terug  begin  verderprepost

[Willem Bilderdijk]

Bilderdijk (Willem) werd geboren te Amsterdam op den 7den September des jaars 1756, uit deftige ouders, door afkomst en maagschap aan meer dan ééne oude en in Nederland historische familie, zoo uit den tijd der Republiek als uit dien der middeneeuwen, verwant. Zijn vader, Doctor Isaac Bilderdijk, oefende langen tijd de praktijk der geneeskunde in zijne vaderstad uit. Deze, een man zijnde van naauwgezette eerlijkheid, en even driftig van aart als stevig van karakter, berokkende zich door zijne vurige verkleefdheid aan het huis van Oranje en door zijne vrijmoedige gisping van de aristocratische party, niet weinig vijandschap, en de ongegronde aantijging van tot de zoogenaamde Doelisten te hebben behoord. Bij het dien ten gevolge sterk afnemen zijner praktyk, werd hem, na den dood van den Stadhouder Willem IV, door de Prinses Weduwe het ampt van Opziender over de maniantie der Collective middelen opgedragen, aan welks getrouwe waarneming hij tot in gevorderden ouderdom tijd en krachten besteedde, zonder evenwel de geliefkoosde studie der medicijnen, of de liefheb-

[p. 130]

berij voor dichtkunst, die hem eigen was, te laten varen. Als dichter onderscheidde zich Doctor Bilderdijk wel niet door eene zoo hooge vlucht, maar veeleer door zekere niet alledaagsche gespierdheid van versbouw, die in de nog voorhanden Arria en Paetus, Tomyris, en andere Tooneel- en Dichtstukken, inderdaad uitsteekt.

De kindschheid van Bilderdijk den zoon leverde niets zoo bijzonder in het oog vallends op. Veelal in zich zelven gekeerd, gaf hij wel bij het leeren in huis en op de kinderschool blijken van vlugheid en meerderheid boven velen van zijne jaren, maar liet zich evenwel minder nog van dat groote genie, dat in hem sluimerde, destijds ontwaren, dan van die oorspronkelijkheid van karakter welke in menschen van buitengewonen aanleg zich vroeg reeds in kleinigheden openbaart. Dus, onder anderen, liet hij, nog zeer jong kind zijnde, zich eens een onverdiende straf opleggen, zonder eenige moeite te doen om die door eene eenvoudige verklaring van het gebeurde billijk te ontgaan, gevende voor reden, dat het de zaak was van den gene die strafte, om den beschuldigde eerst te ondervragen, en zelf te weten wat hij deed.

Ernst intusschen, diep gevoel, en nadenken, tot welker mededeeling hij eerst veel later genoegzamen rijkdom van woorden vond, en waarvan de uitkomsten altijd liefst door hem werden toebetrouwd aan het papier, kenmerkten, volgens Bilderdijks eigene herinneringen op dat punt, die vroegste levensjaren, welke bij hem eerder onder een nevel van somberheid voorbij snelden. Wat aandoenlijke zucht

[p. 131]

reeds toen in het hart des toekomenden Hoofddichters verborgen lag, laat zich opmaken uit een vers, Gibeon getiteld, dat later omgewerkt en in 1808 in zijne Najaarsbladen geplaatst 1, aldaar de dagteekening van 1760 als die van zijnen vroegsten oorsprong voert. Een andere veel vollediger Herinnering aan zijne kindschheid bezitten wij in een Dichtbondel uit later tijdvak 2, in dien schoonen Horatiaanschen Lierzang, welke, deze zelfde woorden ten opschrift voerende, aldus aanvangt:

 
Wanneer ik, nog een teder kind,
 
In 't eenzaam van den hof,
 
Meer mijmerziek dan speelsgezind,
 
Het hoofdhair zwierende in den wind,
 
Een somber plaatsjen trof;
 
 
 
Dan greep my soms eene ijzing aan,
 
Wanneer ik de oogen sloeg
 
Op de intreê van de levensbaan
 
Die 'k eens als Jongling in moest gaan,
 
En naar bestemming vroeg.
 
 
 
Dan zag ik als met afschrik rond
 
Op elken levensstand;
 
En delvend naar mijns harten grond,
 
Of ik er 't minste trekjen vond
 
Aan zulk een doel verwant?

En verder:

 
Geen dartelende ringelduif
 
Bestak my hupplens moê
 
Met lovertjens uit Venus huif,
 
Noch drukte met haar donzen kuif
 
Mijn neigende oogjens toe.
 
 
[p. 132]
 
Geen palmstruik boog zich over my,
 
Geen myrth of lauwrenspruit;
 
Geen lelie hief zich aan mijn zij',
 
Geen veldvink goot zijn melody
 
Omtrent mijn slaapsteê uit.
 
 
 
Ik rees, maar vond op 't hooge duin
 
Geen lust in 't mulle zand,
 
Geen roosjens in de lentetuin,
 
Maar staarde soms op mossig puin,
 
En dacht aan Teisterbant.

En ten slotte:

 
Geen wenschen, geen verlangen meer!
 
Geen wil, geen eigen zin!
 
Geen wareldweelde, schat, of eer.
 
In GOD is 't al wat ik begeer,
 
Is al, wat ik bemin!

Een schijnbaar gering en in het eerst weinig geteld voorval gaf omstreeks zijn zesde jaar een in de gevolgen beslissende wending aan zijn volgend levenslot. Een trap op den voet, hem door een speelnoot ongelukkig toegebracht, had eene zoodanige beleediging van het beenvlies ten gevolg, dat er allerlei heelkundige operatiën bij te pas moesten komen, wier vermenigvuldiging en bedenkelijke uitwerksels zijn gestel hevig aantastten en van dat gevolg waren, dat hij eerst op zijn zestiende jaar eene dragelijke gezondheid herkreeg, en voorts levenslang den meer of min verminkten voet eenigzins nasleepen bleef.

Van dit tijdstip af begint dat huis- en kamer-, veelal zelfs bedlegerig leven, op meer dan ééne plaats in zijne schriften herdacht. Hier, aan eigen nadenken

[p. 133]

en werkzaamheid bijna geheel overgelaten, legde hij den grond van die veelvuldige kennis en rijke wetenschap, die niemand minder dan Bilderdijk gezegd mag worden aan louter onderwijs van menschen of boeken te hebben ontleend. In wat verhouding eigen nasporing en zelfdenken van den beginne gestaan heeft tot het gebruik, dat hij toen reeds van boeken maakte, geeft hij zelve ergens 1 treffend te kennen op de volgende wijze:

 
Mijn leven was, van vroeg, in 't stil en eenzaam peinzen,
 
En 't handlen van de pen en teekenstift, verdeeld;
 
Het lezen - ? ja genoeg; maar mag men 't zich ontveinzen,
 
Hoe min ons 't lezen baat waar zich 't verstand bij streelt?
 
Wat leert het meestentijds, dan meê en na te praten
 
En vult het hoofd met waan dier kennis die men mist?
 
Wat, dan zich roekloos op eens anders hoofd verlaten,
 
Dat valschheid heeft gebroeid en ze ons voor waarheid discht?
 
En boeken - ? 'k dank ze aan U, o waardigste aller vrienden,
 
Wiens lijk ik volgde aan 't graf met kinderlijke smart.
 
Wiens boekschat, raad, en hulp my als eens vaders dienden,
 
En wiens gedachtnis steeds een vreugd blijft voor mijn hart.
 
Maar neen, ik had te veel de boeken voorgeloopen,
 
Daar ik in eenzaamheid my zelven onderhield;
 
Mijn hart stond voor 't begrip van andren niet meer open,
 
'k Was door een stillen geest met eigen oog, bezield!
 
Van kindsbeen vestte zich mijn aandacht op my-zelven,
 
Mijn denkenskracht, mijn geest, beweging, en verstand:
 
Dit trachtte ik uit mijn hart beproevend op te delven,
 
By 't werktuig van dit stof, met ziels- en lijfsverband.
 
Dit speelde als jongen knaap my altijd in gedachten;
 
De denkvorm, en de wil, de lijdlijkheid en daad:
 
Dit woelde in 't rijpend brein by slapelooze nachten,
 
Met d' oorsprong van de wet, en 't merk van goed en kwaad.
[p. 134]
 
De Wiskunst meê greep plaats, in 't kinderbrein ontloken,
 
Dat zelfs den naam niet kende of wist waar ze in bestond,
 
Doch jaren naderhand zich vruchtloos 't hoofd gebroken,
 
En 't geen zijn geest zich schiep in andre schriften vond. -

Zijne vroegste lectuur intusschen (zoo wordt deze plaats nader opgehelderd uit nog andere berichten, die in 's Dichters werken hier en daar verspreid zijn), de bron tevens zijner eerste overdenkingen en de aanleiding van zijn vroegste zelfonderzoek, bestond, naar oud Hollandsche wijze, uit den Bybel en Cats. Straks kwam daarbij al wat eerst de Boekerij van zijnen vader, straks die van Doctor Verschuur (den vriend, in de boven aangehaalde regels en meermalen elders met dankbaar gevoel herdacht) aan zijne weetgierigheid opleverde. Zoo werd al vroeg Letterkunde en Geschiedenis, Logica en Metaphysica, Natuurkunde, Anatomie, Physiologie en Pathologie, eerlang mede het Natuurrecht van Wolff bestudeerd. Schoonschrijven en teekenen, eerst als liefhebberij en tijdkorting aangegrepen, werd later vlijtig en regelmatig geoefend onder de leiding van Van Drecht. Van de studie der Bouwkunst verklaart hij, dat zij hem reeds vroegtijdig alle mathematische en esthetische genoegens vereenigd aanbood. De krijgstaktiek insgelijks trok zijne bijzondere belangstelling, schoon met een uitzicht, dat door de gevolgen van het opgemeld ongeval te loor ging.

De Dichtkunst stond bij alle deze studiën van Bilderdijks kinder- en jongelingsjaren nog niet zoo zeer op den voorgrond. De groote Latijnsche Lierdichter, met welken het onderwijs van zijnen vader, en vooral

[p. 135]

eigene oefening hem al vroeg zeer gemeenzaam deed zijn, wekte het eerst de dichterlijke zucht en kracht bij hem op. Later werkte ook de nieuwe Psalmberijming (a0. 1773 ingevoerd) op de dichtgave van den lijdenden knaap. Als Dichter zelf, trad hij niet dan na ongelooflijke oefeningen om het werktuigelijke der taal meester te worden, niet buitengewoon jong, en als zijns ondanks, in het openbaar op. Men zoude thans moeilijk de eerste vonken van dat voorbeeldeloos dichtgenie herkennen in eene Proeve van poëzy op twaalfjarigen leeftijd, later (a0. 1770) buiten zijn weten in de Letteroefeningen geplaatst. Het is eene Beschouwing van vijf tafereelen uit Josephs leven, in 's Dichters hoogen ouderdom, doch evenzeer buiten zijn weten, afzonderlijk verkrijgbaar gesteld 1.

Des te schitterender trad hij op eenige jaren later. Het Leydsche Genootschap Kunst wordt door arbeid verkregen, had voor prijsstof in het jaar 1774 uitgeschreven den Invloed der Dichtkunst op het Staatsbestuur. De jonge Bilderdijk, schoon de stof door sommigen vrij ondichterlijk werd geoordeeld, werd er door opgewekt tot een Lierzang, dien hij inzond, doch zonder zijnen naam in het besloten billet te kennen te geven. Hij werd bekroond. In het volgende jaar wachtte hem een nog glansrijker triomf. Op eene prijsstof van hetzelfde Genootschap: de ware liefde tot het Vaderland, zond hij een Dichtstuk in drie Zangen in, dat de gouden eerpenning, mitsgaders een Lierzang, die de tweede zilveren behaalde, terwijl de eerste

[p. 136]

zilveren toegewezen was aan de Baronnesse De Lannoy, dezelfde, wier poëzy hem eenigen tijd vroeger het ach' io son pittore! had doen uitroepen. Hij bleef haar, sedert, eene onbegrensde achting als kunstvriendin toedragen, en vereerde hare nagedachtenis eerst door de uitgave harer nagelatene Gedichten (a0. 1785), later door menige herdenking aan haren omgang, en aan dat dichtvermogen, hetwelk hem in rijpere jaren, bij het terugzien op dien leeftijd, ergens deed uitroepen 1:

 
Gy, gy alleen, Lannoy, gy echte Dichteres,
 
Wier tombe, omwemeld van Bataafsche lijkcypres,
 
Ik zelf met eigen hand uw lijkasch heb geschonken,
 
Verdiende in 't perk der eer eens Dichters hart te ontfonken;
 
Gy waart me een zegepraal, my dierbaar, mijner waard! -
 
Neen, Hollands Dichtrenoogst was tot dees tijd gespaard.

Als Willem Bilderdijk aldus zijne intrede deed in de Dichterlijke wereld, was hij nog alleenlijk in het ouderlijke huis en op zijn eenzaam kamertje geleerde of student; voor het overige op het Inspecteurskantoor zijns vaders, die dezen zijnen oudsten zoon gaarne tot de opvolging in zijn ampt had opgeleid, met de hem in alles eigene vlijt en ijver werkzaam. Doch zoozeer het boekhouden, als eene zaak van wetenschap, orde en netheid, ten allen tijde door hem eene belangrijke bezigheid geacht werd, zoozeer had hij toen reeds, gelijk in geheel zijn volgend leven, een onoverkomelijken afkeer van ampten. Hetgeen deswege tusschen den genievollen jongeling en zijnen

[p. 137]

anders door hem streng geëerbiedigden vader voorviel, heeft hij tevens ernstig en luimig beschreven in zijne Geboortsbestemming 1, bij de volgende zamenspraak:

 
Maar leven moet men; en het leven eischt ook eten;
 
Het eten - geld! - Wel nu? - Dit dient ge toch te weten;
 
En weet gy 't, weet daarby, dat ik als eerlijk man
 
Mijn kindren, na mijn dood, geen renten laten kan...
 
Daar wordt een stand vereischt, een middel om te winnen. -
 
In Gods naam! zoo 't moet zijn. - Wat zult gij dan beginnen? -
 
Studeeren. 'k Neem den stand van Arts of Advocaat. -
 
Studeeren? Wees niet dwaas, dat komt nu veel te laat. -
 
Waarom dan? - Dat vereischt een zevental van jaren. -
 
Ik ben geen knaapje meer, en zal den tijd wel sparen. -
 
Onmooglijk! maar een ampt...! - De hemel sta my by!
 
Een ampt, mijn vader! hoe! en waar een ampt voor my? -
 
Het mijne, ik ga reeds af. - (Daar zat oom Kool te kijken).
 
Een Ampt! en zulk een ampt! dat zou my slecht gelijken!
 
Hoe! ik bestieren? ik, het oog op andren slaan?
 
Ik orde houden, ik, en niets van iets verstaan?
 
Nooit leerde ik iets het minst verzorgen of besturen;
 
Ik kan 't mij zelven niet.

Het gevolg was, dat de opleiding tot het vaderlijk ampt overgedragen werd op den tweeden zoon, dien Johannes Bilderdijk, wiens voortreffelijk karakter en Christelijk afsterven in het jaar 1780, door onzen Dichter zoo aandoenlijk bezongen werden 2. Hij zelve mocht nu de studie kiezen, en bepaalde zich bij die der Rechten.

 
De vaderlijke zorg zocht me ampten. O mijn Vader!
 
Hoe aaklig was voor my het denkbeeld van een ampt!
 
My ampten, waardigheên -! my, eer en geldversmader!
 
Neen! zij voor 't eerlijk brood met stroomend zweet gekampt!
[p. 138]
 
Neen, sprak ik, kan mijn arm het krijgszwaard niet hanteeren,
 
Is 't harnas my door 't lot, door 's Hemels wil, ontzegd:
 
De tabbaard zal voor 't minst mijne afkomst niet onteeren;
 
Zoo strijde ik even fier voor onschuld, deugd, en recht! 1

Met dat oogmerk begaf zich dan Bilderdijk, toen reeds vier en twintig jaren oud, naar de Leydsche Hoogeschool. Nog in het ouderlijke huis wonende, had hij, behalve door de Prysvaerzen, zijn naam als Dichter geheel gevestigd door zijne navolging van den Koning Edipus van Sophocles (a0. 1779), en was ook als uitstekend Letterkundige zijne achting reeds groot bij mannen als Fontein, Valckenaer den vader, en andere sieraden der geleerde wereld en der Academiën in ons land. Tot dat zelfde tijdvak (1778 en 1779) behooren ook nog de luimige Brieven in verzen aan zijne eenige Zuster, waarvan in 1835 Jonkheer Mr. J.F. Van Breugel (aangehuwde zoon van Mevr. Wentholt, geb. Bilderdijk) een Zestal uitgaf onder den titel van Dichterlijke Uitspanning.Merkwaardig voorts voor de geschiedenis van zijne vorming beide als praktisch Dichter en theoretisch Dichtkundige is zijne a0. 1780 bij de Leydsche Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde bekroonde Verhandeling over het verband van de Dichtkunst en Welsprekendheid met de Wijsbegeerte 2.

Zijne Akademische loopbaan was, naar het oogmerk, hoofdzakelijk aan de Rechtsgeleerdheid gewijd. Met ongelooflijke inspanning hield hij te gelijk de vele

[p. 139]

vakken en wetenschappen, die hem reeds gemeenzaam waren, bij, en verkreeg hij in den beperkten tijd van twee jaren eene diepe en uitgebreide kennis van het Canonieke en Feudale, zoo wel als van het Romeinsche Recht. Dit laatste bleef hem ook sedert, en heel zijn leven door, eene geliefkoosde studie; waarvan zoo wel zijne uitgegevene Rechtsgeleerde Schriften, als zijne met keurige aanteekeningen op den rand dicht beschreven Corpus Juris, de blijken opleveren.

Zijn lijdend maar veêrkrachtig gestel trotseerde, vooral in die dagen, de vermoeijenissen van een leven, waarvan nog de tijdgenooten kunnen verhalen, dat meermalen twee van de drie nachten aan de studie in plaats van aan den slaap gegeven werden, en hij meer dan eens flaauw van uitputting op de Collegiën der Hoogleeraren nederzeeg. Te gelijk evenwel was zijne levenswijze alles behalve afgetrokken. Geleerde en gezellige kringen als ten huize van Schultens, Pestel, en andere mannen van dien stempel, bezocht hij gaarne. Ook zag hij zelf ten zijnent vele jonge lieden, waaronder, als tijdgenoot en boezemvriend, ook Van der Palm. Tot dit zelfde tweejarig tijdvak moet ook nog eene liefdegeschiedenis, een duël, en een proces behoord hebben. Maar vooral onderscheidde zich onze Dichter reeds toen door het stellige en vurige zijner politieke gevoelens, ondanks welke hij evenwel bij velen van de tegenovergestelde partij ruim zoo zeer in hooge achting stond, dan bij zijne eigene; terwijl van een anderen kant reeds allerlei schand- en lasterschriften in Couranten, als de Diemermeersche en Noordhollandsche, tegen hem uitvoeren, toen hij

[p. 140]

(waarschijnlijk niet op malschen toon, als men zich licht kan voorstellen) een aanzoek afgewezen had, om een lofvers te maken op de betrekking van Amsterdam tot de Americaansche Republiek. Tegen het einde van het jaar 1782 werd hij tot Meester in de beide Rechten bevorderd op 105 Theses, wier openbare verdediging gevolgd werd van eene Aanspraak, waarvan de warmte ten aanzien van eenen der Hoogleeraren hem zeer kwalijk genomen werd 1. Hij vestigde zich kort daarop als praktiseerend Advocaat voor de Hoven van Justitie in den Haag, en trad in den jare 1784 in den echt met Rebecca Catharina Woesthoven, zuster der aan Bilderdijk, ook na de treurige ontbinding van dat huwelijk, altijd verknocht geblevene Dichteres Mevrouw Elter.

Het kan niemand bevreemden, dat, gedurende dit tijdvak van 's Dichters bloeijendste jeugd, een hoofdvak van zijne dichterlijke werkzaamheid de Minnepoezij in onderscheidene vormen geweest zij. Zijn vurig, voor schoonheid en liefde even fijn als diep gevoelig gemoed gaf zich misschien wat zeer weelderig lucht in dien stroom van deels oorspronkelijke, deels aan Anacreon, Catullus, Janus Secundus, met geenen minderen gloed en kunst ontleende lust- en liefdezangen, die den inhoud uitmaken van twee zijner meest beroemde bundels van dien tijd: Mijne Verlustiging (a0. 1781), waarin onder anderen die overschoone vertaling van Theocritus, door hem Offerzang getiteld, voorkomt, en de Bloemtjes (a0. 1785). Nog eene derde verza-

[p. 141]

meling van Minnedichten, allen gericht aan haar, met wie hij tien jaren zijns levens in den band des huwelijks heeft doorgebracht, gaf in het jaar 1796, gedurende 's Dichters uitlandigheid, de Boekverkooper Elwe, onder den titel van Oden en Gedichten, even slordig als buiten eenig kopijrecht uit. Door de mismaking, in deze wederrechtelijke uitgave, van een dichtwerk, dat oorspronkelijk alleen tot verspreiding op losse blaadjes onder vrienden bestemd was geweest, zag zich Bilderdijk later genoodzaakt, niettegenstaande het pijnlijke der herinnering, eene tweede en gezuiverde uitgave daarvan zelf te bezorgen, die onder den titel van Odilde (a0. 1808) verscheen.

Wie intusschen hem wegens deze zijne erotieke poëzy moge hard vallen, - maar vooral wie zich door dat voorbeeld tot gevolgtrekkingen in het voordeel van eene zinlijke richting in het leven mocht aangemoedigd achten, - die leere uit de eigene schriften van den grooten Dichter tevens kennen uit wat eindeloos hooger dan het zinlijke standpunt, hij ook destijds reeds de echtelijke liefde beschouwde, en hoedanig een getuigenis hij, nog in later jaren, van de onbesmette zeden zijner jeugd kon afleggen, in zijn in alle opzichten zoo leerrijk en aandoenlijk vers aan Cats 1

 
Die kwijning, ach, waarby geen pijnen halen!
 
Wat schiep mijn boezem zich al schittrende idealen,
 
Gevormd, verdwenen, in een oogenblik, en ach,
 
Waar in mijn oog 't geluk, maar steeds omneveld, zag.
[p. 142]
 
Wat waart gy me in dien stond een trooster, een vertrouwde!
 
Een spiegel, waar mijn ziel heur beeltnis in beschouwde!
 
Een gids, die me, in mijn leed, hoe hoog mijn jammer rees,
 
De hand bood, steunde, en steeds op beter toekomst wees!
 
Die midden in 't verval der hoogstverbasterde aarde,
 
Door jonglingschap en jeugd mijn lichaam rein bewaarde,
 
En 's levens zaligheid, van dartlen onbesmet,
 
Alleen verwachten deed van 't kuische huwlijksbed.
 
Vergeefs mocht me een gestel vol vuurs en veêrkrachts dringen,
 
Vergeefs verbeeldingskracht uit alle banden springen,
 
Vergeefs mijn ligchaam zelfs bezwijken in dien strijd:
 
'k Leed alles: 'k had mijn jeugd één voorwerp toegewijd!
 
Één voorwerp, ach, dat God my eenmaal op mijn smeeken,
 
In de armen voeren mocht, om dierbaar kroost te kweken!...
 
 
 
Die loutring van het hart door Liefdes zuivre vlam,
 
Die aan der driften drang heur overmacht benam,
 
My de Echtkoets eeren deed als 't heiligst op deze aarde,
 
Wier schennis geene op aard in gruwel evenaarde,
 
U dank ik ze, u alleen.

Het was te voorzien, dat de oefening der Dichtkunst eenigermate lijden zoude bij het opnemen eener Rechtsgeleerde praktijk, waarbij onze Dichter zich niet slechts een eervol beroep, maar ook eene soort van kamp ter verdediging van vervolgden, en handhaving van de Oranjegezinde beginselen had voorgesteld. En inderdaad, geplaatst in het midden zijner pleitbeslommeringen en der politieke woelingen van die dagen, mag het tijdvak van a0. 1782 tot a0. 1787 wel het minst vruchtbare in Bilderdijks uitgebreide dichterloopbaan gezegd worden. Toch rustte zijne lier niet geheel. Behalve de reeds vermelde uitgave der Bloemtjes, leverde hij in den Deucalion en Pyrrha (insgelijks a0. 1785) een even schoone als geestig bewerkte Proeve van een Tooneelstuk, waarin uitgenomen bij

[p. 143]

de ontknooping, slechts twee personen het woord voeren. Van de Geuzen van Onno Zwier van Harenbezorgde hij, in dat zelfde jaar, in gekuischter taal en vaak gespierder poëzy, met vermeerderde ophelderingen en aanteekeningen, een nieuw bewerkte uitgaaf. De opdracht van dezen arbeid aan Willem den Vde was eene uitboezeming op nieuw van die gevoelens, voor welke hij geene gelegenheid verzuimde met een des te vuriger ijver uit te komen, naar mate zij destijds feller tegenspraak en miskenning bij de wederpartij plachten te vinden. Eindelijk gaf hij in schoone Nederduitsche verzen de Krygszangen van Tyrtéus (a0. 1787) uit, niet zonder een meer of min ironischen wederklank op den krijgslust der vrijcorpsen op dat oogenblik in het vaderland, gelijk uit de volgende regels mag opgemaakt worden, met het opschrift: Aan het hoofd van mynen Tyrtéus, in een later vergaderden Dichtbundel opgenomen 1:

 
't Schreeuwt alles, te wapen!
 
't Wil al in 't geweer!
 
In mannen en knapen,
 
Hoe oud of hoe teêr,
 
Hoe wel- of wanschapen,
 
Geen onderscheid meer!
 
't Kan rusten nog slapen,
 
Maar hongert naar de eer
 
Van kousjens met slopjens,
 
En knoopjens als dopjens,
 
En schoentjens met smeer.
 
 
 
De boer Alexandert
 
By mistpraam en kar;
[p. 144]
 
De burger, gebanderd,
 
Loopt om voor een' nar:
 
't Zwiert vaandel en standerd,
 
Hoe heet of hoe bar;
 
't Saizoen is veranderd,
 
En 't jaar in de war;
 
De kermis vol kuren
 
Schijnt eeuwig te duren
 
Aan 't poppengesnar.
 
 
 
Welaan dan, mijn vrinden!
 
Wil 't alles te veld;
 
Zijn de oorlogsgezinden
 
Nu meerder geteld,
 
En ruimer te vinden
 
Dan oordeel of geld:
 
Wil elk zich verblinden
 
Met d'eernaam van Held;
 
Welaan dan eens mede
 
Naar Attische zede
 
Den krijgstoon gesteld!

Maar voor 't overige, als gezegd is, was Bilderdijks ziel zoo wel als zijn tijd destijds geheel ingenomen en vervuld van de plichten van zijn beroep en zijne uitgebreide politiek-rechtsgeleerde werkzaamheid. Hij bewoog zich nu krachtig en vrij in dat element van krijg in den tabbaard (militia togata), waarnaar hij bij zijne studiën in dat vak zoo verlangend steeds had uitgezien. Een zijner in dien geest gevoerde, meest gerucht makende processen, was in het jaar 1786 dat van zekere Katharina Mulder (Kaat Mossel in den wandel genoemd, omdat zij te Rotterdam Stadskeurvrouw der schelpvisch was), die hij, nevens anderen van hare denkwijze, tegen de aanklacht van

[p. 145]

oproerigheid wegens Oranjeleuzen en kreten even gelukkig als manmoedig verdedigde, te midden van verwenschingen en dreigingen, waarvan hij ten slotte niet zonder een ligten bajonetsteek afkwam.

Hij zelve voorts beschrijft dat bij uitstek Rechtsgeleerde tijdvak van zijn leven, in de reeds aangehaalde Geboortsbestemming, met eenige hoofdtrekken aldus:

 
'k Begon het vak der Rechten,
 
Waaraan me en smaak en plicht met ijzren banden hechtten,
 
En 'k zwoer met hart en ziel aan dees mijn roeping trouw.
 
Om haar verduurde ik leed en arbeid, zweet, en kou';
 
Om haar doorwaakte ik nacht aan nachten, en verzaakte
 
Wat andren d' arbeid zoet, het leven dierbaar maakte,
 
Kleefde aan mijn schrijfdisch vast, en at mijn tweebak droog,
 
En dronk mijn slappe thee, gelukkig in mijn oog.
 
Waarvoor? voor d' armen wees, den lijdende en verdrukte,
 
D'onnoozle, dien mijn moed uit band en kerker rukte.
 
Of waar, waar wees ik ooit behoeftige onschuld af?
 
Waar leed ooit armoê nood, daar ik bekrompen gaf?
 
Waar diende ik ooit om 't geld, om aanzien of om gaven?
 
Waar schuwde ik haat of leed om recht en wet te staven?
 
Waar heeft mijn teedre zorg in Maagschapsband of Echt
 
De scheuring niet geheeld, den wrevel niet geslecht,
 
En liefde en heil hersteld? Wie onzer in 't ontwikkelen
 
Der duisterheên van 't recht, gevoelde heeter prikkelen?
 
Wie ijveriger gloed? wat scherpziend linxgezicht
 
Zag redding waar ik draalde, of waar ik 't opgaf, licht?
 
Zie daar mijn eersten teug, en mijn geboortsbestemming!
 
Maar elders - Hemel, ach wat bittre zielsbeklemming,
 
Waar 't menschenomgang gold, of eigen huisbelang!
 
Dan liep de molen straks uit onlust door den vang.

Met bekwaamheden en beginselen als de zijne, was Bilderdijk, vooral als Rechtsgeleerde, eerlang bij den Stadhouder bekend geworden, dien hij ook meer dan

[p. 146]

eens met raad en advies heeft gediend, en in wiens bijzondersten omgang hij in meer dan één opzicht in de gelegenheid was, zoowel 's Vorsten veelal miskende begaafdheden als zijne zwakkere zijden te leeren kennen. Van daar dat in 1787, bij het inrukken der Pruissen onder den Hertog van Brunswijk, op den Advocaat Bilderdijk de keus viel, om dien Veldheer bij Schoonhoven te gemoet te gaan, hem van daar af te begeleiden, ten einde hem in te lichten, zoo dikwerf rechten van bijzondere personen, steden, of dorpen eenigen inbreuk konden komen te lijden; insgelijks, ten aanzien van het terrein, (waarvan onze Dichter altijd een zeer naauwkeurige kennis getoond heeft te bezitten), als b. v. omtrent de bruikbaarheid of onbruikbaarheid der gronden, en wat des meer mag zijn. De Hertog was dan ook van de diensten, door den in alles bijzonderen Dichter en Advocaat bewezen, dermate voldaan, dat hij, na de overgave van Amsterdam, openlijk en luide op de parade aan den Overtoom die tevredenheid te kennen gaf, en zelfs betuigde den goeden uitslag zijner wapenen aan het goed beleid van zijn rechtsgeleerden Raadsman dank te weten.

De Omwenteling tot herstel van den Stadhouder nu volbrachtzijnde, zoude het Bilderdijk wel niet moeilijk geweest zijn, tot eene of andere aanzienlijke betrekking in de Republiek te geraken. Ook was er een oogenblik sprake hiervan. Doch bij zijnen natuurlijken tegenzin aan ampten, voegde zich nu weldra de afkeer van eenig deel te hebben aan mogelijke terugwerkingen van wat aart ook tegen

[p. 147]

de onderliggende partij. Treffend drukte hij zich ten dezen aanzien uit in het jaar 1790, in een Brief aan Adriaan Loosjes 1: ‘Ik acht het een waarachtig geluk voor my, dat ik zoowel van de party die ik aangekleefd heb (ik zou ze naar geweten aankleven, zoo de verdeeldheid nog voortging, maar ik hou de partyschap voor nedergelegd, en daarom bedien ik my van de uitdrukking des voorledenen) als van de andere onafhankelijk heb kunnen blijven, en terwijl ik de aanzoeken van den eenen kant afsloeg, aan den anderen generlei gunsten ooit gehad, of gezocht, of genoten heb, die mij van bijzondere inzichten kunnen doen verdenken. Voorts verzeker ik u, dat ik in de troubles noch Aristocraat, noch Democraat, maar waarachtig Republikein ben geweest. Of ik dat nog ben, zal ik u beantwoorden als ik weet of de Republicq nog bestaat; maar dat weet ik niet meer; en sedert dat ik dat niet meer wete, ontsla ik my ook van my ergens meê te bemoeijen.’ Wat deze laatste zinsnede betreft, zij wordt misschien best opgehelderd door de overtuiging die destijds reeds bij Bilderdijk bestond, dat het Vaderland niet te redden was dan door het in de plaats brengen eener eenhoofdige Regering aan den toenmaligen vorm van Republiek. Daartoe een beslissenden stap te doen, zal waarschijnlijk dat middel geweest zijn, waaromtrent hij meermalen in zijne schriften verhaalt zijne overtuiging aan den Prins te hebben gezegd, doch waartegen bij dien Vorst een onoverkomelijk gewetensbezwaar bestond.

[p. 148]

Met dit inzicht (waarvan het beginsel eigenlijk door heel de natie gehuldigd werd in 1813) is het intusschen te begrijpen, dat Bilderdijk, in allen geval geheel anders Prins- dan Pruisgezind, en zeker alles behalve aan het aristocratische element der toenmaligeOranjeparty verbonden, eene toenadering wilde met de volkspartij, en dus in zekeren zin te gelijk meer liberaal en meer monarchaal was, dan bij het gros van de wederzijden kon in aanmerking komen, of zelfs begrepen worden. Bij de zijnen dien ten gevolge niet naar waarde geschat, had hij des niet minder van de hevige omwentelingsgezinden, wegens beginsels en handelingen, bij eenen nieuwen omkeer van zaken wel het ergste te duchten. En wie weet wat gebeurd zoude zijn, indien ons de Fransche wapenen in 1793 in plaats van in 1795 de Bataafsche Republiek hadden gebracht?

Zoo keerde dan Bilderdijk na het deel dat hij had in de gebeurtenissen van 1787 tot zijne gewone levenswijze en werkkring terug; die levenswijze, deels eenzaam en afgetrokken (gelijk wij ze door hem zelven beschreven zagen), deels ook van wege den vrij hoogen voet, waarop zijn huis te dier tijde ingericht was, nog al woelig door velerlei omgang tevens. Het stille huisselijk geluk, dat hij zich altijd in den echt als de hoogste aardsche zaligheid had voorgesteld, was hem in dien eersten huwelijksband niet te beurt gevallen. Bovendien had hij in dien tijd reeds, gelijk later zoo veelvuldige malen in zijn tweede huwelijk, het zielgrievend verlies van kinderen te betreuren.

Kunst en poëzij waren hem daarbij, nevens die

[p. 149]

Godsdienst, waarvan in geen tijdpunt zijns levens het gemis hem dragelijk ware geweest, veelal tot verademing, vervulling, en troost.

Vruchtbaar bij uitstek was dan ook zijn dicht- en letterarbeid in het achttal jaren dat tusschen de twee omwentelingen wegsnelde. Onder den titel van Vertoogen van Salomo gaf hij a0. 1788 eene schoone dichterlijke uitbreiding van den Prediker. Schoon hem toenmaals het Christendom nog dat alles niet was, wat het later in ballingschap en door velerlei strijden hem werd, erkent men toch dezelfde gronden, die door den geloofsdichter van 1806 en 1823 zoo rijk ontwikkeld en levendig beleden werden, in het Voorbericht op die Vertoogen aan het slot: ‘Wat is wijsheid, dan God te kennen? en wie kan God kennen, dan door Hem, in wien al onze eeuwige en tijdelijke uitzichten zich vereenigen: op wien Salomo gehoopt heeft, en die ons het verloren eeuwig terug heeft gebracht. Hij, die geheel wijsheid, geheel Godsvrucht, geheel onderwerping en zelfverloochening, zich ten roof gegeven heeft, om ons te behouden.’ In een vers van dezelfde jaarteekening, Christendom getiteld, blijkt het even klaar, hoe ook toen reeds het middelpunt en wezen des Christendoms voor hem lag in eens Zaligmakers verzoenende en alles voldoende zondaarsmin:

 
Vrees God; betracht zijn wet; voorkom uws naasten leed;
 
Bemin hem als u zelv'; wees tot zijn hulp gereed;
 
Geef voedsel, kleeding, dak, en laafnis, die 't behoeven;
 
Vertroost met hartlijkheid den hardgevallen droeven;
 
Doe aan uw haters wel; vergeef die u misdoen;
[p. 150]
 
Maar waan niet, dat dit al den God der wraak verzoen'!
 
Neen, stervling, 't is, u zelv', uw ijdelheid te streelen,
 
Uw goedren voor 't vermaak van 't weldoen uit te deelen,
 
Uw wraak, uw vijandschap op te off'ren aan uw rust;
 
't Is ruiling van den een' voor d'andren aardschen lust:
 
't Is schuwbare afgodsdienst, zelfs strafbaar, in die oogen,
 
Die door geen schijnschoon, door geen voordoen zijn bedrogen.
 
Verdorven harten, neen; die deugd bevat geen deugd,
 
Geen aanspraak op Gods gunst en zijn beloofde vreugd,
 
Eer God! doe wel om hem! dat is zijn' dienst betrachten,
 
Dat is 't, wat van zijn hand vergelding heeft te wachten.
 
Maar, wel te doen om God! wat is, wat sluit dit in?
 
't Erkennend zelfgevoel van 's Heilands zondaarsmin.
 
Wie werkt dit? Hy-alleen, die, zelf voor ons voldoende,
 
Rechtvaardigde en verloste, en heiligde en verzoende 1.

Van dat zelfde tijdvak zijn ook zijne menigvuldige Bijdragen in de Kleine Dichterlijke Handschriften, uitgegeven (a0. 1788 tot 1809) door zijnen kunst- en boezemvriend P.J. Uylenbroek. Deze en andere losse verzen van onderscheiden soort en vorm, waaronder een aantal keurige overbrengingen van Oden van Horatius, van een Heldinnebrief van Ovidius, van de Landrust van Van Royen, vooral ook van Dichtstukken van Boëtius, zijn (a0. 1809) in een paar Deeltjes onder den titel van Verspreide Gedichten verzameld. De Dichter, eene schoone Ode a0. 1791 afzonderlijk verschenen, werd in dien zelfden Dichtbundel opgenomen. Nog andere poëzy van dezelfde jaren vond hier en daar in wederom andere Bundels eene plaats. In de Vaderlandsche Oranjezucht (a0. 1805) bij name, verscheen de krachtige en vooral om den

[p. 151]

tijd waarin hij gedicht werd (a0. 1793), hoogstbelangrijke Lierzang Aan het Volk van Denemarken 1, ter gelukwensching met het afschaffen hunner Constitutie in het jaar 1661 ten behoeve van een onafhankelijk koninklijk gezag.

In 1789 had hij intusschen wederom een blik geworpen op zijne vroeg geliefkoosde Grieksche Dichters. Een tweede Treurspel van Sophocles, den dood van Edipus ten onderwerp hebbende, zag in dit jaar in Hollandsche verzen het licht. Van zijne voortreffelijke overbrengingen der Ouden, zijn evenwel de beide Treurspelen van dien beroemden Athener misschien de gelukkigste, althands de schitterendste, niet.

Voorts blijkt het uit de reeds vermelde Briefwisseling met den Boekverkooper en Schrijver Adriaan Loosjes 2, dat er destijds en later bij Bilderdijk een plan bestaan heeft, om den geheelen Homerus in vrij en zwierig Nederduitsch Prosa over te brengen. Doch daar kwam niet van. Alleenlijk vindt men in de meergenoemde Verspreide Gedichten(II. 153-162) eene dichterlijke vertaling van een gedeelte van den Eersten Zang der Ilias, van dat zelfde tijdvak afkomstig. Die Vertaling of Navolging is intusschen op verre na niet te vergelijken met zijne veel latere overbrenging van het Zesde Boek der Ilias in de Affodillen, noch van het Vijfde en Elfde Boek der Odysséa in de Najaarsbladen.

[p. 152]

Maar onder al den dichterlijken arbeid van Bilderdijk in die dagen, wordt door zijn Elius, eene Romance in zeven Zangen (ook in andere opzichten als een Miniatuur-Epos tewaardeeren) de kroon gespannen. Met welke zorg hij dit Dichtstuk uitgewerkt en de uitgave bestierd heeft, voor welke hij, even als vroeger voor de Verlustiging en de Bloemtjens, de vignetten zelf niet alleen ontwierp maar ook etste, kan blijken uit zijne briefwisseling over deze aangelegenheid met Uylenbroek, bij wien deze prachtige Romance met eenige tot hetzelfde onderwerp behoorende Bijschriften (a0. 1788) verscheen. Hoog liep onze Dichter ten allen tijde met deze Dichtsoort op, waarvan hij zelve meer dan eens de naauwluisterende vereischten opgaf, onder anderen mede in de volgende regelen 1:

 
Hy kent dit kunstvak niet, hy toont het niet te kennen,
 
Die 't enkel losse scherts van weinig' arbeid acht.
 
't Valt lichter, Herkules ten Hemel na te rennen,
 
Of zich in 't bloed te baân van Pelops nageslacht.
 
Meer zullen er met roem op Thespis laarzen stappen,
 
En Klioos krijgstrompet doen daavren als om strijd,
 
Dan met een' enklen greep dat zachte schoon betrappen,
 
Dat met één schittring treft, en geene tooisels lijdt.
 
Dit vak laat woordenpraal noch opgeblazen zwelling,
 
Maar enkle waarheid toe; doch, zoo ze een Dichter ziet!
 
't Eischt schildring en gevoel by d' eenvoud der vertelling;
 
Maar schildring, los van trek, en vlak van koloriet.

Bilderdijk zelve heeft dan ook, door heel zijn dichterlijke loopbaan heen, altijd veel werk van dit vak gemaakt en er zich bij uitnemendheid op toegelegd.

[p. 153]

Zeer weinige bundels zijn er in die vijftig jaren van hem in het licht gekomen, waarin niet eene of meerdere Romances, hetzij oorspronkelijk of vertaald of nagevolgd, hetzij somber of luimig, en in het geheel van allerlei onderwerp en inkleeding, gevonden worden. Wij noemen, onder de menigte zijner voortbrengselen in dat vak, hier alleen de Ada 1, (Burgers) Roosjen 2, den Urzyn en Valentyn 3, de Assenede 4,de Marokkane 5, de Yrwin en Vreedebag, op Laplandsch 6, de Ahacha op Guineesch grondgebied 7, den Bruiloftsbrand, naar het Deensch van Staffeld 8. Onder allen intusschen niet één, die de vergelijking kan doorstaan met den Elius en den Floris de vierde. Op den Floris komen wij later terug. Van den Elius (de uit Legenden en Kronijken wel bekenden Ridder van de Zwaan, uit het Grieksche Keizerrijk afkomstig in de zevende eeuw) is het onderwerp de liefdegeschiedenis en echtverbindtenis van dien krijgsheld met de Erfdochter van Teisterbant, waaruit de huizen, van Kleef, Teisterbant, en Heusden afkomstig worden gezegd. Wij ontleenen eene proeve van hetgeen dit onderwerp den Dichter heeft kunnen opleveren uit den Tweeden en Derden Zang, waar de Zwaan eerst met den ring van Heile in den sneb zich bij den jagenden Elius nederstrijkt, straks het

[p. 154]

vlot des Ridders vooruitzwemt en hem den Rhijn af ten wegwijzer strekt.

 
Aan d'inham, daar de breede stroom,
 
In 't schuren van de wallen,
 
Een' houten' voorburg omgeleid,
 
Zijn meeste slib liet vallen;
 
 
 
Daar schuilde, in schaâuw van wilgeblaân
 
En hooggeschoten rieten,
 
De schoonste stroom- en vijverzwaan
 
Van alle watervlieten.
 
 
 
Die vogel had zich sins voorlang
 
In deze vrije plassen
 
Een donzig pluimennest bereid,
 
Met teder wier bewassen.
 
 
 
Daar vond hij met zijn fier gezin
 
Zich onder Diedrijks muren
 
De zelfde veiligheid verleend,
 
Als duizend nageburen:
 
 
 
Daar plag hij de opgezette borst
 
Te spieglen in de baren,
 
En met een' trotsgebogen' hals
 
Den landstroom op te varen:
 
 
 
Daar was hij Heiles zoetst vermaak
 
Door 't schittren van zijn pluimen:
 
Daar voedde hem heur blanke hand
 
Met keur van tarwekruimen.
 
 
 
Maar thands, in haar' ontroostbren rouw,
 
Van dag tot dag vergeten,
 
Thands aasde hij op 't enkle kroos,
 
En lisch, en waterbeeten.
 
 
[p. 155]
 
Dus weidend tusschen 't dichte wier,
 
Bij 't riet op één gekrompen,
 
Ontdekt en bijt hij in den ring,
 
Vast drijvende op de plompen.
 
 
 
Hij bijt, en drukt zich 't kantig goud
 
Door 't al te vinnig bijten
 
Onachtzaam in de harde sneb,
 
Dat vlies en beenders splijten.
 
 
 
Flux schudt hij kop, en hals, en sneb,
 
En trapt en klept door 't water,
 
En schreeuwt zijn pijn al wringende uit,
 
Met ijselijk geschater.
 
 
 
Hij krimpt; hij duikt; hij tuimelt om,
 
En rept de breede vlerken;
 
Maar al zijn woelen is onnut
 
Om 't kleinood los te werken.
 
 
 
Daar springt hij woedende op den wal!
 
Nu stort hij zich ten gronde;
 
En strooit den stroom met vlokken dons,
 
Bezoedeld van zijn wonde.
 
 
 
Hij spart en staart en wieken uit,
 
En heft zich naar den hoogen:
 
Ploft neêr, en schept in 't spattend nat
 
Een paar van regenboogen:
 
 
 
Rijst weêr, met opgesteken' kop
 
En uitgebreide pennen,
 
En kneedt en klieft de dunne lucht,
 
En - is niet meer te kennen.
 
 
 
Waar vloog hij? - Daar hij 't Rhijnstroomnat
 
Van de eeuwiggrijzende Alpen,
 
In éénen wijden kom gegaârd,
 
Langs 't Zwitsersch zand zag zwalpen.
 
 
 
Daar was het, enz.
 
 
[p. 156]
 
Daar trok zijn vlucht 't opmerkzaam oog
 
Des Ridders onder 't jagen:
 
Daar bleef dat oog, bevreemdingvol,
 
Op 't vreemde dier geslagen.
 
 
 
Daar streek hij bij den Ridder neêr,
 
En klapwiekte aan zijn voeten:
 
Daar scheen hij met gerekten hals
 
Den Held te willen groeten.
 
 
 
Daar toonde hij in 't moedig oog
 
Een deernissmeekend teeken,
 
En hield hem de open wonde voor,
 
Waar in de ring bleef steken.
 
 
 
Wie was die Ridder, Zangerin, enz.

En straks in den Derden Zang:

 
Zoo sprak hij, sloeg 't gezicht in 't rond,
 
En zag (en schreide op 't teeken)
 
De lang vergeefs gezochte zwaan
 
De borst ten vloed uit steken.
 
 
 
Daar dreef zij langs het vloeibre spoor,
 
En scheen het hem te wijzen,
 
En, zwemmende om en om het vlot,
 
Zijn stout bestaan te prijzen.
 
 
 
Daar dreef zij, 't ruwe vlot vooruit,
 
En scheen, heur borst verbreedend,
 
Een jachtschip met gezwollen zeil,
 
Het brekend water knedend.
 
 
 
Nu scheen zij eens een kleene boot
 
In 't roeien na te bootsen,
 
En 't vlot, bij 't kronklen van den stroom,
 
De bochten in te lootsen.
 
 
[p. 157]
 
Dan scheen zij met een' breeden boeg
 
Het vlot voor uit te trekken,
 
Om als een lichter oorlogsbark
 
Een zwarer kiel te dekken.
 
 
 
Nu breidde ze eens de wieken uit,
 
En rekte hals en pennen,
 
Als waar 't om wieling, bank, of plaat,
 
Door seinen te doen kennen.
 
 
 
Maar eindlijk kon men 't hoogste spits
 
Van uit den vloed bespeuren,
 
Waar Heile steeds om Diedrijks dood,
 
En om zijn gift, bleef treuren:
 
 
 
Maar eindlijk was de naaste bocht
 
Des landstrooms afgedreven:
 
Zie daar den vogel flux om hoog
 
En naar den toren streven!

Ook voor nog anderen letterarbeid vond in dat jongste tijdvak van zijne Rechtsgeleerde loopbaan onze Dichter den vlijtig uitgekochten tijd. Rijke bouwstoffen, onder anderen, voor een Algemeen Woordenboek waren reeds bij hem voorhanden en vergaderd; zij raakten gedeeltelijk bij zijne uitzetting en uitlandigheid verloren, en werden overigens van tijd tot tijd in zijne onderscheidene taalkundige schriften of in aanteekeningen hier en daar in zijne Dichtbundels opgenomen.

In 1794 voorts kwam nog van hem uit eene Redevoering over de Voortreffelykheid der Schilderkunst, bij gelegenheid der Prijsuitdeeling van dat jaar bij de vrije Teeken-Academie in den Haag. In deze Rede is ook nog merkwaardig de warme en krachtige

[p. 158]

aanspraak aan den Stadhouder, die de plechtigheid bijwoonde, te midden van het hachelijk tijdstip, dat weldra door eene nieuwe omwenteling werd gevolgd.

De omwenteling van 1795 had op het lot van Bilderdijk een voor geheel zijn verderen levensloop beslissenden invloed. De eed, dien de nieuwe Regeering ook van de praktizijns voor de Hoven vorderde, hield uitdrukkelijk afzweering en haat van het Stadhouderschap in, zoo wel als erkenning der zoogezegde Rechten van den mensch. Het sprak wel van zelf, dat zulk een eed voor onzen Dichter onmogelijk was; doch hij heeft zelve ergens, in eene korte schets van zijn eigen leven 1, te kennen gegeven, dat hij zich misschien niet had behoeven te begeven in eene openbare ontwikkeling zijner gronden tegen dien eed, op een oogenblik als hij, behoudens zijne beginselen, lijdelijk had kunnen blijven, en altijd het zij als Letterkundige, het zij als Rechtsgeleerde, en in het stellen van Memoriën, Rekwesten, enz. had kunnen werkzaam zijn. Doch zijn edele en vurige geest zag in die tijdsomstandigheden de mogelijkheid van zulk een stilzwijgen wel niet in. Van daar dan dat vermaarde Adres aan de Vergadering der Provisioneele Representanten van het volk van Holland, waarbij, onder aanbieding van lijdelijke onderworpenheid aan het bestaande gezag, de nieuwe eed, als in strijd met dien, welken hij in 1787 afgelegd had, geweigerd, en de onbestaanbaarheid aangetoond werd

[p. 159]

van eene verklaring omtrent die onvervreemdbare Rechten van den mensch, van welke men de nadere verklaring nog van wege het Bewind te wachten had! Dat Request, later met nog andere belangrijke Bijlagen voor vrienden in druk gegeven 1, had onmiddellijk na de kennisneming eene aanzegging van den Procureur Generaal ten gevolge, om binnen vier en twintig uren den Haag, en binnen acht dagen geheel het grondgebied der Republiek te ruimen. Alle de Provintiën namen het Besluit van Holland over, en hielden de hand aan de uitvoering. Zoo begaf zich dan de uitgedreven Dichter over Amsterdam naar Groningen, en van daar over Hamburg naar Portsmouth. - Als hij, een oogenblik na de treffende aanzegging, in de eenzaamheid van het studeervertrek zijnen Bijbel opensloeg, was de plaats waarop zijn oog als bij toeval bepaald werd, dat woord van den Apostel tot de Christenen van Corinthe (1 Cor. X. 13): Ulieden heeft geene verzoeking bevangen dan menschelijke: doch God is getrouw, welke u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt, maar hy zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, op dat gy ze kunt verdragen.

Te Groningen intusschen viel nog iets aandoenlijks voor. Aldaar opgehouden door omstandigheden van de eene, gedrongen te vertrekken van de andere zijde, had hij het nog aan de hupschheid van den Franschen Commandant ( Mac Donald, later Hertog van Tarente)te danken, dat hem de noodige tijd gelaten en een

[p. 160]

paspoort verleend werd. En als hij intusschen in den omtrek ergens der stad vermoeid en somber een oogenblik stond te peinzen, zoo naderde hem meêwarig een jonge knaap, en bood hem vriendelijk eene zitplaats. Gevoelig voor die oplettendheid, sprak hij een zegen over den jongeling uit, die sedert Predikant geworden, in later tijd (a0. 1822) die zegenbede aan Bilderdijk bij een brief herinnerd hebbende, een Dichtstuk van hem ten antwoord ontfing, van het welk hier eenige coupletten volgen:

 
Gewis ook d'enklen waterdronk
 
Dien 't vrome hart zijn' broeder schonk,
 
Zal Jezus nooit noch ooit vergeten;
 
En God verhoede 't, dat voor my
 
Een vriendendienst verloren zij,
 
Of immer uit het hart gereten.
 
 
 
Al heeft my de ongestuime vloed
 
Van kommervollen tegenspoed
 
Met altijd wisselende golven,
 
Geheugen en herinn'ringskracht
 
Als met een ondoordringbre nacht
 
Van dichte nevels overdolven;
 
 
 
Wat weeldrigheid in vreugd vergeet,
 
De vriendentrouw by prangend leed
 
Staat al te diep in 't hart gedreven;
 
Genoten weldaad, recht geschat,
 
Ontvloeit niet als vervlietend nat
 
In d'Oceaan van 't woelziek leven.
 
 
 
Ontscheurde ik my mijn Vaderland;
 
By d'afscheidsdruk van dees mijn hand
 
Bleef U mijn teedre dank, mijn zegen.
 
Die sprak in elken harteklop
 
En steeg voor U ten hemel op,
 
Schonk mooglijk tong en lippen zwegen.
 
 
[p. 161]
 
Die dank, o knaapjen vol van hoop,
 
Verzelde U door uw levensloop,
 
Toen 't land my uitwierp van zijn kusten;
 
Hy welde me uit het vol gemoed
 
Doorblaakt van zuivren liefdegloed,
 
En bleef op 't wassend telgjen rusten.
 
 
 
Die volgde U na en bleef U by,
 
Waarheen my 't felle noodgetij'
 
Als balling over de aard deed zwerven;
 
Ja, Jezus nam die zuchten aan,
 
Hy die geen weldaad laat vergaan,
 
Geen liefdevonkjen laat versterven. 1

De overtocht naar Engeland en de eerste tijd van 's Dichters verblijf aldaar werd, onder anderen, in keurig geteekend beeldschrift aan Mevrouw Elter beschreven. Te Hamptoncourt, werwaart hij zich eerlang begaf, zag hij sedert meermalen den uitgedreven Stadhouder en zijn gezin. Onderscheidene Verzen, tot dien omgang en de gelegenheid der tijden betrekking hebbende, werden later opgenomen in de Vaderlandsche Oranjezucht, een hoogst belangrijken Bundel, waarin, onder andere treffende gelegenheidsverzen het Huis van Oranje en de gebeurtenissen in Holland betreffende, ook twee Lijkzangen op dien onvergetelijken Held, den te Padua overleden Prins Willem George Frederik geplaatst zijn 2.

Met de Engelschen, als natie, kon Bilderdijk het nooit recht vinden; allerminst op een oogenblik, als naar zijne meening én Holland én het Huis van Oranje

[p. 162]

zich van het Engelsch ministerie grootelijks te beklagen hadden. In zijne levensbehoeften, nu geheel zonder vermogen of inkomst zijnde, voorzag te Londen onze Dichter door het geven van onderwijs in talen, in het teekenen, in onderscheidene wetenschappen, waaronder ook geneeskundige. Doch hij zoude in Engeland niet lang verblijven. Één oogenblik schijnt het voorstel hem aangelachen te hebben, om zich te Demerary te vestigen, en aldaar de Rechtspraktijk te oefenen. Waarom dit plan geen voortgang had, heeft hij zelve, karakteristiek genoeg, in de meermalen vermelde Geboortsbestemming geschetst:

 
Mijn boezem hing aan de oefning van het recht:
 
Naar Demerary heen, daar pleiten! - wel gezegd!
 
Een Vriend geeft vrije reis. Nu gaan wy; 't is geklonken. -
 
Ja wel! ik meende 't zoo, en was van vreugde dronken.
 
Een andre morgenzon scheen voor my op te gaan,
 
Ik vaarde alreeds in hoop mijn eersten kring weêr aan.
 
Maar neen. Men zegt mij toe, ‘daar is fortuin te maken,
 
In 't korte zijt gy rijk.’ Ik voel mijn beenders kraken,
 
Zoo schudden ze in mijn lijf van ijzing! - Ik, fortuin!
 
Ach! dat rampzalig woord stak me eindloos in de kruin,
 
Dat me in één oogenblik van eerlijk' rechtsgeleerde
 
Met al 't verachtlijkst schuim tot éénen graad verneêrde.
 
Neen, riep ik, naar geen land, dat m' om fortuin bezoekt:
 
Geen Christen zoekt fortuin; de Mammon is vervloekt. -
 
Naar Brunswijk! zei de Prins.

Daarheen dan ook, de verzamelplaats destijds van zoo vele Hollandsche en andere uitgewekenen, scheen alles te wijzen. Bij den Hertog sedert 1787, als wij zagen, persoonlijk bekend, en door Prins Willem V nog in het bijzonder aanbevolen, ontmoette Bilderdijk aldaar een allervleiendst onthaal, en onder andere

[p. 163]

blijken van welwillendheid, ook een klein pensioen van den Vorst, waarbij als zich denken laat, bij den lijdenden staat zijner gezondheid en een zich vertalrijkend gezin, nog vrij wat inspanning noodig was, om te leven. Van daar die verbazende menigte van vakken, waarin hij ergens 1 heeft aangeteekend, tot twaalf of dertien collegiën 's daags in dien tijd gehouden te hebben. Dat zulk eene levenswijze, bij daar te boven vaak slapelooze nachten, voor zijn krachtig maar gevoelig gestel ondermijnend moest zijn, behoeft geene melding, al ware daar ook nog het voor dat gestel ondragelijk klimaat, en een meer en meer zich verklarend heimwee naar het dierbare Holland niet bijgekomen.

Zoo was dan de negentiende eeuw voor Bilderdijk opgegaan in het land der vreemdelingschap. Die overgang was, gelijk voor geheel de Europesche wereld, zoo in het bijzonder en in allerlei betrekking in het leven van onzen Dichter een keerpunt. In het maatschappelijk, dichterlijk, inwendig christelijk leven, was hij in zekeren zin een geheel andere geworden. Voor het beroep als Rechtsgeleerde in het Vaderland, was nu in de plaats getreden een zwoegende, schoon altijd edele en onbekrompene letterarbeid in den vreemde, nu niet meer als verpozing van de vermoeienissen des openbaren levens, maar als werkzaamheid tevens om brood. Te gelijk was hem in zijne ballingschap een schat te beurt gevallen, dien hij in het Vaderland een tijdlang slechts had gemeend te vinden. Zijn eerste

[p. 164]

huwelijk, eene bron van wederzijdsche teleurstelling geworden meer en meer, was in de Revolutie van 1795 als ondergegaan. Van wederzijde hebben de Echtgenooten zich als door den anderen verlaten beschouwd. Bilderdijk bij name achtte zich in den rechtskundigen zin van het woord door zijne gade verlaten en den echt alzoo feitelijk ontbonden, toen zij hem in de ballingschap niet volgde. Wij willen den sluijer, die over dat oogenblik van Bilderdijks leven hangt, niet trachten op te lichten. Geene der partijen is thands meer in het land der levenden. Genoeg, dat in Zomermaand des jaars 1796 Bilderdijk in de Staatskerk te Londen in een tweeden echt trad met Katharina Wilhelmina Schweikhardt, de vrouw die sedert gedurende meer dan dertig jaren de dierbaarste troost, steun en vreugde zijns levens was, die hij in zoo menig lied, een gantsch anderen dan vroeger minnedichterlijken gloed ademende, heeft bezongen, en met betrekking tot wier bezit hij te midden zijner velerlei smarten Gode lofzingende kon uitroepen:

 
Ja, zoo rijk
 
Maakte de Almacht Bilderdijk 1.

Voor 's Dichters uitwendig leven, voor zijn Christendom, was de ballingschap van geen minder opmerkelijk gevolg. Van zijne kindschheid af had in zijne ziel het besef gewoond, dat alleen in de gemeenschap met God het geluk voor den mensch te vinden is; dat die God, in Christus geopenbaard, de

[p. 165]

zonde verzoent, en zalig maakt uit genade, en ook de kleinste bijzonderheden van ons lot en leven bestemt en bestuurt. En wel zal die overtuiging, die hij zich ook in haren rechtzinnig gereformeerden vorm evenmin destijds als later schaamde, te midden van al de woelingen van zijn vroeger leven, te midden van al de omkleedsels, die haar toen voor menig oog bedekten, niet geheel zonder eene vrucht in het leven, zonder troost voor zijn hart zijn geweest. En toch! was ook Godsdienst, Christendom, Geloof, bij die over hem heengegane baren van ballingschap en ellende hem nog heel iets anders geworden: meer waarheid en leven in het binnenste, meer het een en al voor de waardeering van zijn hart en gemoed. Van daar ook in dien geest nieuwe wetenschappelijke onderzoekingen: als, onder anderen, met den kundigen en godvruchtigen De Luc, die te Brunswyk een tijd lang met hem in hetzelfde huis woonde en bij uitstek aan hem gehecht was, de beoefening der Geologie in hare betrekking tot Bijbel en Godsdienst. Maar vooral ook dagteekent van dien tijd zijne levende en werkzame

ingenomenheid met eene reeds destijds in Christendom en Godgeleerdheid hoog belangrijke richting, welke aan sommige waarheden, tot de toekomst van Christendom en wereld betrekkelijk, en die niet altijd in de Kerk zoozeer op den voorgrond hebben gestaan, als zij volgens Gods Woord wel behoorden gewaardeerd te worden, een nieuwe aandacht, een nieuw onderzoek wijdde. Wij bedoelen de voorzeggingen en beloften aangaande des Heeren Jesus Christus wederkomst in heerlijkheid, en aanstaande heerschappij over de aarde

[p. 166]

en over het dan tot hem nationaal bekeerde Israël, met al hetgeen verder bij de Propheten des Ouden Testaments en in de Openbaring van Johannes met die zalige verwachtingen in verband staat. Dat deze blik in eene volheerlijke toekomst toch ook reeds vroeger aan onzen Christen Dichter niet vreemd was, kan uit de volgende regelen blijken, die hij in eene Toewijding van den Urzyn en Valentyn aan zijne Egade en kinderen richtte (a0. 1795) 1:

 
Leer hun, lijden, leer hun, dulden
 
Wat Gods wijsheid schenkt of draagt,
 
En den grooten dag verwachten
 
Dien zijn Goedheid nog