Beekman (Johannes). Het is bekend dat groote rampen de vruchtbare moeders zijn van poëtische voortbrengselen, maar ook van ellendig prulwerk. Toen in 1809 een noodlottige watervloed voornamelijk Gelderland teisterde, gaf onder het motto: Een gans klapt onder de zwanen, Johannes Beekman, een jongeling van burger afkomst te Leyden, een vers uit Aan het volk van Nederland, dat, even smakeloos als gebrekkig, een toonbeeld was van de verwaandheid van den persoon des schrijvers, die zich op den titel zelve een jong dichter noemt. Als een proefje diene het navolgende:
Wekte dit koddige stuk den spotlust van velen op, zoo dat het verzen en rijmen ter eere van den dichter regende, er verscheen zelfs te Leyden bij de weduwe M. Cijfveer Jz. een Lauwerkrans voor den onvolprezen dichter Johannes Beekman, gevlochten door eenen beminnaar van echte dichterlyke verdiensten, in welken Beekman op eene geestige wijze vergeleken wordt bij Elias van Booren, over wien wij hier lager zullen spreken. Daar heet het: