vader overleed. Na de pacificatie van Gent begaf zijne moeder zich weder naar Vlaanderen, en vestigde zich met der woon te Gent. Hier leidde de jonge Baudart zich met vlijt en gelukkig gevolg op de Latijnsche en Grieksche talen toe, waarmede hij reeds in Engeland begonnen was. Een jaar nadat Gent door den Prins van Parma was ingenomen, dus in het jaar 1585, begaf Baudartius zich naar Leyden ter studie, van waar hij een jaar later naar Franeker vertrok. Hier zijnde werd hij, in het jaar 1589, tot Conrector der Latijnsche school te Sneek beroepen, welk ambt hij anderhalf jaar waarnam. Toen echter, vooral door het geven van privaatlessen, gelds genoeg bijeen gezameld hebbende, om eene buitenlandsche Hoogeschool te bezoeken, ging hij te Heidelberg Daniel Tossanus, Jacobus Kimedontius, David Parneus en Quirinus Reuterus hooren; vervolgens naar Nederland teruggekeerd, en verder eerst te Franeker en voorts te Leyden zijne godgeleerde studiën voortgezet hebbende, werd hij te Kampen tot Predikant beroepen. Van Kampen begaf hij zich drie jaren later naar Lisse en van Lisse vervolgens naar Zutphen. Daar zijnde, zag hij zich in 1618 en 1619, nevens Bogerman, en Bucerus, door het Synode van Dordrecht aangesteld, tot de vervaardiging der nieuwe vertaling van het Oude Testament, hetwelk ten gevolge had, dat hij in 1624 met der woon naar Leyden vertrok. Aan dezen arbeid besteedde hij met Bogerman, zijnde Bucerus inmiddels overleden, ruim zes jaren, na verloop van welken tijd hij weder naar zijne vorige standplaats terugkeerde, waar hij in het jaar 1640
overleed. Behalve onderscheidene andere werken in prosa, door hem vroeger en later in het licht gezonden, liet hij in het jaar 1605 voor de eerste maal, en in het jaar 1620 voor de tweede maal, vermeerderd met een tweede deel, drukken: Apophthegmata Christiana, ofte gedenckweerdige, leerzame en aerdige spreucken van vele en verscheidene christelycke en christen-gelycke personen gesproken; in 17 Boecken onderscheyden, na den tydt, in welcke de personen, welcker spreucken hier verhaelt worden, geleefd hebben. Alles uit vele Gheloofweerdige Schribenten, met grooten vlyt versamelt tot dienst aller menschen, van wat staet dat zy wesen mogen, in druck verveerdigt, en met vele schoone leersame Historien verryckt. -
Dit werk bestaat grootendeels uit prosa, met dichtregelen (meest vertalingen) afgewisseld, die geen hooge gedachten van het dichterlijk talent van Baudartius inboezemen; iets vloeijender en meer dichterlijk zijn de oorspronkelijke rijmen, die er hier en daar in voorkomen, ten bewijze diene:Den ondanckbaren Arent, op de Afgryselycke moort van de keysersche, bedreven tot Maeghdenburgh.
In 1625 verscheen mede van hem in dichtmaat: Wyeghe ofte Afbeeldinge hoe de Spaensche en Paepsche princen door haere listicheyt alle Coningen en Princen in slaepe wiegen.Ook moet hij volgens zijne eigenhandige thans voor ons liggende levensbeschrijving nog vervaardigd hebben: Rymen ofte verssen op het Nederlansche Caertgen by Jodocum Hondium gesneden en gedrukt; Rymen op de plaeten van de Historye Josephi; ende nu en dan een Carmen, Rym, Prefatiën, enz.1.