Beer (Mr. Pieter Leonard den) werd den 3 October 1771 te Schiedam geboren, waar zijn vader, Leonardus den Beer, Burgemeester was. Reeds vroeg legde hijgeneigdheid tot de letteroefeningen aan den dag; ook werd hem eene geleerde opvoeding gegeven. Eer hij nog den ouderdom van twintig jaren bereikt had, aan de Leydsche Hoogeschool tot Doctor in de regten bevorderd zijnde, trad hij eenige jaren daarna in 's Lands dienst bij de Staats-secretarij,
en werd, kort na de gelukkige herstelling van het huis van Oranje, als Ontvanger te Zwolle aangesteld, welken post hij tot aan zijnen dood, den 5 Januarij 1830, is blijven waarnemen. Zijne lievelingsuitspanning was de dichtkunst; doch zijne ambtsbezigheden, bij de zorgen voor een talrijk kroost, beletteden hem aan die studie den tijd te wijden, welken zij vereischt, om er eene aanmerkelijke hoogte in te bereiken; behalve nog dat zijn reeds vroegtijdig verzwakt gezigt en zijne wankelende gezondheid dikwijls den lust daartoe in hem verdoofden. Er is van zijnen dichterlijken arbeid, een enkel gelegenheids-versje uitgezonderd, niets in druk verschenen dan hetgeen door hem in de meeste jaargangen van den Nederlandschen Muzen-Almanak is medegedeeld en waarvan wij hier een als proeve mededeelen:
In alle zijne stukjes heerscht die zelfde zachte godsdienstige toon, dien hij zoo dikwijls in zijne woonplaats gelegenheid vond uit de lier te hooren klinken van den beroemden Feith, in wiens vriendschappelijk verkeer hij vele genoeglijke en troostrijke oogenblikken slijten mogt. Wij kunnen ons niet wederhouden ook het fraaije stukje, de Jongeling en de dood getiteld af te schrijven: