Barbaz (Abraham Louis) den 14 Julij 1833, in 63 jarigen ouderdom, te Amsterdam overleden, vervaardigde, te rekenen van het jaar 1793, een aantal dichtwerkjes, waarvan eenige vooral betrekking tot Amsterdam hebben, als: Amsterdam bij den nacht beschouwd; Wandeling langs den IJkant; Het feest van Thalia; Weelde en verval, enz.
Ook heeft men van hem eenige goede vertalingen, meestal uit het Fransch, als: de Fabelen en vertelsels van Florian (dit in gemeenschap met P.G. Witsen Geysbeek); de Jaargetijden, naar Saint Lambert; de Pharsalia naar de Fransche vertaling van De la Harpe; de Henriade van Voltaire, enz. In den jare 1812 zag zijne Nieuwe Tooneelpoëzij, 4 deelen in octavo het licht, en in 1825 zijne Dichterlijke Herfstvruchten. Uithoofde van de omstandigheden, waarin hij zich gedurende een aantal jaren bevond, moest zijne dichterlijke gave hem vaak aan brood helpen; van daar heeft hij veel uitgegeven; en de lijst van alle 's mans dichtvruchten zoude een paar bladzijden van dit ons werk beslaan. Wij verwijzen onze lezers daarom liever naar de Alphabetische lijst van boeken welke sedert het jaar 1790 tot en met het jaar 1830 in Nederland zijn uitgekomen, alwaar men allen vermeld vindt.
Het spreekt van zelf, dat alles bij hem geen goud is, wat er blinkt, en dat er ook veel middelmatigs onder gevonden wordt. Men kan Barbaz evenwel hier en daar geene geringe mate van geest ontzeggen. Wie toch blijft onbewogen bij het lezen van de volgende episode uit zijn dichtstuk de Lof der weldadigheid.
Barbaz was een man van opregten inborst en deugdzame grondbeginselen.