewikkeld, en velerlei betrekkingen van ondergeschikt belang, die hem in de stad zijner inwoning,Haarlem, van alle kanten werden opgedragen, vorderden al zijnen tijd en inspanning van den morgen tot den avond. Van alle kanten van het vaderland werd zijn raad in moeijelijke zaken ingewonnen, en het was zijn lust en genoegen, om met naauwgezetheid en ijver de belangen van allen, die zijn raad zochten, te behartigen, waar hij konde. Geen wonder, dat hij,in het jaar 1822, door de Staten van zijn gewest geroepen werd, om hen in 's Lands vergaderzaal te vertegen-
woordigen: doch het was niet dan na rijp beraad en in de overtuiging, dat zijn pligt het hem gebood, dat hij aan die vereerende keuze gehoor gaf. Want hij verlangde geene hooge betrekkingen of titels. Neen! de gulden middelmaat en het stil huisselijk leven waren de eenigste uitzigten, die hem tegenlachten. Als lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal gaf hij nu op uitgebreider schaal de blijken zijner kunde, ervaring en voortreffelijke beginselen; doch door vele en inspannende werkzaamheden overprikkeld, vermogt zijn gevoelig gestel geen weêrstand te bieden aan de vermoeijenissen, die aan zijne nieuwe betrekking, door de afwisselende hoofdzetel van het Bestuur in de Noordelijke en Zuidelijke gedeelten van ons vaderland, verbonden waren. Reeds kort na de opening der zitting in het najaar van 1823, werd hij in den aanvang van November gedurende eene vergadering der Kamer door eene heete koortsziekte aangetast, die hem, naar zijn gezin overgebragt, in weinige dagen te Haarlem deed bezwijken.
Ieder die eenigzins bekend is met de vele en uiteenloopende werkzaamheden en pligten, die Arntzenius te vervullen had, en waartoe hij zich door zijne groote welwillendheid altijd gereedelijk liet overhalen, moet verwonderd zijn, dat hij nog zoo veel tijd voor de beoefening der letteren en dichtkunst konde afzonderen. Getuigen zijn daarvan de menigvuldige geschrevene vertoogen en dichtstukken door hem nagelaten.
Met den meesten grond vermeenen wij te mogen vaststellen, dat ware de noodige rust zijn deel geweest, zijne wetenschappelijke rigting eene veel hoogere
vlugt zoude genomen hebben, en hij onder de eerste geleerden van zijnen tijd zoude hebben uitgeblonken. Nu strekte de beoefening der fraaije letteren en vooral der dichtkunst slechts tot verpozing en verlustiging, en tot eene uitspanning van zijne drukke bezigheden; doch de wijze, waarop hij haar beoefende, getuigt van zijnen voortreffelijken aanleg en den wezenlijken dichterlijken gloed, die hem bezielde. De schoonste voortbrengselen der Grieksche en Latijnsche dichters waren hem gemeenzaam, die der nieuwere letterkunde hem bekend, en met de schatten der vaderlandsche letterkunde van vroegeren en lateren tijd was hij innig vertrouwd. Reeds in het jaar 1801, dus op drie-en-twintigjarigen ouderdom zond hij eenen fraaijen bundel gedichten in het licht, waarin stukken voorkomen, welke hij op zijn vijftiende of zestiende jaar vervaardigd had; onderscheidene proeven van zijn kunstvermogen, meest in letterkundige kringen der hoofdstad voorgedragen, zagen achtervolgens in verschillende verzamelingen het licht, van welke wij hier alleen melding maken van dat alom bekende voortreffelijke en van de schoonste beelden in de keurigste taal overvloeijende dichtstuk, het geen onder den titel van Menschenkennis bevorderlijk tot volmaking in het 2e stuk van de Euterpe gedrukt is. Wij kunnen ons niet weerhouden hier de volgende regels af te schrijven:
Dit dichtstuk komt ook voor in het tweede deel zijner Nagelaten gedichten, door zijnen oudsten zoon Mr. P.N. Arntzenius, te Haarlem bij Vincent Loosjes in 2 deelen, in het jaar 1825 uitgegeven; zijnde deze een klein gedeelte van een groot aantal handschriften, uit welke volgens bevoegde regters nog zonder moeite eene keus zoude kunnen worden gedaan, die onze Nederlandsche letterkunde tot eer zou verstrekken en door het publiek gretig ontvangen worden. Nog zijn vele gedichten van hem opgenomen in de Dichterlijke Handschriften, door Uylenbroek uitgegeven, in den Muzen-Almanak en andere verzamelingen.
Bijzonder muntte Arntzenius uit als dichter, wanneer hij voor liefde, vriendschap, vaderlijke en kinderlijke teederheid, en huwelijkstrouw de snaren stemde, of wanneer menschen- en vaderlandsliefde, deugd en godsvrucht zijn dichtvuur ontgloeiden. De zachte en gevoelige stemming zijner ziel, die hem doorgaans kenmerkte, is allerwege in zijne gedichten te herkennen en vervult ons met de tee-
derste gewaarwordingen, die ons den mensch soms nog meer doen beminnen, dan den dichter bewonderen. Of is dit niet het geval in het volgende stukje: bij het Lijkje van zijnen zoon Robbert Johannes.
Over het algemeen was hij een meester in het vervaardigen van gelegenheidstukjes, die hij aangenaam wist te wijzigen en bevallig in te kleeden; zijne verzen zijn zachtvloeijend en getuigen hoe gemakkelijk zij door hem werden te zamen gesteld: van velen moge hier het volgende ten proeve verstrekken.
In zoodanige huisselijke stukjes, waarin zachte godsvrucht, met liefde voor Echtgenoote en kroost vereenigd zijn, muntte hijvooral uit. De beelden waarvan hij gebruik maakt, zijn ongezocht, en zeer juist aangebragt. -
Hij was een werkzaam lid van de vereeniging Demokriet te Haarlem, een gezelschap, waar ieder lid den naam eens ouden dichters heeft, en waarin hij die van Le Francq van Berkhey droeg. Meest zijn de gedichten die aldaar worden voorgelezen op opgegeven onderwerpen vervaardigd en van vrolijken inhoud; meermalen vergaste hij dan ook de leden op een Dichtstuk, dat van echten luim getuigde. Als proeve geven wij het navolgende tot hiertoe onuitgegeven stukje:
Nog zijn wij in staat gesteld den volgenden onuitgegeven Lierzang hier mede te deelen.
Arntzenius paarde aan de gaven van vernuft, gevoel en verbeeldingskracht, welke meer den dichter vormen, eene ongemeene vlugheid van bevatting, levendigheid van geest, helderheid van verstand en scherpzinnigheid van oordeel. Met regt mogt hij een man van uitgebreide kundigheden heeten en muntte hij niet slechts als regtsgeleerde, zoo wel door grondige kennis, als schitterende begaafdheden
uit, maar handhaafde ook in andere betrekkingen, als Correspondent van het Kon. Ned. Instituut, Secretaris van Teylers Stichting, Curator der Latijnsche Scholen, Lid van den Raad, Lid der Maatschappij van Nederlandsche letterkunde te Leiden, en der Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem, welke hij meermalen over belangrijke onderwerpen voorlichtte, den letterkundigen roem van zijn geslacht.
Zwaar derhalve en treffend was het verlies, hetwelk het vaderland en de geletterde wereld door zijnen vroegen dood onderging, doch bovenal treffend voor zijne nagelatene weduwe en negen onmondige kinderen, voor wie hij ook als verzorger van zijn gezin onontbeerlijk was, en voor zijne grijze eerbiedwaardige moeder, die hem echter eerlang in het graf volgde. Als vader en echtgenoot, was hij een heerlijk toonbeeld van trouw, teederheid en verstandige zorg; de zaligheden van een gelukkig huwelijk, door zijn keurig dichtpenseel meermalen zoo treffend geschilderd, waren in zijn huisgezin verwezenlijkt, waar ieder zich even zeer beijverde, om op zijn voorbeeld door eene getrouwe pligtbetrachting het algemeen geluk te bevorderen. Zijne nog in leven zijnde kinderen zijn: Ida Johanna; Mr. Pieter Nicolaas, Advocaat-Generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden; Bruno, onlangs van Batavia terug gekomen, waar hij lid was van de Faktorij der Nederlandsche Handel-Maatschappij; Diederik Johannes Agathus, Medicinae en Chirurgiae Doct. te Amsterdam; Gulian Cornelis, Fabri-
kant te Goor; Anna Elizabeth; Robert Hendrik, Geëmploijeerde bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij te Batavia, en Jan Otto Hendrik, Luitenant ter Zee der 2e klasse.
Zijn omgang in het gezellig verkeer was door zijne hartelijkheid en welwillendheid hoogst aangenaam, aan zijne vrienden was hij ten sterkste verknocht, en zijne menschenliefde deed hem gaarne aan ieder ongelukkige hulp verleenen; nimmer onttrok hij zich, wanneer hij eenig nut kon stichten, om tot bevordering van een heilzaam doel mede te werken. De hechte steunsels eindelijk, waarop deze edele hoedanigheden in Arntzenius rustten, waren echte godsvrucht, die in alle omstandigheden zijne handelingen bestuurde, innige liefde tot Christus als zijn Verlosser, en de kracht waarmede diens leer en voorbeeld op hem werkten.