Nieuw biographisch, anthologisch en critisch woordenboek van Nederlandsche dichters. Deel 1


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Nieuw biographisch anthologisch, en critisch woordenboek van Nederlandse dichters. Eerste deel A-B. W. de Grebber, Amsterdam 1844  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Willem Bilderdijk]

Bilderdijk (Willem) werd geboren te Amsterdam op den 7den September des jaars 1756, uit deftige ouders, door afkomst en maagschap aan meer dan ééne oude en in Nederland historische familie, zoo uit den tijd der Republiek als uit dien der middeneeuwen, verwant. Zijn vader, Doctor Isaac Bilderdijk, oefende langen tijd de praktijk der geneeskunde in zijne vaderstad uit. Deze, een man zijnde van naauwgezette eerlijkheid, en even driftig van aart als stevig van karakter, berokkende zich door zijne vurige verkleefdheid aan het huis van Oranje en door zijne vrijmoedige gisping van de aristocratische party, niet weinig vijandschap, en de ongegronde aantijging van tot de zoogenaamde Doelisten te hebben behoord. Bij het dien ten gevolge sterk afnemen zijner praktyk, werd hem, na den dood van den Stadhouder Willem IV, door de Prinses Weduwe het ampt van Opziender over de maniantie der Collective middelen opgedragen, aan welks getrouwe waarneming hij tot in gevorderden ouderdom tijd en krachten besteedde, zonder evenwel de geliefkoosde studie der medicijnen, of de liefheb-

[p. 130]

berij voor dichtkunst, die hem eigen was, te laten varen. Als dichter onderscheidde zich Doctor Bilderdijk wel niet door eene zoo hooge vlucht, maar veeleer door zekere niet alledaagsche gespierdheid van versbouw, die in de nog voorhanden Arria en Paetus, Tomyris, en andere Tooneel- en Dichtstukken, inderdaad uitsteekt.

De kindschheid van Bilderdijk den zoon leverde niets zoo bijzonder in het oog vallends op. Veelal in zich zelven gekeerd, gaf hij wel bij het leeren in huis en op de kinderschool blijken van vlugheid en meerderheid boven velen van zijne jaren, maar liet zich evenwel minder nog van dat groote genie, dat in hem sluimerde, destijds ontwaren, dan van die oorspronkelijkheid van karakter welke in menschen van buitengewonen aanleg zich vroeg reeds in kleinigheden openbaart. Dus, onder anderen, liet hij, nog zeer jong kind zijnde, zich eens een onverdiende straf opleggen, zonder eenige moeite te doen om die door eene eenvoudige verklaring van het gebeurde billijk te ontgaan, gevende voor reden, dat het de zaak was van den gene die strafte, om den beschuldigde eerst te ondervragen, en zelf te weten wat hij deed.

Ernst intusschen, diep gevoel, en nadenken, tot welker mededeeling hij eerst veel later genoegzamen rijkdom van woorden vond, en waarvan de uitkomsten altijd liefst door hem werden toebetrouwd aan het papier, kenmerkten, volgens Bilderdijks eigene herinneringen op dat punt, die vroegste levensjaren, welke bij hem eerder onder een nevel van somberheid voorbij snelden. Wat aandoenlijke zucht

[p. 131]

reeds toen in het hart des toekomenden Hoofddichters verborgen lag, laat zich opmaken uit een vers, Gibeon getiteld, dat later omgewerkt en in 1808 in zijne Najaarsbladen geplaatst 1, aldaar de dagteekening van 1760 als die van zijnen vroegsten oorsprong voert. Een andere veel vollediger Herinnering aan zijne kindschheid bezitten wij in een Dichtbondel uit later tijdvak 2, in dien schoonen Horatiaanschen Lierzang, welke, deze zelfde woorden ten opschrift voerende, aldus aanvangt:

 
Wanneer ik, nog een teder kind,
 
In 't eenzaam van den hof,
 
Meer mijmerziek dan speelsgezind,
 
Het hoofdhair zwierende in den wind,
 
Een somber plaatsjen trof;
 
 
 
Dan greep my soms eene ijzing aan,
 
Wanneer ik de oogen sloeg
 
Op de intreê van de levensbaan
 
Die 'k eens als Jongling in moest gaan,
 
En naar bestemming vroeg.
 
 
 
Dan zag ik als met afschrik rond
 
Op elken levensstand;
 
En delvend naar mijns harten grond,
 
Of ik er 't minste trekjen vond
 
Aan zulk een doel verwant?

En verder:

 
Geen dartelende ringelduif
 
Bestak my hupplens moê
 
Met lovertjens uit Venus huif,
 
Noch drukte met haar donzen kuif
 
Mijn neigende oogjens toe.
 
 
[p. 132]
 
Geen palmstruik boog zich over my,
 
Geen myrth of lauwrenspruit;
 
Geen lelie hief zich aan mijn zij',
 
Geen veldvink goot zijn melody
 
Omtrent mijn slaapsteê uit.
 
 
 
Ik rees, maar vond op 't hooge duin
 
Geen lust in 't mulle zand,
 
Geen roosjens in de lentetuin,
 
Maar staarde soms op mossig puin,
 
En dacht aan Teisterbant.

En ten slotte:

 
Geen wenschen, geen verlangen meer!
 
Geen wil, geen eigen zin!
 
Geen wareldweelde, schat, of eer.
 
In GOD is 't al wat ik begeer,
 
Is al, wat ik bemin!

Een schijnbaar gering en in het eerst weinig geteld voorval gaf omstreeks zijn zesde jaar een in de gevolgen beslissende wending aan zijn volgend levenslot. Een trap op den voet, hem door een speelnoot ongelukkig toegebracht, had eene zoodanige beleediging van het beenvlies ten gevolg, dat er allerlei heelkundige operatiën bij te pas moesten komen, wier vermenigvuldiging en bedenkelijke uitwerksels zijn gestel hevig aantastten en van dat gevolg waren, dat hij eerst op zijn zestiende jaar eene dragelijke gezondheid herkreeg, en voorts levenslang den meer of min verminkten voet eenigzins nasleepen bleef.

Van dit tijdstip af begint dat huis- en kamer-, veelal zelfs bedlegerig leven, op meer dan ééne plaats in zijne schriften herdacht. Hier, aan eigen nadenken

[p. 133]

en werkzaamheid bijna geheel overgelaten, legde hij den grond van die veelvuldige kennis en rijke wetenschap, die niemand minder dan Bilderdijk gezegd mag worden aan louter onderwijs van menschen of boeken te hebben ontleend. In wat verhouding eigen nasporing en zelfdenken van den beginne gestaan heeft tot het gebruik, dat hij toen reeds van boeken maakte, geeft hij zelve ergens 1 treffend te kennen op de volgende wijze:

 
Mijn leven was, van vroeg, in 't stil en eenzaam peinzen,
 
En 't handlen van de pen en teekenstift, verdeeld;
 
Het lezen - ? ja genoeg; maar mag men 't zich ontveinzen,
 
Hoe min ons 't lezen baat waar zich 't verstand bij streelt?
 
Wat leert het meestentijds, dan meê en na te praten
 
En vult het hoofd met waan dier kennis die men mist?
 
Wat, dan zich roekloos op eens anders hoofd verlaten,
 
Dat valschheid heeft gebroeid en ze ons voor waarheid discht?
 
En boeken - ? 'k dank ze aan U, o waardigste aller vrienden,
 
Wiens lijk ik volgde aan 't graf met kinderlijke smart.
 
Wiens boekschat, raad, en hulp my als eens vaders dienden,
 
En wiens gedachtnis steeds een vreugd blijft voor mijn hart.
 
Maar neen, ik had te veel de boeken voorgeloopen,
 
Daar ik in eenzaamheid my zelven onderhield;
 
Mijn hart stond voor 't begrip van andren niet meer open,
 
'k Was door een stillen geest met eigen oog, bezield!
 
Van kindsbeen vestte zich mijn aandacht op my-zelven,
 
Mijn denkenskracht, mijn geest, beweging, en verstand:
 
Dit trachtte ik uit mijn hart beproevend op te delven,
 
By 't werktuig van dit stof, met ziels- en lijfsverband.
 
Dit speelde als jongen knaap my altijd in gedachten;
 
De denkvorm, en de wil, de lijdlijkheid en daad:
 
Dit woelde in 't rijpend brein by slapelooze nachten,
 
Met d' oorsprong van de wet, en 't merk van goed en kwaad.
[p. 134]
 
De Wiskunst meê greep plaats, in 't kinderbrein ontloken,
 
Dat zelfs den naam niet kende of wist waar ze in bestond,
 
Doch jaren naderhand zich vruchtloos 't hoofd gebroken,
 
En 't geen zijn geest zich schiep in andre schriften vond. -

Zijne vroegste lectuur intusschen (zoo wordt deze plaats nader opgehelderd uit nog andere berichten, die in 's Dichters werken hier en daar verspreid zijn), de bron tevens zijner eerste overdenkingen en de aanleiding van zijn vroegste zelfonderzoek, bestond, naar oud Hollandsche wijze, uit den Bybel en Cats. Straks kwam daarbij al wat eerst de Boekerij van zijnen vader, straks die van Doctor Verschuur (den vriend, in de boven aangehaalde regels en meermalen elders met dankbaar gevoel herdacht) aan zijne weetgierigheid opleverde. Zoo werd al vroeg Letterkunde en Geschiedenis, Logica en Metaphysica, Natuurkunde, Anatomie, Physiologie en Pathologie, eerlang mede het Natuurrecht van Wolff bestudeerd. Schoonschrijven en teekenen, eerst als liefhebberij en tijdkorting aangegrepen, werd later vlijtig en regelmatig geoefend onder de leiding van Van Drecht. Van de studie der Bouwkunst verklaart hij, dat zij hem reeds vroegtijdig alle mathematische en esthetische genoegens vereenigd aanbood. De krijgstaktiek insgelijks trok zijne bijzondere belangstelling, schoon met een uitzicht, dat door de gevolgen van het opgemeld ongeval te loor ging.

De Dichtkunst stond bij alle deze studiën van Bilderdijks kinder- en jongelingsjaren nog niet zoo zeer op den voorgrond. De groote Latijnsche Lierdichter, met welken het onderwijs van zijnen vader, en vooral

[p. 135]

eigene oefening hem al vroeg zeer gemeenzaam deed zijn, wekte het eerst de dichterlijke zucht en kracht bij hem op. Later werkte ook de nieuwe Psalmberijming (a0. 1773 ingevoerd) op de dichtgave van den lijdenden knaap. Als Dichter zelf, trad hij niet dan na ongelooflijke oefeningen om het werktuigelijke der taal meester te worden, niet buitengewoon jong, en als zijns ondanks, in het openbaar op. Men zoude thans moeilijk de eerste vonken van dat voorbeeldeloos dichtgenie herkennen in eene Proeve van poëzy op twaalfjarigen leeftijd, later (a0. 1770) buiten zijn weten in de Letteroefeningen geplaatst. Het is eene Beschouwing van vijf tafereelen uit Josephs leven, in 's Dichters hoogen ouderdom, doch evenzeer buiten zijn weten, afzonderlijk verkrijgbaar gesteld 1.

Des te schitterender trad hij op eenige jaren later. Het Leydsche Genootschap Kunst wordt door arbeid verkregen, had voor prijsstof in het jaar 1774 uitgeschreven den Invloed der Dichtkunst op het Staatsbestuur. De jonge Bilderdijk, schoon de stof door sommigen vrij ondichterlijk werd geoordeeld, werd er door opgewekt tot een Lierzang, dien hij inzond, doch zonder zijnen naam in het besloten billet te kennen te geven. Hij werd bekroond. In het volgende jaar wachtte hem een nog glansrijker triomf. Op eene prijsstof van hetzelfde Genootschap: de ware liefde tot het Vaderland, zond hij een Dichtstuk in drie Zangen in, dat de gouden eerpenning, mitsgaders een Lierzang, die de tweede zilveren behaalde, terwijl de eerste

[p. 136]

zilveren toegewezen was aan de Baronnesse De Lannoy, dezelfde, wier poëzy hem eenigen tijd vroeger het ach' io son pittore! had doen uitroepen. Hij bleef haar, sedert, eene onbegrensde achting als kunstvriendin toedragen, en vereerde hare nagedachtenis eerst door de uitgave harer nagelatene Gedichten (a0. 1785), later door menige herdenking aan haren omgang, en aan dat dichtvermogen, hetwelk hem in rijpere jaren, bij het terugzien op dien leeftijd, ergens deed uitroepen 1:

 
Gy, gy alleen, Lannoy, gy echte Dichteres,
 
Wier tombe, omwemeld van Bataafsche lijkcypres,
 
Ik zelf met eigen hand uw lijkasch heb geschonken,
 
Verdiende in 't perk der eer eens Dichters hart te ontfonken;
 
Gy waart me een zegepraal, my dierbaar, mijner waard! -
 
Neen, Hollands Dichtrenoogst was tot dees tijd gespaard.

Als Willem Bilderdijk aldus zijne intrede deed in de Dichterlijke wereld, was hij nog alleenlijk in het ouderlijke huis en op zijn eenzaam kamertje geleerde of student; voor het overige op het Inspecteurskantoor zijns vaders, die dezen zijnen oudsten zoon gaarne tot de opvolging in zijn ampt had opgeleid, met de hem in alles eigene vlijt en ijver werkzaam. Doch zoozeer het boekhouden, als eene zaak van wetenschap, orde en netheid, ten allen tijde door hem eene belangrijke bezigheid geacht werd, zoozeer had hij toen reeds, gelijk in geheel zijn volgend leven, een onoverkomelijken afkeer van ampten. Hetgeen deswege tusschen den genievollen jongeling en zijnen

[p. 137]

anders door hem streng geëerbiedigden vader voorviel, heeft hij tevens ernstig en luimig beschreven in zijne Geboortsbestemming 1, bij de volgende zamenspraak:

 
Maar leven moet men; en het leven eischt ook eten;
 
Het eten - geld! - Wel nu? - Dit dient ge toch te weten;
 
En weet gy 't, weet daarby, dat ik als eerlijk man
 
Mijn kindren, na mijn dood, geen renten laten kan...
 
Daar wordt een stand vereischt, een middel om te winnen. -
 
In Gods naam! zoo 't moet zijn. - Wat zult gij dan beginnen? -
 
Studeeren. 'k Neem den stand van Arts of Advocaat. -
 
Studeeren? Wees niet dwaas, dat komt nu veel te laat. -
 
Waarom dan? - Dat vereischt een zevental van jaren. -
 
Ik ben geen knaapje meer, en zal den tijd wel sparen. -
 
Onmooglijk! maar een ampt...! - De hemel sta my by!
 
Een ampt, mijn vader! hoe! en waar een ampt voor my? -
 
Het mijne, ik ga reeds af. - (Daar zat oom Kool te kijken).
 
Een Ampt! en zulk een ampt! dat zou my slecht gelijken!
 
Hoe! ik bestieren? ik, het oog op andren slaan?
 
Ik orde houden, ik, en niets van iets verstaan?
 
Nooit leerde ik iets het minst verzorgen of besturen;
 
Ik kan 't mij zelven niet.

Het gevolg was, dat de opleiding tot het vaderlijk ampt overgedragen werd op den tweeden zoon, dien Johannes Bilderdijk, wiens voortreffelijk karakter en Christelijk afsterven in het jaar 1780, door onzen Dichter zoo aandoenlijk bezongen werden 2. Hij zelve mocht nu de studie kiezen, en bepaalde zich bij die der Rechten.

 
De vaderlijke zorg zocht me ampten. O mijn Vader!
 
Hoe aaklig was voor my het denkbeeld van een ampt!
 
My ampten, waardigheên -! my, eer en geldversmader!
 
Neen! zij voor 't eerlijk brood met stroomend zweet gekampt!
[p. 138]
 
Neen, sprak ik, kan mijn arm het krijgszwaard niet hanteeren,
 
Is 't harnas my door 't lot, door 's Hemels wil, ontzegd:
 
De tabbaard zal voor 't minst mijne afkomst niet onteeren;
 
Zoo strijde ik even fier voor onschuld, deugd, en recht! 1

Met dat oogmerk begaf zich dan Bilderdijk, toen reeds vier en twintig jaren oud, naar de Leydsche Hoogeschool. Nog in het ouderlijke huis wonende, had hij, behalve door de Prysvaerzen, zijn naam als Dichter geheel gevestigd door zijne navolging van den Koning Edipus van Sophocles (a0. 1779), en was ook als uitstekend Letterkundige zijne achting reeds groot bij mannen als Fontein, Valckenaer den vader, en andere sieraden der geleerde wereld en der Academiën in ons land. Tot dat zelfde tijdvak (1778 en 1779) behooren ook nog de luimige Brieven in verzen aan zijne eenige Zuster, waarvan in 1835 Jonkheer Mr. J.F. Van Breugel (aangehuwde zoon van Mevr. Wentholt, geb. Bilderdijk) een Zestal uitgaf onder den titel van Dichterlijke Uitspanning.Merkwaardig voorts voor de geschiedenis van zijne vorming beide als praktisch Dichter en theoretisch Dichtkundige is zijne a0. 1780 bij de Leydsche Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde bekroonde Verhandeling over het verband van de Dichtkunst en Welsprekendheid met de Wijsbegeerte 2.

Zijne Akademische loopbaan was, naar het oogmerk, hoofdzakelijk aan de Rechtsgeleerdheid gewijd. Met ongelooflijke inspanning hield hij te gelijk de vele

[p. 139]

vakken en wetenschappen, die hem reeds gemeenzaam waren, bij, en verkreeg hij in den beperkten tijd van twee jaren eene diepe en uitgebreide kennis van het Canonieke en Feudale, zoo wel als van het Romeinsche Recht. Dit laatste bleef hem ook sedert, en heel zijn leven door, eene geliefkoosde studie; waarvan zoo wel zijne uitgegevene Rechtsgeleerde Schriften, als zijne met keurige aanteekeningen op den rand dicht beschreven Corpus Juris, de blijken opleveren.

Zijn lijdend maar veêrkrachtig gestel trotseerde, vooral in die dagen, de vermoeijenissen van een leven, waarvan nog de tijdgenooten kunnen verhalen, dat meermalen twee van de drie nachten aan de studie in plaats van aan den slaap gegeven werden, en hij meer dan eens flaauw van uitputting op de Collegiën der Hoogleeraren nederzeeg. Te gelijk evenwel was zijne levenswijze alles behalve afgetrokken. Geleerde en gezellige kringen als ten huize van Schultens, Pestel, en andere mannen van dien stempel, bezocht hij gaarne. Ook zag hij zelf ten zijnent vele jonge lieden, waaronder, als tijdgenoot en boezemvriend, ook Van der Palm. Tot dit zelfde tweejarig tijdvak moet ook nog eene liefdegeschiedenis, een duël, en een proces behoord hebben. Maar vooral onderscheidde zich onze Dichter reeds toen door het stellige en vurige zijner politieke gevoelens, ondanks welke hij evenwel bij velen van de tegenovergestelde partij ruim zoo zeer in hooge achting stond, dan bij zijne eigene; terwijl van een anderen kant reeds allerlei schand- en lasterschriften in Couranten, als de Diemermeersche en Noordhollandsche, tegen hem uitvoeren, toen hij

[p. 140]

(waarschijnlijk niet op malschen toon, als men zich licht kan voorstellen) een aanzoek afgewezen had, om een lofvers te maken op de betrekking van Amsterdam tot de Americaansche Republiek. Tegen het einde van het jaar 1782 werd hij tot Meester in de beide Rechten bevorderd op 105 Theses, wier openbare verdediging gevolgd werd van eene Aanspraak, waarvan de warmte ten aanzien van eenen der Hoogleeraren hem zeer kwalijk genomen werd 1. Hij vestigde zich kort daarop als praktiseerend Advocaat voor de Hoven van Justitie in den Haag, en trad in den jare 1784 in den echt met Rebecca Catharina Woesthoven, zuster der aan Bilderdijk, ook na de treurige ontbinding van dat huwelijk, altijd verknocht geblevene Dichteres Mevrouw Elter.

Het kan niemand bevreemden, dat, gedurende dit tijdvak van 's Dichters bloeijendste jeugd, een hoofdvak van zijne dichterlijke werkzaamheid de Minnepoezij in onderscheidene vormen geweest zij. Zijn vurig, voor schoonheid en liefde even fijn als diep gevoelig gemoed gaf zich misschien wat zeer weelderig lucht in dien stroom van deels oorspronkelijke, deels aan Anacreon, Catullus, Janus Secundus, met geenen minderen gloed en kunst ontleende lust- en liefdezangen, die den inhoud uitmaken van twee zijner meest beroemde bundels van dien tijd: Mijne Verlustiging (a0. 1781), waarin onder anderen die overschoone vertaling van Theocritus, door hem Offerzang getiteld, voorkomt, en de Bloemtjes (a0. 1785). Nog eene derde verza-

[p. 141]

meling van Minnedichten, allen gericht aan haar, met wie hij tien jaren zijns levens in den band des huwelijks heeft doorgebracht, gaf in het jaar 1796, gedurende 's Dichters uitlandigheid, de Boekverkooper Elwe, onder den titel van Oden en Gedichten, even slordig als buiten eenig kopijrecht uit. Door de mismaking, in deze wederrechtelijke uitgave, van een dichtwerk, dat oorspronkelijk alleen tot verspreiding op losse blaadjes onder vrienden bestemd was geweest, zag zich Bilderdijk later genoodzaakt, niettegenstaande het pijnlijke der herinnering, eene tweede en gezuiverde uitgave daarvan zelf te bezorgen, die onder den titel van Odilde (a0. 1808) verscheen.

Wie intusschen hem wegens deze zijne erotieke poëzy moge hard vallen, - maar vooral wie zich door dat voorbeeld tot gevolgtrekkingen in het voordeel van eene zinlijke richting in het leven mocht aangemoedigd achten, - die leere uit de eigene schriften van den grooten Dichter tevens kennen uit wat eindeloos hooger dan het zinlijke standpunt, hij ook destijds reeds de echtelijke liefde beschouwde, en hoedanig een getuigenis hij, nog in later jaren, van de onbesmette zeden zijner jeugd kon afleggen, in zijn in alle opzichten zoo leerrijk en aandoenlijk vers aan Cats 1

 
Die kwijning, ach, waarby geen pijnen halen!
 
Wat schiep mijn boezem zich al schittrende idealen,
 
Gevormd, verdwenen, in een oogenblik, en ach,
 
Waar in mijn oog 't geluk, maar steeds omneveld, zag.
[p. 142]
 
Wat waart gy me in dien stond een trooster, een vertrouwde!
 
Een spiegel, waar mijn ziel heur beeltnis in beschouwde!
 
Een gids, die me, in mijn leed, hoe hoog mijn jammer rees,
 
De hand bood, steunde, en steeds op beter toekomst wees!
 
Die midden in 't verval der hoogstverbasterde aarde,
 
Door jonglingschap en jeugd mijn lichaam rein bewaarde,
 
En 's levens zaligheid, van dartlen onbesmet,
 
Alleen verwachten deed van 't kuische huwlijksbed.
 
Vergeefs mocht me een gestel vol vuurs en veêrkrachts dringen,
 
Vergeefs verbeeldingskracht uit alle banden springen,
 
Vergeefs mijn ligchaam zelfs bezwijken in dien strijd:
 
'k Leed alles: 'k had mijn jeugd één voorwerp toegewijd!
 
Één voorwerp, ach, dat God my eenmaal op mijn smeeken,
 
In de armen voeren mocht, om dierbaar kroost te kweken!...
 
 
 
Die loutring van het hart door Liefdes zuivre vlam,
 
Die aan der driften drang heur overmacht benam,
 
My de Echtkoets eeren deed als 't heiligst op deze aarde,
 
Wier schennis geene op aard in gruwel evenaarde,
 
U dank ik ze, u alleen.

Het was te voorzien, dat de oefening der Dichtkunst eenigermate lijden zoude bij het opnemen eener Rechtsgeleerde praktijk, waarbij onze Dichter zich niet slechts een eervol beroep, maar ook eene soort van kamp ter verdediging van vervolgden, en handhaving van de Oranjegezinde beginselen had voorgesteld. En inderdaad, geplaatst in het midden zijner pleitbeslommeringen en der politieke woelingen van die dagen, mag het tijdvak van a0. 1782 tot a0. 1787 wel het minst vruchtbare in Bilderdijks uitgebreide dichterloopbaan gezegd worden. Toch rustte zijne lier niet geheel. Behalve de reeds vermelde uitgave der Bloemtjes, leverde hij in den Deucalion en Pyrrha (insgelijks a0. 1785) een even schoone als geestig bewerkte Proeve van een Tooneelstuk, waarin uitgenomen bij

[p. 143]

de ontknooping, slechts twee personen het woord voeren. Van de Geuzen van Onno Zwier van Harenbezorgde hij, in dat zelfde jaar, in gekuischter taal en vaak gespierder poëzy, met vermeerderde ophelderingen en aanteekeningen, een nieuw bewerkte uitgaaf. De opdracht van dezen arbeid aan Willem den Vde was eene uitboezeming op nieuw van die gevoelens, voor welke hij geene gelegenheid verzuimde met een des te vuriger ijver uit te komen, naar mate zij destijds feller tegenspraak en miskenning bij de wederpartij plachten te vinden. Eindelijk gaf hij in schoone Nederduitsche verzen de Krygszangen van Tyrtéus (a0. 1787) uit, niet zonder een meer of min ironischen wederklank op den krijgslust der vrijcorpsen op dat oogenblik in het vaderland, gelijk uit de volgende regels mag opgemaakt worden, met het opschrift: Aan het hoofd van mynen Tyrtéus, in een later vergaderden Dichtbundel opgenomen 1:

 
't Schreeuwt alles, te wapen!
 
't Wil al in 't geweer!
 
In mannen en knapen,
 
Hoe oud of hoe teêr,
 
Hoe wel- of wanschapen,
 
Geen onderscheid meer!
 
't Kan rusten nog slapen,
 
Maar hongert naar de eer
 
Van kousjens met slopjens,
 
En knoopjens als dopjens,
 
En schoentjens met smeer.
 
 
 
De boer Alexandert
 
By mistpraam en kar;
[p. 144]
 
De burger, gebanderd,
 
Loopt om voor een' nar:
 
't Zwiert vaandel en standerd,
 
Hoe heet of hoe bar;
 
't Saizoen is veranderd,
 
En 't jaar in de war;
 
De kermis vol kuren
 
Schijnt eeuwig te duren
 
Aan 't poppengesnar.
 
 
 
Welaan dan, mijn vrinden!
 
Wil 't alles te veld;
 
Zijn de oorlogsgezinden
 
Nu meerder geteld,
 
En ruimer te vinden
 
Dan oordeel of geld:
 
Wil elk zich verblinden
 
Met d'eernaam van Held;
 
Welaan dan eens mede
 
Naar Attische zede
 
Den krijgstoon gesteld!

Maar voor 't overige, als gezegd is, was Bilderdijks ziel zoo wel als zijn tijd destijds geheel ingenomen en vervuld van de plichten van zijn beroep en zijne uitgebreide politiek-rechtsgeleerde werkzaamheid. Hij bewoog zich nu krachtig en vrij in dat element van krijg in den tabbaard (militia togata), waarnaar hij bij zijne studiën in dat vak zoo verlangend steeds had uitgezien. Een zijner in dien geest gevoerde, meest gerucht makende processen, was in het jaar 1786 dat van zekere Katharina Mulder (Kaat Mossel in den wandel genoemd, omdat zij te Rotterdam Stadskeurvrouw der schelpvisch was), die hij, nevens anderen van hare denkwijze, tegen de aanklacht van

[p. 145]

oproerigheid wegens Oranjeleuzen en kreten even gelukkig als manmoedig verdedigde, te midden van verwenschingen en dreigingen, waarvan hij ten slotte niet zonder een ligten bajonetsteek afkwam.

Hij zelve voorts beschrijft dat bij uitstek Rechtsgeleerde tijdvak van zijn leven, in de reeds aangehaalde Geboortsbestemming, met eenige hoofdtrekken aldus:

 
'k Begon het vak der Rechten,
 
Waaraan me en smaak en plicht met ijzren banden hechtten,
 
En 'k zwoer met hart en ziel aan dees mijn roeping trouw.
 
Om haar verduurde ik leed en arbeid, zweet, en kou';
 
Om haar doorwaakte ik nacht aan nachten, en verzaakte
 
Wat andren d' arbeid zoet, het leven dierbaar maakte,
 
Kleefde aan mijn schrijfdisch vast, en at mijn tweebak droog,
 
En dronk mijn slappe thee, gelukkig in mijn oog.
 
Waarvoor? voor d' armen wees, den lijdende en verdrukte,
 
D'onnoozle, dien mijn moed uit band en kerker rukte.
 
Of waar, waar wees ik ooit behoeftige onschuld af?
 
Waar leed ooit armoê nood, daar ik bekrompen gaf?
 
Waar diende ik ooit om 't geld, om aanzien of om gaven?
 
Waar schuwde ik haat of leed om recht en wet te staven?
 
Waar heeft mijn teedre zorg in Maagschapsband of Echt
 
De scheuring niet geheeld, den wrevel niet geslecht,
 
En liefde en heil hersteld? Wie onzer in 't ontwikkelen
 
Der duisterheên van 't recht, gevoelde heeter prikkelen?
 
Wie ijveriger gloed? wat scherpziend linxgezicht
 
Zag redding waar ik draalde, of waar ik 't opgaf, licht?
 
Zie daar mijn eersten teug, en mijn geboortsbestemming!
 
Maar elders - Hemel, ach wat bittre zielsbeklemming,
 
Waar 't menschenomgang gold, of eigen huisbelang!
 
Dan liep de molen straks uit onlust door den vang.

Met bekwaamheden en beginselen als de zijne, was Bilderdijk, vooral als Rechtsgeleerde, eerlang bij den Stadhouder bekend geworden, dien hij ook meer dan

[p. 146]

eens met raad en advies heeft gediend, en in wiens bijzondersten omgang hij in meer dan één opzicht in de gelegenheid was, zoowel 's Vorsten veelal miskende begaafdheden als zijne zwakkere zijden te leeren kennen. Van daar dat in 1787, bij het inrukken der Pruissen onder den Hertog van Brunswijk, op den Advocaat Bilderdijk de keus viel, om dien Veldheer bij Schoonhoven te gemoet te gaan, hem van daar af te begeleiden, ten einde hem in te lichten, zoo dikwerf rechten van bijzondere personen, steden, of dorpen eenigen inbreuk konden komen te lijden; insgelijks, ten aanzien van het terrein, (waarvan onze Dichter altijd een zeer naauwkeurige kennis getoond heeft te bezitten), als b. v. omtrent de bruikbaarheid of onbruikbaarheid der gronden, en wat des meer mag zijn. De Hertog was dan ook van de diensten, door den in alles bijzonderen Dichter en Advocaat bewezen, dermate voldaan, dat hij, na de overgave van Amsterdam, openlijk en luide op de parade aan den Overtoom die tevredenheid te kennen gaf, en zelfs betuigde den goeden uitslag zijner wapenen aan het goed beleid van zijn rechtsgeleerden Raadsman dank te weten.

De Omwenteling tot herstel van den Stadhouder nu volbrachtzijnde, zoude het Bilderdijk wel niet moeilijk geweest zijn, tot eene of andere aanzienlijke betrekking in de Republiek te geraken. Ook was er een oogenblik sprake hiervan. Doch bij zijnen natuurlijken tegenzin aan ampten, voegde zich nu weldra de afkeer van eenig deel te hebben aan mogelijke terugwerkingen van wat aart ook tegen

[p. 147]

de onderliggende partij. Treffend drukte hij zich ten dezen aanzien uit in het jaar 1790, in een Brief aan Adriaan Loosjes 1: ‘Ik acht het een waarachtig geluk voor my, dat ik zoowel van de party die ik aangekleefd heb (ik zou ze naar geweten aankleven, zoo de verdeeldheid nog voortging, maar ik hou de partyschap voor nedergelegd, en daarom bedien ik my van de uitdrukking des voorledenen) als van de andere onafhankelijk heb kunnen blijven, en terwijl ik de aanzoeken van den eenen kant afsloeg, aan den anderen generlei gunsten ooit gehad, of gezocht, of genoten heb, die mij van bijzondere inzichten kunnen doen verdenken. Voorts verzeker ik u, dat ik in de troubles noch Aristocraat, noch Democraat, maar waarachtig Republikein ben geweest. Of ik dat nog ben, zal ik u beantwoorden als ik weet of de Republicq nog bestaat; maar dat weet ik niet meer; en sedert dat ik dat niet meer wete, ontsla ik my ook van my ergens meê te bemoeijen.’ Wat deze laatste zinsnede betreft, zij wordt misschien best opgehelderd door de overtuiging die destijds reeds bij Bilderdijk bestond, dat het Vaderland niet te redden was dan door het in de plaats brengen eener eenhoofdige Regering aan den toenmaligen vorm van Republiek. Daartoe een beslissenden stap te doen, zal waarschijnlijk dat middel geweest zijn, waaromtrent hij meermalen in zijne schriften verhaalt zijne overtuiging aan den Prins te hebben gezegd, doch waartegen bij dien Vorst een onoverkomelijk gewetensbezwaar bestond.

[p. 148]

Met dit inzicht (waarvan het beginsel eigenlijk door heel de natie gehuldigd werd in 1813) is het intusschen te begrijpen, dat Bilderdijk, in allen geval geheel anders Prins- dan Pruisgezind, en zeker alles behalve aan het aristocratische element der toenmaligeOranjeparty verbonden, eene toenadering wilde met de volkspartij, en dus in zekeren zin te gelijk meer liberaal en meer monarchaal was, dan bij het gros van de wederzijden kon in aanmerking komen, of zelfs begrepen worden. Bij de zijnen dien ten gevolge niet naar waarde geschat, had hij des niet minder van de hevige omwentelingsgezinden, wegens beginsels en handelingen, bij eenen nieuwen omkeer van zaken wel het ergste te duchten. En wie weet wat gebeurd zoude zijn, indien ons de Fransche wapenen in 1793 in plaats van in 1795 de Bataafsche Republiek hadden gebracht?

Zoo keerde dan Bilderdijk na het deel dat hij had in de gebeurtenissen van 1787 tot zijne gewone levenswijze en werkkring terug; die levenswijze, deels eenzaam en afgetrokken (gelijk wij ze door hem zelven beschreven zagen), deels ook van wege den vrij hoogen voet, waarop zijn huis te dier tijde ingericht was, nog al woelig door velerlei omgang tevens. Het stille huisselijk geluk, dat hij zich altijd in den echt als de hoogste aardsche zaligheid had voorgesteld, was hem in dien eersten huwelijksband niet te beurt gevallen. Bovendien had hij in dien tijd reeds, gelijk later zoo veelvuldige malen in zijn tweede huwelijk, het zielgrievend verlies van kinderen te betreuren.

Kunst en poëzij waren hem daarbij, nevens die

[p. 149]

Godsdienst, waarvan in geen tijdpunt zijns levens het gemis hem dragelijk ware geweest, veelal tot verademing, vervulling, en troost.

Vruchtbaar bij uitstek was dan ook zijn dicht- en letterarbeid in het achttal jaren dat tusschen de twee omwentelingen wegsnelde. Onder den titel van Vertoogen van Salomo gaf hij a0. 1788 eene schoone dichterlijke uitbreiding van den Prediker. Schoon hem toenmaals het Christendom nog dat alles niet was, wat het later in ballingschap en door velerlei strijden hem werd, erkent men toch dezelfde gronden, die door den geloofsdichter van 1806 en 1823 zoo rijk ontwikkeld en levendig beleden werden, in het Voorbericht op die Vertoogen aan het slot: ‘Wat is wijsheid, dan God te kennen? en wie kan God kennen, dan door Hem, in wien al onze eeuwige en tijdelijke uitzichten zich vereenigen: op wien Salomo gehoopt heeft, en die ons het verloren eeuwig terug heeft gebracht. Hij, die geheel wijsheid, geheel Godsvrucht, geheel onderwerping en zelfverloochening, zich ten roof gegeven heeft, om ons te behouden.’ In een vers van dezelfde jaarteekening, Christendom getiteld, blijkt het even klaar, hoe ook toen reeds het middelpunt en wezen des Christendoms voor hem lag in eens Zaligmakers verzoenende en alles voldoende zondaarsmin:

 
Vrees God; betracht zijn wet; voorkom uws naasten leed;
 
Bemin hem als u zelv'; wees tot zijn hulp gereed;
 
Geef voedsel, kleeding, dak, en laafnis, die 't behoeven;
 
Vertroost met hartlijkheid den hardgevallen droeven;
 
Doe aan uw haters wel; vergeef die u misdoen;
[p. 150]
 
Maar waan niet, dat dit al den God der wraak verzoen'!
 
Neen, stervling, 't is, u zelv', uw ijdelheid te streelen,
 
Uw goedren voor 't vermaak van 't weldoen uit te deelen,
 
Uw wraak, uw vijandschap op te off'ren aan uw rust;
 
't Is ruiling van den een' voor d'andren aardschen lust:
 
't Is schuwbare afgodsdienst, zelfs strafbaar, in die oogen,
 
Die door geen schijnschoon, door geen voordoen zijn bedrogen.
 
Verdorven harten, neen; die deugd bevat geen deugd,
 
Geen aanspraak op Gods gunst en zijn beloofde vreugd,
 
Eer God! doe wel om hem! dat is zijn' dienst betrachten,
 
Dat is 't, wat van zijn hand vergelding heeft te wachten.
 
Maar, wel te doen om God! wat is, wat sluit dit in?
 
't Erkennend zelfgevoel van 's Heilands zondaarsmin.
 
Wie werkt dit? Hy-alleen, die, zelf voor ons voldoende,
 
Rechtvaardigde en verloste, en heiligde en verzoende 1.

Van dat zelfde tijdvak zijn ook zijne menigvuldige Bijdragen in de Kleine Dichterlijke Handschriften, uitgegeven (a0. 1788 tot 1809) door zijnen kunst- en boezemvriend P.J. Uylenbroek. Deze en andere losse verzen van onderscheiden soort en vorm, waaronder een aantal keurige overbrengingen van Oden van Horatius, van een Heldinnebrief van Ovidius, van de Landrust van Van Royen, vooral ook van Dichtstukken van Boëtius, zijn (a0. 1809) in een paar Deeltjes onder den titel van Verspreide Gedichten verzameld. De Dichter, eene schoone Ode a0. 1791 afzonderlijk verschenen, werd in dien zelfden Dichtbundel opgenomen. Nog andere poëzy van dezelfde jaren vond hier en daar in wederom andere Bundels eene plaats. In de Vaderlandsche Oranjezucht (a0. 1805) bij name, verscheen de krachtige en vooral om den

[p. 151]

tijd waarin hij gedicht werd (a0. 1793), hoogstbelangrijke Lierzang Aan het Volk van Denemarken 1, ter gelukwensching met het afschaffen hunner Constitutie in het jaar 1661 ten behoeve van een onafhankelijk koninklijk gezag.

In 1789 had hij intusschen wederom een blik geworpen op zijne vroeg geliefkoosde Grieksche Dichters. Een tweede Treurspel van Sophocles, den dood van Edipus ten onderwerp hebbende, zag in dit jaar in Hollandsche verzen het licht. Van zijne voortreffelijke overbrengingen der Ouden, zijn evenwel de beide Treurspelen van dien beroemden Athener misschien de gelukkigste, althands de schitterendste, niet.

Voorts blijkt het uit de reeds vermelde Briefwisseling met den Boekverkooper en Schrijver Adriaan Loosjes 2, dat er destijds en later bij Bilderdijk een plan bestaan heeft, om den geheelen Homerus in vrij en zwierig Nederduitsch Prosa over te brengen. Doch daar kwam niet van. Alleenlijk vindt men in de meergenoemde Verspreide Gedichten(II. 153-162) eene dichterlijke vertaling van een gedeelte van den Eersten Zang der Ilias, van dat zelfde tijdvak afkomstig. Die Vertaling of Navolging is intusschen op verre na niet te vergelijken met zijne veel latere overbrenging van het Zesde Boek der Ilias in de Affodillen, noch van het Vijfde en Elfde Boek der Odysséa in de Najaarsbladen.

[p. 152]

Maar onder al den dichterlijken arbeid van Bilderdijk in die dagen, wordt door zijn Elius, eene Romance in zeven Zangen (ook in andere opzichten als een Miniatuur-Epos tewaardeeren) de kroon gespannen. Met welke zorg hij dit Dichtstuk uitgewerkt en de uitgave bestierd heeft, voor welke hij, even als vroeger voor de Verlustiging en de Bloemtjens, de vignetten zelf niet alleen ontwierp maar ook etste, kan blijken uit zijne briefwisseling over deze aangelegenheid met Uylenbroek, bij wien deze prachtige Romance met eenige tot hetzelfde onderwerp behoorende Bijschriften (a0. 1788) verscheen. Hoog liep onze Dichter ten allen tijde met deze Dichtsoort op, waarvan hij zelve meer dan eens de naauwluisterende vereischten opgaf, onder anderen mede in de volgende regelen 1:

 
Hy kent dit kunstvak niet, hy toont het niet te kennen,
 
Die 't enkel losse scherts van weinig' arbeid acht.
 
't Valt lichter, Herkules ten Hemel na te rennen,
 
Of zich in 't bloed te baân van Pelops nageslacht.
 
Meer zullen er met roem op Thespis laarzen stappen,
 
En Klioos krijgstrompet doen daavren als om strijd,
 
Dan met een' enklen greep dat zachte schoon betrappen,
 
Dat met één schittring treft, en geene tooisels lijdt.
 
Dit vak laat woordenpraal noch opgeblazen zwelling,
 
Maar enkle waarheid toe; doch, zoo ze een Dichter ziet!
 
't Eischt schildring en gevoel by d' eenvoud der vertelling;
 
Maar schildring, los van trek, en vlak van koloriet.

Bilderdijk zelve heeft dan ook, door heel zijn dichterlijke loopbaan heen, altijd veel werk van dit vak gemaakt en er zich bij uitnemendheid op toegelegd.

[p. 153]

Zeer weinige bundels zijn er in die vijftig jaren van hem in het licht gekomen, waarin niet eene of meerdere Romances, hetzij oorspronkelijk of vertaald of nagevolgd, hetzij somber of luimig, en in het geheel van allerlei onderwerp en inkleeding, gevonden worden. Wij noemen, onder de menigte zijner voortbrengselen in dat vak, hier alleen de Ada 1, (Burgers) Roosjen 2, den Urzyn en Valentyn 3, de Assenede 4,de Marokkane 5, de Yrwin en Vreedebag, op Laplandsch 6, de Ahacha op Guineesch grondgebied 7, den Bruiloftsbrand, naar het Deensch van Staffeld 8. Onder allen intusschen niet één, die de vergelijking kan doorstaan met den Elius en den Floris de vierde. Op den Floris komen wij later terug. Van den Elius (de uit Legenden en Kronijken wel bekenden Ridder van de Zwaan, uit het Grieksche Keizerrijk afkomstig in de zevende eeuw) is het onderwerp de liefdegeschiedenis en echtverbindtenis van dien krijgsheld met de Erfdochter van Teisterbant, waaruit de huizen, van Kleef, Teisterbant, en Heusden afkomstig worden gezegd. Wij ontleenen eene proeve van hetgeen dit onderwerp den Dichter heeft kunnen opleveren uit den Tweeden en Derden Zang, waar de Zwaan eerst met den ring van Heile in den sneb zich bij den jagenden Elius nederstrijkt, straks het

[p. 154]

vlot des Ridders vooruitzwemt en hem den Rhijn af ten wegwijzer strekt.

 
Aan d'inham, daar de breede stroom,
 
In 't schuren van de wallen,
 
Een' houten' voorburg omgeleid,
 
Zijn meeste slib liet vallen;
 
 
 
Daar schuilde, in schaâuw van wilgeblaân
 
En hooggeschoten rieten,
 
De schoonste stroom- en vijverzwaan
 
Van alle watervlieten.
 
 
 
Die vogel had zich sins voorlang
 
In deze vrije plassen
 
Een donzig pluimennest bereid,
 
Met teder wier bewassen.
 
 
 
Daar vond hij met zijn fier gezin
 
Zich onder Diedrijks muren
 
De zelfde veiligheid verleend,
 
Als duizend nageburen:
 
 
 
Daar plag hij de opgezette borst
 
Te spieglen in de baren,
 
En met een' trotsgebogen' hals
 
Den landstroom op te varen:
 
 
 
Daar was hij Heiles zoetst vermaak
 
Door 't schittren van zijn pluimen:
 
Daar voedde hem heur blanke hand
 
Met keur van tarwekruimen.
 
 
 
Maar thands, in haar' ontroostbren rouw,
 
Van dag tot dag vergeten,
 
Thands aasde hij op 't enkle kroos,
 
En lisch, en waterbeeten.
 
 
[p. 155]
 
Dus weidend tusschen 't dichte wier,
 
Bij 't riet op één gekrompen,
 
Ontdekt en bijt hij in den ring,
 
Vast drijvende op de plompen.
 
 
 
Hij bijt, en drukt zich 't kantig goud
 
Door 't al te vinnig bijten
 
Onachtzaam in de harde sneb,
 
Dat vlies en beenders splijten.
 
 
 
Flux schudt hij kop, en hals, en sneb,
 
En trapt en klept door 't water,
 
En schreeuwt zijn pijn al wringende uit,
 
Met ijselijk geschater.
 
 
 
Hij krimpt; hij duikt; hij tuimelt om,
 
En rept de breede vlerken;
 
Maar al zijn woelen is onnut
 
Om 't kleinood los te werken.
 
 
 
Daar springt hij woedende op den wal!
 
Nu stort hij zich ten gronde;
 
En strooit den stroom met vlokken dons,
 
Bezoedeld van zijn wonde.
 
 
 
Hij spart en staart en wieken uit,
 
En heft zich naar den hoogen:
 
Ploft neêr, en schept in 't spattend nat
 
Een paar van regenboogen:
 
 
 
Rijst weêr, met opgesteken' kop
 
En uitgebreide pennen,
 
En kneedt en klieft de dunne lucht,
 
En - is niet meer te kennen.
 
 
 
Waar vloog hij? - Daar hij 't Rhijnstroomnat
 
Van de eeuwiggrijzende Alpen,
 
In éénen wijden kom gegaârd,
 
Langs 't Zwitsersch zand zag zwalpen.
 
 
 
Daar was het, enz.
 
 
[p. 156]
 
Daar trok zijn vlucht 't opmerkzaam oog
 
Des Ridders onder 't jagen:
 
Daar bleef dat oog, bevreemdingvol,
 
Op 't vreemde dier geslagen.
 
 
 
Daar streek hij bij den Ridder neêr,
 
En klapwiekte aan zijn voeten:
 
Daar scheen hij met gerekten hals
 
Den Held te willen groeten.
 
 
 
Daar toonde hij in 't moedig oog
 
Een deernissmeekend teeken,
 
En hield hem de open wonde voor,
 
Waar in de ring bleef steken.
 
 
 
Wie was die Ridder, Zangerin, enz.

En straks in den Derden Zang:

 
Zoo sprak hij, sloeg 't gezicht in 't rond,
 
En zag (en schreide op 't teeken)
 
De lang vergeefs gezochte zwaan
 
De borst ten vloed uit steken.
 
 
 
Daar dreef zij langs het vloeibre spoor,
 
En scheen het hem te wijzen,
 
En, zwemmende om en om het vlot,
 
Zijn stout bestaan te prijzen.
 
 
 
Daar dreef zij, 't ruwe vlot vooruit,
 
En scheen, heur borst verbreedend,
 
Een jachtschip met gezwollen zeil,
 
Het brekend water knedend.
 
 
 
Nu scheen zij eens een kleene boot
 
In 't roeien na te bootsen,
 
En 't vlot, bij 't kronklen van den stroom,
 
De bochten in te lootsen.
 
 
[p. 157]
 
Dan scheen zij met een' breeden boeg
 
Het vlot voor uit te trekken,
 
Om als een lichter oorlogsbark
 
Een zwarer kiel te dekken.
 
 
 
Nu breidde ze eens de wieken uit,
 
En rekte hals en pennen,
 
Als waar 't om wieling, bank, of plaat,
 
Door seinen te doen kennen.
 
 
 
Maar eindlijk kon men 't hoogste spits
 
Van uit den vloed bespeuren,
 
Waar Heile steeds om Diedrijks dood,
 
En om zijn gift, bleef treuren:
 
 
 
Maar eindlijk was de naaste bocht
 
Des landstrooms afgedreven:
 
Zie daar den vogel flux om hoog
 
En naar den toren streven!

Ook voor nog anderen letterarbeid vond in dat jongste tijdvak van zijne Rechtsgeleerde loopbaan onze Dichter den vlijtig uitgekochten tijd. Rijke bouwstoffen, onder anderen, voor een Algemeen Woordenboek waren reeds bij hem voorhanden en vergaderd; zij raakten gedeeltelijk bij zijne uitzetting en uitlandigheid verloren, en werden overigens van tijd tot tijd in zijne onderscheidene taalkundige schriften of in aanteekeningen hier en daar in zijne Dichtbundels opgenomen.

In 1794 voorts kwam nog van hem uit eene Redevoering over de Voortreffelykheid der Schilderkunst, bij gelegenheid der Prijsuitdeeling van dat jaar bij de vrije Teeken-Academie in den Haag. In deze Rede is ook nog merkwaardig de warme en krachtige

[p. 158]

aanspraak aan den Stadhouder, die de plechtigheid bijwoonde, te midden van het hachelijk tijdstip, dat weldra door eene nieuwe omwenteling werd gevolgd.

De omwenteling van 1795 had op het lot van Bilderdijk een voor geheel zijn verderen levensloop beslissenden invloed. De eed, dien de nieuwe Regeering ook van de praktizijns voor de Hoven vorderde, hield uitdrukkelijk afzweering en haat van het Stadhouderschap in, zoo wel als erkenning der zoogezegde Rechten van den mensch. Het sprak wel van zelf, dat zulk een eed voor onzen Dichter onmogelijk was; doch hij heeft zelve ergens, in eene korte schets van zijn eigen leven 1, te kennen gegeven, dat hij zich misschien niet had behoeven te begeven in eene openbare ontwikkeling zijner gronden tegen dien eed, op een oogenblik als hij, behoudens zijne beginselen, lijdelijk had kunnen blijven, en altijd het zij als Letterkundige, het zij als Rechtsgeleerde, en in het stellen van Memoriën, Rekwesten, enz. had kunnen werkzaam zijn. Doch zijn edele en vurige geest zag in die tijdsomstandigheden de mogelijkheid van zulk een stilzwijgen wel niet in. Van daar dan dat vermaarde Adres aan de Vergadering der Provisioneele Representanten van het volk van Holland, waarbij, onder aanbieding van lijdelijke onderworpenheid aan het bestaande gezag, de nieuwe eed, als in strijd met dien, welken hij in 1787 afgelegd had, geweigerd, en de onbestaanbaarheid aangetoond werd

[p. 159]

van eene verklaring omtrent die onvervreemdbare Rechten van den mensch, van welke men de nadere verklaring nog van wege het Bewind te wachten had! Dat Request, later met nog andere belangrijke Bijlagen voor vrienden in druk gegeven 1, had onmiddellijk na de kennisneming eene aanzegging van den Procureur Generaal ten gevolge, om binnen vier en twintig uren den Haag, en binnen acht dagen geheel het grondgebied der Republiek te ruimen. Alle de Provintiën namen het Besluit van Holland over, en hielden de hand aan de uitvoering. Zoo begaf zich dan de uitgedreven Dichter over Amsterdam naar Groningen, en van daar over Hamburg naar Portsmouth. - Als hij, een oogenblik na de treffende aanzegging, in de eenzaamheid van het studeervertrek zijnen Bijbel opensloeg, was de plaats waarop zijn oog als bij toeval bepaald werd, dat woord van den Apostel tot de Christenen van Corinthe (1 Cor. X. 13): Ulieden heeft geene verzoeking bevangen dan menschelijke: doch God is getrouw, welke u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt, maar hy zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, op dat gy ze kunt verdragen.

Te Groningen intusschen viel nog iets aandoenlijks voor. Aldaar opgehouden door omstandigheden van de eene, gedrongen te vertrekken van de andere zijde, had hij het nog aan de hupschheid van den Franschen Commandant ( Mac Donald, later Hertog van Tarente)te danken, dat hem de noodige tijd gelaten en een

[p. 160]

paspoort verleend werd. En als hij intusschen in den omtrek ergens der stad vermoeid en somber een oogenblik stond te peinzen, zoo naderde hem meêwarig een jonge knaap, en bood hem vriendelijk eene zitplaats. Gevoelig voor die oplettendheid, sprak hij een zegen over den jongeling uit, die sedert Predikant geworden, in later tijd (a0. 1822) die zegenbede aan Bilderdijk bij een brief herinnerd hebbende, een Dichtstuk van hem ten antwoord ontfing, van het welk hier eenige coupletten volgen:

 
Gewis ook d'enklen waterdronk
 
Dien 't vrome hart zijn' broeder schonk,
 
Zal Jezus nooit noch ooit vergeten;
 
En God verhoede 't, dat voor my
 
Een vriendendienst verloren zij,
 
Of immer uit het hart gereten.
 
 
 
Al heeft my de ongestuime vloed
 
Van kommervollen tegenspoed
 
Met altijd wisselende golven,
 
Geheugen en herinn'ringskracht
 
Als met een ondoordringbre nacht
 
Van dichte nevels overdolven;
 
 
 
Wat weeldrigheid in vreugd vergeet,
 
De vriendentrouw by prangend leed
 
Staat al te diep in 't hart gedreven;
 
Genoten weldaad, recht geschat,
 
Ontvloeit niet als vervlietend nat
 
In d'Oceaan van 't woelziek leven.
 
 
 
Ontscheurde ik my mijn Vaderland;
 
By d'afscheidsdruk van dees mijn hand
 
Bleef U mijn teedre dank, mijn zegen.
 
Die sprak in elken harteklop
 
En steeg voor U ten hemel op,
 
Schonk mooglijk tong en lippen zwegen.
 
 
[p. 161]
 
Die dank, o knaapjen vol van hoop,
 
Verzelde U door uw levensloop,
 
Toen 't land my uitwierp van zijn kusten;
 
Hy welde me uit het vol gemoed
 
Doorblaakt van zuivren liefdegloed,
 
En bleef op 't wassend telgjen rusten.
 
 
 
Die volgde U na en bleef U by,
 
Waarheen my 't felle noodgetij'
 
Als balling over de aard deed zwerven;
 
Ja, Jezus nam die zuchten aan,
 
Hy die geen weldaad laat vergaan,
 
Geen liefdevonkjen laat versterven. 1

De overtocht naar Engeland en de eerste tijd van 's Dichters verblijf aldaar werd, onder anderen, in keurig geteekend beeldschrift aan Mevrouw Elter beschreven. Te Hamptoncourt, werwaart hij zich eerlang begaf, zag hij sedert meermalen den uitgedreven Stadhouder en zijn gezin. Onderscheidene Verzen, tot dien omgang en de gelegenheid der tijden betrekking hebbende, werden later opgenomen in de Vaderlandsche Oranjezucht, een hoogst belangrijken Bundel, waarin, onder andere treffende gelegenheidsverzen het Huis van Oranje en de gebeurtenissen in Holland betreffende, ook twee Lijkzangen op dien onvergetelijken Held, den te Padua overleden Prins Willem George Frederik geplaatst zijn 2.

Met de Engelschen, als natie, kon Bilderdijk het nooit recht vinden; allerminst op een oogenblik, als naar zijne meening én Holland én het Huis van Oranje

[p. 162]

zich van het Engelsch ministerie grootelijks te beklagen hadden. In zijne levensbehoeften, nu geheel zonder vermogen of inkomst zijnde, voorzag te Londen onze Dichter door het geven van onderwijs in talen, in het teekenen, in onderscheidene wetenschappen, waaronder ook geneeskundige. Doch hij zoude in Engeland niet lang verblijven. Één oogenblik schijnt het voorstel hem aangelachen te hebben, om zich te Demerary te vestigen, en aldaar de Rechtspraktijk te oefenen. Waarom dit plan geen voortgang had, heeft hij zelve, karakteristiek genoeg, in de meermalen vermelde Geboortsbestemming geschetst:

 
Mijn boezem hing aan de oefning van het recht:
 
Naar Demerary heen, daar pleiten! - wel gezegd!
 
Een Vriend geeft vrije reis. Nu gaan wy; 't is geklonken. -
 
Ja wel! ik meende 't zoo, en was van vreugde dronken.
 
Een andre morgenzon scheen voor my op te gaan,
 
Ik vaarde alreeds in hoop mijn eersten kring weêr aan.
 
Maar neen. Men zegt mij toe, ‘daar is fortuin te maken,
 
In 't korte zijt gy rijk.’ Ik voel mijn beenders kraken,
 
Zoo schudden ze in mijn lijf van ijzing! - Ik, fortuin!
 
Ach! dat rampzalig woord stak me eindloos in de kruin,
 
Dat me in één oogenblik van eerlijk' rechtsgeleerde
 
Met al 't verachtlijkst schuim tot éénen graad verneêrde.
 
Neen, riep ik, naar geen land, dat m' om fortuin bezoekt:
 
Geen Christen zoekt fortuin; de Mammon is vervloekt. -
 
Naar Brunswijk! zei de Prins.

Daarheen dan ook, de verzamelplaats destijds van zoo vele Hollandsche en andere uitgewekenen, scheen alles te wijzen. Bij den Hertog sedert 1787, als wij zagen, persoonlijk bekend, en door Prins Willem V nog in het bijzonder aanbevolen, ontmoette Bilderdijk aldaar een allervleiendst onthaal, en onder andere

[p. 163]

blijken van welwillendheid, ook een klein pensioen van den Vorst, waarbij als zich denken laat, bij den lijdenden staat zijner gezondheid en een zich vertalrijkend gezin, nog vrij wat inspanning noodig was, om te leven. Van daar die verbazende menigte van vakken, waarin hij ergens 1 heeft aangeteekend, tot twaalf of dertien collegiën 's daags in dien tijd gehouden te hebben. Dat zulk eene levenswijze, bij daar te boven vaak slapelooze nachten, voor zijn krachtig maar gevoelig gestel ondermijnend moest zijn, behoeft geene melding, al ware daar ook nog het voor dat gestel ondragelijk klimaat, en een meer en meer zich verklarend heimwee naar het dierbare Holland niet bijgekomen.

Zoo was dan de negentiende eeuw voor Bilderdijk opgegaan in het land der vreemdelingschap. Die overgang was, gelijk voor geheel de Europesche wereld, zoo in het bijzonder en in allerlei betrekking in het leven van onzen Dichter een keerpunt. In het maatschappelijk, dichterlijk, inwendig christelijk leven, was hij in zekeren zin een geheel andere geworden. Voor het beroep als Rechtsgeleerde in het Vaderland, was nu in de plaats getreden een zwoegende, schoon altijd edele en onbekrompene letterarbeid in den vreemde, nu niet meer als verpozing van de vermoeienissen des openbaren levens, maar als werkzaamheid tevens om brood. Te gelijk was hem in zijne ballingschap een schat te beurt gevallen, dien hij in het Vaderland een tijdlang slechts had gemeend te vinden. Zijn eerste

[p. 164]

huwelijk, eene bron van wederzijdsche teleurstelling geworden meer en meer, was in de Revolutie van 1795 als ondergegaan. Van wederzijde hebben de Echtgenooten zich als door den anderen verlaten beschouwd. Bilderdijk bij name achtte zich in den rechtskundigen zin van het woord door zijne gade verlaten en den echt alzoo feitelijk ontbonden, toen zij hem in de ballingschap niet volgde. Wij willen den sluijer, die over dat oogenblik van Bilderdijks leven hangt, niet trachten op te lichten. Geene der partijen is thands meer in het land der levenden. Genoeg, dat in Zomermaand des jaars 1796 Bilderdijk in de Staatskerk te Londen in een tweeden echt trad met Katharina Wilhelmina Schweikhardt, de vrouw die sedert gedurende meer dan dertig jaren de dierbaarste troost, steun en vreugde zijns levens was, die hij in zoo menig lied, een gantsch anderen dan vroeger minnedichterlijken gloed ademende, heeft bezongen, en met betrekking tot wier bezit hij te midden zijner velerlei smarten Gode lofzingende kon uitroepen:

 
Ja, zoo rijk
 
Maakte de Almacht Bilderdijk 1.

Voor 's Dichters uitwendig leven, voor zijn Christendom, was de ballingschap van geen minder opmerkelijk gevolg. Van zijne kindschheid af had in zijne ziel het besef gewoond, dat alleen in de gemeenschap met God het geluk voor den mensch te vinden is; dat die God, in Christus geopenbaard, de

[p. 165]

zonde verzoent, en zalig maakt uit genade, en ook de kleinste bijzonderheden van ons lot en leven bestemt en bestuurt. En wel zal die overtuiging, die hij zich ook in haren rechtzinnig gereformeerden vorm evenmin destijds als later schaamde, te midden van al de woelingen van zijn vroeger leven, te midden van al de omkleedsels, die haar toen voor menig oog bedekten, niet geheel zonder eene vrucht in het leven, zonder troost voor zijn hart zijn geweest. En toch! was ook Godsdienst, Christendom, Geloof, bij die over hem heengegane baren van ballingschap en ellende hem nog heel iets anders geworden: meer waarheid en leven in het binnenste, meer het een en al voor de waardeering van zijn hart en gemoed. Van daar ook in dien geest nieuwe wetenschappelijke onderzoekingen: als, onder anderen, met den kundigen en godvruchtigen De Luc, die te Brunswyk een tijd lang met hem in hetzelfde huis woonde en bij uitstek aan hem gehecht was, de beoefening der Geologie in hare betrekking tot Bijbel en Godsdienst. Maar vooral ook dagteekent van dien tijd zijne levende en werkzame

ingenomenheid met eene reeds destijds in Christendom en Godgeleerdheid hoog belangrijke richting, welke aan sommige waarheden, tot de toekomst van Christendom en wereld betrekkelijk, en die niet altijd in de Kerk zoozeer op den voorgrond hebben gestaan, als zij volgens Gods Woord wel behoorden gewaardeerd te worden, een nieuwe aandacht, een nieuw onderzoek wijdde. Wij bedoelen de voorzeggingen en beloften aangaande des Heeren Jesus Christus wederkomst in heerlijkheid, en aanstaande heerschappij over de aarde

[p. 166]

en over het dan tot hem nationaal bekeerde Israël, met al hetgeen verder bij de Propheten des Ouden Testaments en in de Openbaring van Johannes met die zalige verwachtingen in verband staat. Dat deze blik in eene volheerlijke toekomst toch ook reeds vroeger aan onzen Christen Dichter niet vreemd was, kan uit de volgende regelen blijken, die hij in eene Toewijding van den Urzyn en Valentyn aan zijne Egade en kinderen richtte (a0. 1795) 1:

 
Leer hun, lijden, leer hun, dulden
 
Wat Gods wijsheid schenkt of draagt,
 
En den grooten dag verwachten
 
Dien zijn Goedheid nog vertraagt!
 
Dag, dien dit ons kroost aanschouwen,
 
Licht, met u beleven zal;
 
Die het Godsrijk vast moet stellen
 
Op de wrakken van 't Heelal.
 
Dag, die na een rampvol leven,
 
Na de banden van het graf,
 
Ons en de onzen zal hereenen
 
Onder Jezus scepterstaf!
 
ô Hij koom, die dag der dagen!
 
Godlijk Heiland! ach, verschijn!
 
'k Zal in uw verwachting lijden,
 
En getroost in 't lijden zijn.

Het kon wel niet anders of al deze nieuwe levensbetrekkingen en geesteswerkzaamheden moesten ook op den Dichter een kenmerkenden invloed oefenen. En zoo was het. Bilderdijk in de achttiende eeuw was ja geen ander, geen minder genie geweest, dan dat

[p. 167]

zich in de negentiende met zoo onvergelijkbare schittering getoond heeft; maar dat genie was nu in den loop dier Europesche Omwenteling, hem anders zoo hatelijk en vijandig, als ware het door eene machtige schudding van menige banden en kluisters losgemaakt geworden, die wij in de Dichtkunst zijner jeugd nog zoo kenlijk ontwaren. Die meer of min stijve of eerder stroeve vorm hier en daar, wellicht het gevolg der afzondering zijner kindschheid en jongelingsjaren, die meer of min ouderwetsche, aan den tijd en het hof van Lodewijk den XIVde herinnerende manier, welke Bilderdijk nog langen tijd later in zijn prosa, en vooral in het maatschappelijke leven behield, verdwenen van nu aan ten eenenmale in zijn poëzy. Als Lier-, als Leer-, als Heldendichter, hetzij als oorspronkelijk Schrijver of niet min oorspronkelijk Vertaler, hieven zich nu in alle hunne kracht en breedheid die adelaarsvleugelen naar de hoogte, welke hij tot nu toe wellicht slechts even uitgeslagen, en alleenlijk getoond had.

In de Bundels en andere Dichtwerken van het tienjarig tijdvak, hetwelk met Bilderdijks terugkeer in het vaderland eindigt, is het verschil, is zelfs de overgang duidelijk aanwijsbaar.

Het Dichtwerk, waarmede hij in 1795 van het Vaderland afscheid nam, was eene overbrenging van den Treurzang van den Arabischen Dichter Ibn Doreid, bewerkt in de eerste dagen na de omwenteling, en straks bij zijne uitzetting ter uitgave achtergelaten aan de zorg van een' vriend. Sommige Exemplaren van die eerste uitgave prijken nog met een afbeeldsel

[p. 168]

van 's Dichters eerste gade, en met een randschrift, waarvan de woorden (uit Ovidius) wellicht een veel beteekenenden wenk ruim zoo zeer als eene lofspraak bedoelden: Sustinuit conjux exulis esse viri 1. Als in 1808, uit hoofde van de verregaande slordigheid van dien eersten druk, een tweede door den Dichter zelven bezorgd werd 2, droeg hij dien aan zijne toenmalige Echtgenoote op met eenige dichtregelen, waarvan de aanhef meer of min luimig straks, naar Bilderdijks gewoonte, in aandoenlijker toonen overgaat.

 
De arme Reiske bracht zijne Ega op haar Jaardag, raad eens wat?
 
Oude Arabische overblijfsels. Dit was alles wat hy had.
 
Weinig wist het goede wijfjen, van de waarde van zijn gift;
 
Maar zy zag op 't hart des gevers, vol van warme liefdedrift.
 
Gy, mijn Gade, weet iets meerder van de gift die ik u bied'!
 
Is ook de oude lust verstreken, zoo geheel verdwijnt zy niet.
 
Gy, gy kent nog Motanabbi, Hafez nog, van vroeger dag,
 
Toen ons oog zoo vol genoegen naar het zalig Oosten lag,
 
Toen we in 't blijdste voorgevoelen, aan Eufraat en Tigerzoom,
 
Ons de zaligheden maalden van den zoetsten levensdroom;
 
Toen ge uw vingers leerde buigen naar den vreemden pennentrek,
 
Dien de Koran heeft geheiligd by het kroost van Amalek;
 
Toen ge uw mond den tongslag wende van den Morgenlandschen groet,
 
En den sluijer leerde plooien voor Sabéas zonnegloed;
 
Toen ge, ontvlamd van Oostersch Dichtvuur, de open, zuivre maagdenborst
 
Aan den palmwijn der Gedrozen met verrukking laven dorst;
 
Toen uw zacht, aandoenlijk harte nog niet wist voor wien het sloeg,
 
En de lessen van een Vader aan eens minnaars lippen vroeg!
[p. 169]
 
Toen... maar waarom deze tijden, deze weelde thands herhaald!
 
Ach! met hoe veel jaren lijdens is haar zoet door my betaald.
 
Lijdens! ja, maar in uw armen; maar vergolden door uw min.
 
Ach! dat lijden ook is hemel, lieve, teedre Zielsvriendin.
 
De Almacht blies op deze ontwerpen. In de zalvende Oosterlucht
 
't Wee van 't Westen te vergeten, was verwaaien van een zucht. enz.

De eerste Bundel, dien Bilderdijk van uit zijne ballingschap in het Vaderland deed uitkomen, was de Mengelpoëzy (a0. 1799). Zij bevat, behalve eenige Gedichten van Ossiaan, eene menigte Losse Verzen van onderscheiden inhoud en vorm, waaronder het volgende zesregelige: Wissel getiteld, hier wel een plaatsje verdient:

 
Op zicht betaal voor my, aan d' eersten dien ge ontmoet,
 
En hulp benoodigd ziet, al wat ge kunt voor goed:
 
Het zal u jegens my in Reekning valideeren.
 
Zie daar een Wisselbrief, U daaglijks voorgelegd!
 
Wat doet ge, o Christenmensch? Gy laat hem protesteeren?
 
ô Vrees de strengheid dan van 't Hemelsch Wisselrecht.

Een dichtstuk: Starrenkennis opent den Bundel. Met hetzelve verdient vergeleken te worden een ander, uit hetzelfde vak van wetenschap genomen, maar waarin meer bijzonder op de plaatsing der starrenbeelden gelet is, die in het vroegere Dichtstuk alleenlijk beschreven worden. Men vindt het nevens een gegraveerde Hemelplanisfeer in de Najaarsbladen (II. 55). - Het tweede deel der Mengelpoëzy bevat voornamelijk Romances en Vertellingen 1, waaronder

[p. 170]

de Ridder Sox, naar VoltairesFée Urgelle, en de welbekende fabel van: De Waarheid en Ezopus. In het Penzioen schetste hij luimig zijn lot als balling, eerst in Engeland, daarna te Brunswyk, onder het beeld van eene kat, die vroeger getrouw in het verdrijven van rat en muis, nu door eene nieuwe keukenmaagd onbarmhartig de deur is uitgejaagd; daarop naar het eiland Cyprus de wijk neemt, maar ook daar, niettegenstaande vroegere diensten van het kattenras aldaar tegen de slangen bewezen, geen troost vindt, tot dat zijeindelijk in een bosch minzaam onthaald wordt door een Inkhoorn, doch van het gastvrije dier een eenig hazelnootje daags voor haar onderhoud ontvangt. Deze scherts, voor al wie Bilderdijk in zijne eigenaartigheden van ernst en luim eenigzins gekend heeft, in den grond argeloos en zonder zweem van hatelijkheid gemeend, is wel eens als eene bittere beleediging van zijnen vorstelijken weldoener opgevat. Ja, het zoude kunnen zijn, dat de kennisneming van dit gedichtje ook bij de Vorstelijke familiën van Oranje en Brunswijk geen aangenamen indruk nagelaten hebbe. Onze Dichter hechtte te weinig aan geldelijke belangen, om in eene aardigheid op dat punt iets beleedigends te zien, maar zijn geest was tevens te vrij en te onafhankelijk, om het stukje, eens gemaakt zijnde, om wat bedenking ook van menschelijke beoordeeling te onderdrukken. Van zijne ware en warme gevoeligheid voor de weldaad der vorstelijke herbergzaamheid te Brunswyk, heeft hij, nog op het oogenblik des afscheids van dat verblijf, een krachtige uitdrukking nedergelegd in die

[p. 171]

Opdracht van zijne Rechtsgeleerde Observationes et Emendationes aan den Hertog, welke aldus aanvangt: Quod vivo, tuum est 1.

In de voorname kringen der Uitgewekenen te Brunswyk maakte ten jare 1802 het bekende gedicht: l'Homme des Champs ou les Géorgiques Françaises van den abt Delille (zelf een Fransch geëmigreerde) grooten opgang. Bilderdijk, schoon zelf juist zoo heel veel niet ophebbende met dit stuk, bracht het evenwel, op aanzoek van eenige land- en lotgenooten, in onze taal over. Zijn Buitenleven in1803 uitgegeven 2 behoort tot die talrijke proeven van de meesterhand, waarmede onze Dichter zoo velerlei voortbrengselen van vreemde afkomst op Hollandschen bodem niet alleen wist over te brengen, maar als te naturaliseren tevens en te adelen. Als hij later een dergelijken arbeid aan den Mensch van Pope besteedde, handhaafde hij zich in den Voorzang tegen eene aantijging (want wat heeft wangunst of wansmaak al niet tegen Bilderdijk uitgedacht?) als of hij alleen in het vertalen uitmuntte, op de volgende wijze:

 
Wat zegt men? 'k ben een bloot Vertaler,
 
Geen Dichter? - 't Mag zoo zijn, ik wederspreek het niet.
 
Maar 'k ben, voor 't minst, geen koude praler,
 
Die de eerzucht verzen wijdt, waar 't hart niet overvliet.
[p. 172]
 
Ik stort mijn boezem uit, als 't vinkje in de abeelen,
 
En vraag niet, wie mijn stem kan streelen,
 
Maar vier behoefte bot. Mijn Dichtkunst is gevoel,
 
En 't zij uit eigen bron gevloten,
 
Of uit eene andre borst mijn' boezem ingegoten,
 
Ik zing en ken geen ander doel.
 
Doch zoo ik ooit een toon deed hooren,
 
Aan Frank of Brit ontleend; Bataaf, verwijt ge 't my?
 
Of voedde ik luistergretige ooren
 
Met ydle, leêge melodij?
 
Neen! 'k trachtte uw Zangers op te leiden,
 
Om kunst en wankunst te onderscheiden;
 
Zong vreemde orakels stom, wier valsche hemelval,
 
Met kinderlijk gezag ontfangen,
 
Een vloeiend ondicht gaf voor Zangen,
 
Of 't hart verstikte in hol geschal.
 
Maar 'k leerde u God en Zeden eeren,
 
Waar lastring 't woord verhief, ten trots van 's Hemels wraak,
 
En 't Nakroost woog mijn zang naar 't brandend hart waardeeren,
 
't Zal voelen, wie my lees, van welk een vlam het blaak.
 
Dit zinge ik, wie mijn Lier ook hone;
 
Ja, Godsdienst, Waarheid, Deugd, en 't Schoone
 
Zijn een. Versmijt de harp, gy die dit een verdeelt.
 
Poëet! wees Wijsgeer, Kristen, Maler;
 
Maar druk u-zelven uit! men noeme u vrij vertaler,
 
Wanneer ge uw lied oorspronklijk speelt!

In hetzelfde jaar met het Buitenleven zagen nog drie Deelen gemengelde verzen van Bilderdijk, en zijne door hem in Hollandsche Dichtkunst reeds diep ingewijde Gade, onder den titel van Poëzy het licht. De voornaamste inhoud, schoon als altijd afgewisseld met wederom andere toonen en Dichtsoorten, bestond hier in wederzijdsche verjaarverzen, in de tederste zangen van huisselijk heil en beproeving, liefde en

[p. 173]

leed. Een Vierde deel besloot later (a0. 1806) deze Verzameling, en is inzonderheid merkwaardig door het boven reeds herdachte vers aan Cats, en een verjaringslied, waarvan straks nader, aan 's Dichters Egade in de verwachting des wederziens op vaderlandschen bodem, dien hij op dat oogenblik weder betreden had 1.

Van een bundel Mengelingen 2, van Bilderdijk alleen, verschenen op gelijke wijze eerst drie Deelen in 1804, eenige jaren later (a0. 1807) een vierde. Allermerkwaardigst blijft ook deze Verzameling door keur van Lier- en Bruiloftszangen, Romances, Overzettingen op nieuw van Ossiaan, een meesterlijk Leerdicht en Ode, Poëzy getiteld, Ines de Castro naar Camöens, Grootmoeders Klacht naar het Oudfriesch van Gysbert Japiks, enz.; insgelijks door een twaalftal geestvolle fabelen in prosa, waarvan die der Vogelen hier tot eene proeve strekke van 's Dichters geestvolle manier in dit vak:

‘Hy maakt ons wat wijs, de Adelaar, als hy zegt boven de wolken te zweven. Ik weet ook iets van vliegen en wat hoogte men met de kracht van een' vogel bereiken kan. - En wie heeft hem ooit in die hooge streek van den hemel gezien? Immers zou hy zijn veêren aan de zon moeten branden, indien hy hare hitte zoo na kwam! Met één woord, het is een bloot voorgeven, en oudewijvenklap, dat zeg ik u allen, en daar blijf ik by.’

[p. 174]

‘Dus was, in een zamenkomst van gevogelte, het gesprek dat een Zwaluw hield. - Ik heb altijd zoo gedacht (zei de kraanvogel), de zaak is onmogelijk. Ik kan toch ook vliegen en niemand zal my dit betwisten. - De Reiger, de Ooievaar, de Sperwer voegden zich hierby, en een zwerm van klein gevogelte bevestigde het besluit: de Adelaar stijgt niet boven de wolken.’

‘Zoo geneigd is men, eene onbekende macht palen te stellen naar de maat van zijn eigen kracht en bekrompen begrip! De Maykever kwam eindelijk: 't Is een dwaasheid (zei hy ruiterlijk), van een hooger vlucht dan drie vademen te gewagen. Alle hooger vlucht is niet dan eene onmogelijkheid en een spel van verbeelding of bedriegery.’

Een meesterstuk van schoonheid in de uitdrukking bij bevallige geestigheid der gedachte, verrassend vooral ook door een zelden nagevolgden greep in versbouw en rijm is in dezen zelfden Bundel de Minerva (IV, 82):

 
Minerve vond de vēld flŭit ūīt,
 
En speelde 't eerste lied,
 
Aan d'oever van Permessus vliet
 
Gehukt in 't jeugdig kruid.
 
De boschgoôn sluipen op den klank
 
Bedeesd en luistrend aan,
 
En laten kruik en druivendrank
 
Voor deze wellust staan.
 
 
 
Wat zong zy? Van den bērgsneĕuwleēūw
 
Dien Herkules verwon;
 
En hoe hy by een meisjen spon,
 
Hy, monsterschrik der eeuw!
[p. 175]
 
Het spinrad snorde door haar zang,
 
En gonsde na in 't oor;
 
En 't kusgeklap op mond en wang
 
Klonk somtijds dwars daar door.
 
 
 
Nu ving zy van de wīldbaăn āān
 
En zong Dianes stoet.
 
Men hoorde 't kraken van den voet
 
Door de afgeworpen blaân.
 
De pijlen ramm'len door 't gerucht;
 
De boogstreng krakt en drilt;
 
De schicht vliegt schuiflend door de lucht;
 
De bloedstroom ruischt om 't wild.
 
 
 
Het mastbosch staat van rōndŏm stōm,
 
En wordt niet hoorens moê;
 
Het windtjen plooit zijn vlerkjens toe,
 
En, speelt met blad noch blom. -
 
Maar de Echo vangt een toontjen op,
 
En alles vliegt in roer:
 
Nu hupplen veld en heuveltop,
 
Met schaterend rumoer.
 
 
 
‘Iö, wat klinkt die zāngtŏon schōōn!
 
Zie daar den rechten trant!
 
Dit klatert over bosch en land!
 
Dit laatste spant de kroon!
 
Die weêrklank daar, van ha, ha, ha!
 
Die treft en hart en zin!
 
Minerva speelt bevallig, ja;
 
Maar de Echo doet niet min.’ -
 
 
 
Minerve, die een' blōs krĕeg, zwēēg;
 
Nam 't fluitjen van den mond,
 
En wierp het lachende op den grond,
 
Terwijl zy de oogleên neeg.
 
Zy zet den voet op 't piepend riet,
 
En trapt den halm in tweên:
 
‘Zing, Echo, zing uw eigen lied!’
 
En ijlings vloog zy heen.
[p. 176]

Maar boven alle voortbrengselen, in dezen Bondel geplaatst, en beneden geen ander van Bilderdijk zelven, in wat vak ook, te schatten is de Romance op Graaf Floris den Vierde, (I. 75). Wij herinneren slechts den aanhef:

 
Trompetten en schalmeien
 
Doorklonken hof en wal:
 
De Ridders vloeiden samen
 
Op 't daavrend Feestgeschal.
 
 
 
Van 't overwelfde venster
 
Van Klermonts opperzaal,
 
Zag Blanka, de overschoone,
 
Den rijken wapenpraal.
 
 
 
Daar lag zy in het venster,
 
Behangen met fluweel,
 
In 't midden van heur maagden,
 
Gedoscht in 't aadlijk geel.
 
 
 
Daar stond zy voor het venster,
 
In hemelsblaauw gewaad,
 
Gelijk het korenbloemtjen
 
In 't rijpend graanbed staat.
 
 
 
Zy droeg een gouden keten
 
Met diamanten boot;
 
Die hong haar van de schouders,
 
En wapperde in haar schoot.
 
 
 
Haar volle boezem zwoegde,
 
Haar nieuwsgier oog vloog rond;
 
Een blos besteeg haar wangen,
 
Een lach, haar heuschen mond.
 
 
 
Zy zag de fiere Ridders,
 
Versierd met zijde en goud;
 
Zy zag hun fiere rossen,
 
Op hun berijders stout.
 
 
[p. 177]
 
Zy zag die fiere rossen,
 
Met Korduaan getoomd,
 
Bekleed met purpren dekken,
 
Met franjen rijk omzoomd.
 
 
 
Zy zag de Ridders draven
 
Op 't steigerende ros,
 
Het moedig hoofd omwemeld
 
Met struis- en reigerbosch.
 
 
 
Zy zag hun wapens blinken,
 
Met kleuren groots bemaald;
 
Hun breede bandelieren,
 
Beschilderd met de naald.
 
 
 
Zy zag de wapenschilden,
 
Gedragen rij aan rij,
 
Door rijkgedoschte knapen
 
In 't blinkend eerlivrij.
 
 
 
Zy zag de Baanderollen
 
Van Graaf en Koningskind
 
In duizend bochten golven,
 
En zweven op den wind.
 
 
 
Haar oog begon te glanzen
 
Van schuldelooze vreugd,
 
En dwaalde, vol verrukking,
 
Door al de Ridderjeugd.
 
 
 
Ach, zeg my, riep zy driftig,
 
Van argwaan ongewis,
 
Wie onder al die Ridders
 
De Graaf van Holland is.

En straks:

 
In 't midden van de Helden,
 
Op 't briesschende genet,
 
Reed Floris blij en moedig,
 
Met statelijken tred.
 
 
[p. 178]
 
De Schildknaap, aan zijn zijde,
 
Droeg speer en veldbanier,
 
En witgepluimden hellem
 
Met openstaand vizier.
 
 
 
Zijn helder voorhoofd glansde,
 
Van vreugd, van majesteit;
 
Van 't blinkend git der lokken,
 
Om 't edel hoofd verspreid.
 
 
 
Zijn treffend oog vereende
 
In 't hemelschoon gelaat,
 
De heuschheid van een' Ridder
 
Het vuur van een' soldaat;
 
 
 
Den glimlach van ' t genoegen;
 
Den blos van echten moed;
 
En de onmiskenbre trekken
 
Van 't Frankisch Koningsbloed.

Met het merkteeken van hetzelfde jaar (mdccciv), waarin dit meesterstuk in het licht trad, verscheen afzonderlijk een Dichtstuk van een geheel ander onderwerp en toon, maar te merkwaardiger omdat het sedert in geenen van Bilderdijks talrijke Bundels is opgenomen. Het is eene Ode bij gelegenheid van den moord des Hertogs van Enghien, waarin, onder andere treffende gedachten, de onrechtmatige overlevering van Corsica door de Genueesche Republiek aan Lodewijk den XVde, in verband gebracht wordt met de overheering van den troon den Bourbons door een Cors. De aanhef luidt dus:

 
Gy hoordet Horebs donders knallen,
 
O Volk van Jacob, zaagt den gloed
 
Des bliksems, en geloofdet allen,
 
En vielt Gods Mogendheid te voet!
[p. 179]
 
Maar - wy, ontaarde Christenscharen,
 
Wy twijflen aan Gods macht, aan Gods rechtvaardigheid?
 
Wy siddren voor geweldenaren,
 
Als waar de moedwil God, en God aan band geleid?
 
 
 
Onzinnigen, ontsluit uwe oogen!
 
Ziet voor U, kent Zijn wraak, en beeft!
 
Leert, of Hy 't onrecht kan gedogen,
 
Die op het vuur des ijvers zweeft.
 
Ontzachlijk straft Hy, wie Hem honen,
 
Die Rijken neemt en geeft, en scepters vormt en breekt.
 
Beeft, Heerschers, siddert op uw thronen!
 
Hy is het, die in 't kroost der Vaadren ondaân wreekt.

Een jaar later (1805) werden 's Dichters talrijke overbrengingen van Ossiaan vermeerderd met de Zes Zangen van den Fingal (in twee Deelen) waarbij, behalve eene menigte Aanteekeningen van krijgskundigen zoo wel als letterkundigen aart, ook nog eene uitvoerige Verhandeling hare plaats vond over het Dichtstuk en zijnen Schrijver. Bilderdijk treedt daarin op als ijverig verdediger der echtheid van deze Zangen, waaromtrent, als bekend is, het tegenovergesteld gevoelen thands meer en meer de overhand heeft.

Het eerste afzonderlijke werk van onzen Dichter over Taal en Nederduitsche Spraakleer, waaromtrent ten allen tijde de aanteekeningen achter zijne Dichtwerken rijke bijdragen aanboden, was, insgelijks a0. 1805, de Verhandeling over de Geslachten der Naamwoorden in het Nederduitsch, waarvan een met Bijvoegselen rijk vermeerderde tweede uitgaaf dertien jaren later het licht zag.

[p. 180]

Geen van Bilderdijks dichtbundels uit het tijdvak zijner uitlandigheid geeft zijne gemoedsstemming als Christen, zoowel als den hoogen trap van rijpheid, die zijne poëzij bereikt had, getrouwer en uitvoeriger te kennen, dan de Nieuwe Mengelingen verschenen a0. 1806 1. Het eerste der twee Deelen, waaruit deze Verzameling bestaat, bevat louter Christelijke poëzij, teder van godsvrucht en levend van geloof; het wordt besloten met eenige in hare soort niet minder krachtige Verhandelingen in prosa over het Geluk, over de Borgtochtelyke voldoening, over de Erfzonde, over de Onsterfelykheid der Ziel, over de Algemeene en byzondere Voorzienigheid. Het standpunt waarop zich de Dichter in die dagen geplaatst voelde, is ten aanzien van zijn geloof in Christus, en de onbewimpelde belijdenis daarvan, een der merkwaardigste van geheel zijn altijd in kamp geoefend leven. Te midden van het, ook vooral in Duitschland, destijds triumfeerend Ongeloof aan alle geopenbaarde Godsdienst, althands aan de stellige waarheden van het Christendom, achtte hij het zich een dierbaar voorrecht uit te komen voor hetgeen men én daar én elders als ouderwetsche Rechtzinnigheid algemeen verwierp en schold. ‘Ik heb (zegt hij in de allezins belangrijke en veel bevattende Voorrede van dien Bundel) ik heb nooit geloofd, zulk een aanstoot te moeten schroomen, vooral waar 't op wezendlijk Christendom en zijnen grondslag aankwam, en geloof dit nog niet. Maar iets anders is het, als een

[p. 181]

welmeenend Christendom algemeen is, ongeroepen met zijne rechtzinnigheid te pralen; iets anders by eene zoo openlijke als algemeene verguizing en omwerping van den grondvest allen heils eene gepaste gelegenheid waar te nemen, om zijne Landgenoten door eene vrije erkentenis van zijn gevoelen te stichten, te bemoedigen, te ondersteunen; en misschien sommigen, gereed met den stroom af te drijven, tot nadenken te brengen;’ en hetgeen daar meer volgt.

De Gedichten zelve, die onder den titel van Stichtelyke onmiddellijk op deze voorrede volgen, zijn sommigen van hoog ernstigen, de meesten van zalvenden, allen van God en Christus verheerlijkenden inhoud; het krachtige vers, de Ongodisten; het aandoenlijke, de Christen in 't Lijden, naar eene leerrede van den Oudvader Basilius; voorts de overbrenging in Christelijken zin en op hedendaagsch grondgebied, van Horatius bekende Ode: Delicta majorum, enz., onder den titel: Aan Europa; de lofzang Aan God (naar Munter), die ook, schoon niet geheel getrouw, overgenomen is in de Evangelische Gezangen der Hervormde Kerk 1; de Zelfbeproeving (naar denzelfden), waarvan de eerste Strophe aldus luidt:

 
Welk een lot staat my te wachten,
 
Als de Rechter van 't Heelal
 
Al mijn daden en gedachten
 
Op de weegschaal leggen zal?
 
Ach! ik word te licht bevonden,
 
Al die schijnbre deugd tot zonden,
 
Waar ik onbedacht meê brall'.
[p. 182]

En straks:

 
O Genâ, mijn God! Genade!
 
Roep my, trek my, drijf my aan!
 
Sla mijn nood, mijn jammer, gade,
 
En verplet mijn' eigenwaan!
 
'k Smeek, ô Jezus! leer my smeeken!
 
Leer me, in tranen los te breken!
 
'k Kan in 't oordeel niet bestaan.
 
 
 
'k Werp me, ô Heiland, voor U neder;
 
Zie mijne onmacht, red, ô red!
 
Geef my uw vertroosting weder,
 
En verhoor mijn noodgebed!
 
Ach! wie kan er tot u vlieden,
 
U zijn hart ten offer bieden,
 
Zoo Gy-zelf hem dit belet?
 
 
 
Hem belet? - Helaas, beletten!
 
Neen, uw liefde zoekt ons heil;
 
Geen vernielen, geen verpletten!
 
Hier voor was uw bloed niet veil.
 
Neen, als redder en behouder,
 
Naamt ge 't vloekhout op uw schouder,
 
Met een Goedheid zonder peil.

In diezelfde Verzameling bezitten wij voorts nog den Zuigeling, de Liefde, de toespraak aan de Joden, waarin hij zijne eigene steeds met daden betoonde gezindheid jegens Gods oude Volk zoo treffend al dadelijk uitdrukt:

 
Gy, oud en edel Volk, dat nu sints achttien eeuwen
 
Voor uwer Oudren schuld zoo duur, zoo eindloos boet!
 
Gy, aller Volken smaad, mishandelde Hebreeuwen,
 
In 't onheil zoo gedwee, standvastig, en vol moed!
[p. 183]
 
Gelooft niet, lijdend Volk, dat Christnen u verachten,
 
Dat hun gevoelig hart met uwe ellenden spot!
 
Neen, 't blaakt, het zucht voor u, en mag het haar verzachten,
 
't Is hun een weldaad van hunn' Heiland, van hunn' God.
 
Het eert die banden die u knellen, 't hert uw jammren!
 
Zy zijn ons borgen van Gods waarheid, van zijn heil.
 
Geen wolven zijt gy ons, maar wreed verstrooide lammeren,
 
Uw herders zorg als wy, en niet ter slachtbank veil.

En eenige regelen veder:

 
Mocht ons hart zijn weldaad met u deelen,
 
En geen 't recht u weêr, waarvan gy afstand deedt,
 
Hebreeuwen, 't zou de ziel van elken Christen streelen,
 
En 't aardrijk had voor ons geen voorwerp meer van leed.
 
O Broedren! maar (helaas) den Vader afgevallen!
 
Verloren! maar nogthands des vromen Abrams bloed!
 
Keert tot uw erfgoed weêr! Keert, schapen, in uw stallen,
 
Keert, eer de nacht verschijn', de nachtwolf moorde en woed'!

En nog:

 
Vraagt, vraagt uw Leeraars! Gaat, pleegt raad met uw Rabbijnen!
 
Vraagt, of Messias niet moest sterven voor uw schuld?
 
Vraagt, zoo Hy als een Vorst in 't purper kwam verschijnen,
 
Of dan de Orakelspraak der Schriften waar vervuld?
 
Laat Amos schrandre zoon, laat David-zelf hier spreken!
 
Hoort hem, wiens heilig bloed der leeuwen muil ontzag!
 
Den Ziender, voor wiens oog de duistre tijd der weken
 
Met middagvollen glans en klaarheid openlag!
 
Maar neen! Uw eigen lot, uw land- en tempelstooring
 
Betuigt u, wat het zij, waar op gy hooploos wacht!
 
Die Godspraak laat uw' wensch geen uitzicht van verhooring!
 
Die roept u toe: Hy kwam, en werd voor u geslacht.

Wij besluiten deze aanhalingen met, den aanhef der Hymne, de Heiland getiteld:

[p. 184]
 
Jezus Christus, ja, is God!
 
God van eeuwigheden!
 
Hy vertrad der Duivlen rot;
 
Heeft voor ons volstreden!
 
Hy, vervuller van 't gebod!
 
Hoorder der gebeden!
 
Hy, Hy schenkt ons 't vol genot
 
Van het zaligst Hemellot!
 
Jezus Christus, ja is God!
 
Juicht, wie Hem beleden!

Het tweede Deel der Nieuwe Mengelingen levert wederom keur van poëzij in verschillenden trant en vorm op, schoon het ook daar aan geen ernstig en Christelijk woord ontbreekt. Boven anderen schitteren hier uit 's Levens Beker:

 
Laat smaragden en saffieren
 
's Levens brozen beker sieren; enz.

en de Visschers, eene Idylle vol van naïve schoonheden en keurige juistheid van uitdrukking en kleur, naar Theocritus:

 
Twee Grijzaarts, van de jeugd ter vischvangst opgebracht,
 
Die in 't gevlochten dak by stormende onweêrsnacht
 
Hun dorre legerkoets van wier en bladen spreidden,
 
En lenende aan den wand den morgenstond verbeidden,
 
Begonnen, half in slaap, dit droomig bedgesprek.
 
Rondom hen, op den grond van 't enge slaapvertrek,
 
Lag al het tuig door een, waar meê hun vlijt zich voedde,
 
Als zetkorf, schakelnet, en riet, en angelroede,
 
Met koord en garen, grom en zeegras, boei, en fuik,
 
En oude vleetschuit, lek, en niet meer van gebruik.
 
Hun hoofd rustte op een mat, een party oude huiden
 
En kleeders op het lijf, maar weinig van beduiden.
 
Dit was hun armoed; dit, geheel hun overdaad.
[p. 185]
 
De kommer lag er t' huis en was hun trouwste maat.
 
Geen aarden pot of pan was in de kluis te vinden,
 
Geen ketel; zelfs geen klos om 't garen op te winden;
 
Slechts enkle stokken nog, ter drooging van het want,
 
En eene holtsblok voor de traanlamp als zy brandt.
 
Geen buur was daaromtrent. Van 't zeeschuim overdolven,
 
Stond de arme leemen hut te schudden in de golven.
 
Wie kon er slapen in dit schriklijk zeegedruisch! -

In de dichterlijke Verhalen, waarvan deze Bundel een geheel nieuw en eigenaartig soort oplevert:Het Slot van Damiate, Achilles in Scyros (naar Statius), Lucretia, is het als of men de voorbereidingen reeds gewaar wordt tot dien Epischen toon, die eenige jaren later met zoo voorbeeldelooze stoutheid door Bilderdijk aangeslagen werd.

Toen de Nieuwe Mengelingen uitkwamen, immers het Tweede Deel in het licht verscheen (de Voorrede van den geheelen Bundel is nog van Brunswyk gedagteekend), was de Dichter wederom in het Vaderland teruggekeerd, te Leyden gevestigd, ja, bij Koning Lodewyk in aanzien en betrekking. Dit tweede Deel is zelfs aan den Vorst opgedragen 1.

Tien jaren had Bilderdijk buiten het Vaderland omgezworven, of als balling verkeerd. Zijn afkeer van het Brunswijksche klimaat, en nog veel meer zijn verlangen naar het Vaderland, was tot eene werkelijke ziekte geworden. De geneeskundigen wisten voor hem geen raad meer dan de vaderlandsche lucht en

[p. 186]

bodem. Te gelijker tijd begon men ook in dat Vaderland aan den uitgedreven Dichter te denken. In de Amsterdamsche Afdeeling der Bataafsche Maatschappij van Taal- en Dichtkunde was een plan gevormd (a0. 1805), om Mr. Willem Bilderdijk, thands te Brunswyk zijn verblijf houdende, te bewegen als Lector in de Nederduitsche Taal, Welsprekendheid en Dichtkunde, bij gemelde Afdeeling op een voordeeligen voet voorlezingen te houden. Vroeger reeds was er sprake gewest van een Professoraat te Franeker; doch ook dit was afgesprongen. Een onbekende hoogschatter van Bilderdijks poëzij had intusschen, naar aanleiding van eene door hem gegevene Recensie van de Mengelingen in een Hollandsch Tijdschrift, eene briefwisseling met hem aangeknoopt, waarvan de onderwerpen insgelijks telkens betrekking hebben op een uitzicht van terugkeer in Holland. Van den bijzonderen vriendschapsband, uit deze briefwisseling nader ontstaan, getuigen zoo wel de Brieven als eene menigte verzen, naar onderscheidene aanleiding tot den Heer Jeronimo de Vries gericht, die weldra bleek de vroeger ongenoemde Vriend te zijn 1.

De zwarigheden, die tegen Bilderdijks wederkeer in het Vaderland nog schenen te bestaan, werden nu weldra opgeheven. In het voorjaar van 1806 bracht het Tjalkschip de Hoop, niet zonder het doorstaan van een hevigen storm,. den Dichter in een onzer

[p. 187]

Hollandsche havens aan wal. Hij heeft dit oogenblik van zijn veel bewogen leven in die dus genaamde Zeestukjes bezongen, waarvan slechts een enkel (Zeevaart) in een zijner Dichtbundels 1, de anderen alleen gevonden worden in de Vaderlandsche Letteroefeningen van a0. 1806. Dat aan den Hollandschen Wal drukt de gewaarwording van het langgewenschte wederzien wel kortst, maar ook krachtigst en aanschouwelijkst uit:

 
'k Heb dan met mijn strammen voet,
 
Uit den ongestuimen vloed,
 
Hollands vasten wal betreden!
 
'k Heb mijn kromgesloofde leden
 
Op zijn' bodem uitgestrekt;
 
'k Heb hem met mijn lijf bedekt;
 
'k Heb hem met mijn' arm omvademd;
 
'k Heb zijn lucht weêr ingeademd;
 
'k Heb zijn' hemel weêrgezien,
 
God geprezen op mijn kniên,
 
Al de doorgestane smarte
 
Weggebannen uit mijn harte,
 
En het graf van mijn geslacht
 
Dit mijn rif te rug gebracht! -
 
 
 
'k Heb dit, en genadig God!
 
Hier voleinde ik thands mijn lot!
 
Laat, na zoo veeljarig sterven,
 
Mij dat einde thands verwerven!
 
Dit, o God! is al mijn hoop
 
Na zoo wreed een levensloop!

Dit gevoel van bij onzen Dichter zoo zeldzame vreugde in het uitzicht op een gunstiger levenslot,

[p. 188]

vinden wij straks ook nog terug in een vers, uit Leyden (alwaar hij zich onmiddellijk na zijne terugkomst in het Vaderland gevestigd had) aan zijne Egade, die hem eerlang te volgen stond, gericht 1:

 
Lieve Weêrhelft! lieve panden
 
Van den teêrsten gloed op aard!
 
Vreest geen Wolgaas dorre zanden!
 
Aan de vaderlandsche stranden
 
Is ons brood en rust bewaard.
 
Koomt, en stort u in deze armen,
 
Reikend naar u uitgestrekt!
 
Hier, hier eindigt al ons kermen,
 
Waar ons hart en vriendschap trekt.

Bij zijne terugkomst in het sedert 1795 reeds zoo veelzins veranderd Vaderland werd Bilderdijk door oude vrienden en hoogschatters, van wat staatspartij ook vroeger of nog destijds, met opene armen ontvangen. Onder degenen wier hartelijkheid bij die gelegenheid hem aangenaam aandeed, heeft ook behoord Mr. Rutger Jan Schimmelpenninck, op dat oogenblik nog Raadpensionaris. De Dichter drukte zijne gevoeligheid hieraan uit in een vers aan den algemeen geachten Regent, mede een oud Academievriend, gericht, en aldus aanvangende 2:

 
Den Staatsman niet, in 't hoog bewind,
 
Maar d'ouden hart- en lettervrind,
 
Die, voor een leeftijd vol ellende,
 
Met my in 't perk der wijsheid rende:
[p. 189]
 
Den Kweekling van 't geheiligd recht,
 
Aan Godsdienst, Waarheid, Deugd, gehecht;
 
Wiens ziel de kunsten weet te smaken,
 
Waar voor ons beider harten blaken:
 
Den Wijsheidminnaar en Meceen!
 
Dien vloeit mijn zang, en dien alleen.

Eerst toen de hooge waardigheid door Schimmelpenninck bekleed, plaats had gemaakt voor de koninklijke, aan een Broeder des Franschen Keizers intusschen opgedragen, is dit vers den rustenden en reeds toenmaals aan blindheid lijdenden Staatsman ter hand gekomen, met de volgende toevoeging:

 
Dus zong mijn hart; mijn lippen zwegen,
 
De wierook vloog u rondsom tegen;
 
Nu klonk de Dichterlijke Lier
 
Van welkoomgroet in 't Hoog bestier.
 
Wat zou mijn hartetoon zich mengen,
 
Met hun die grootheid offer brengen?
 
Neen, 'k drukte uw hand en smoorde 't leed
 
Het geen me uw ramp gevoelen deed.
 
't Vertrouwd papier alleen bewaarde
 
Den zucht, die 't wellend hart bezwaarde.
 
Ja, mooglijk waar mijn bloot gevoel
 
Belachen onder 't Hofgewoel.
 
 
 
Doch thands, daar 't luid geschal der Hoven
 
De stem van 't hart niet kan verdoven,
 
En 't speeltuig, overal ontsteld,
 
Geen' Schimmelpenninck meer vermeldt,
 
Thands zou mijn borst zich-zelv verkorten
 
Met hier haar taal niet uit te storten,
 
Haar ongeveinsde hartetaal,
 
Die waardig was aan uw onthaal.
[p. 190]
 
Ja, doe zy wijd in aller ooren
 
De ware stem der achting hooren,
 
Die niet naar eigen' maatstaf meet,
 
Noch deugd, noch edelmoed vergeet.
 
Het hart en de inborst blijft vereeren,
 
Geen weldaân naar 't genot waardeeren,
 
Aan grootheid noch vermogen hangt,
 
En van geen Lot de wet ontfangt!

Tot de betrekking bij Koning Lodewijk gaf de eerste aanleiding eene Commissie der Maatschappij van Letterkunde te Leyden, waarvan ook Bilderdijk moest zijn. Door een toeval met den Vorst, zonder hem nog te kennen, in gesprek gekomen, vond deze in den zich even vrijmoedig als hoffelijk uitenden Dichter al dadelijk behagen, waarvan hem eerlang blijken gegeven werden. Eer het jaar ten einde liep was Bilderdijk bij den Koning van Holland geroepen, om hem Hollandsch te leeren, en voorts van raad te dienen in zaken van Vaderlandsche Letterkunde en Wetenschap. Het kon wel naauwlijks anders, of bij een Vorst, hoogschatter van litteraire verdiensten, en zelve op dat gebied geen vreemdeling, bovendien (als bekend is) den vrienden van het Huis van Oranje eer genegen dan vijandig, moest een man als Bilderdijk, zoo oorspronkelijk van karakter en gevoelens als geestvol, zij het dan ook meermalen zonderling en wonderspreukig, in gesprek en omgang, indruk maken en aangenaam zijn. Van zijne zijde behoefde Bilderdijk wel geene zwarigheid te maken om de vorstelijke voorkomenheid met de hem eigene warmte en overgave des harten te beantwoorden. Het Huis van

[p. 191]

Nassau in die dagen was niet bloot meer bij eene omwenteling afgezworen, maar scheen ook zelve door de Europesche Tractaten van het begin der eeuw uitgesloten voortaan van alle hoop op Nederland; en ook in zijn bijzonder was Bilderdijk, vóór zijn vertrek uit Brunswyk, door den ouden Prins uitdrukkelijk van allen eed of verbindtenis ten zijnen aanzien ontslagen geworden. Zoo zag hij dan nu in Lodewijks regeering de eenig mogelijke redding en rustplaats voor het land uit den draaikolk der omwenteling, en zijn vroegste denkbeelden omtrent het wenschlijke eener eenhoofdige regeering, hoezeer dan ook door geheel onverwachte en door hem zelven althands nooit bevorderde omstandigheden, verwezenlijkt. En toch was het er verre van daan, dat Bilderdijk ook in die dagen de gedachtenis van het huis van Oranje, of zelfs de hoop op deszelfs wederkeer en herstelling te eeniger tijd zouden hebben laten varen. Het jaar zelve van 1806 zag Le Francq van Berkheys Lijkgedachtenis van zijne Doorluchtige Hoogheid Prins Willem den Vde door Bilderdijk overgewerkt, met aanteekeningen voorzien, en aan de Princes Douairière van Oranje Nassau, mitsgaders allen den vorstelijken Telgen van dat doorluchtige Huis opgedragen, te Amsterdam in het licht verschijnen. In het Voorbericht worden ook des Uitgevers gevoelens van onderwerping en eerbied voor de nieuwe Regering bij onveranderde verkleefdheid aan de herinneringen van het Huis van Oranje en den overledenen Stadhouder, met klaarheid en waardigheid ontwikkeld. En op nog treffender wijze uitte zich drie jaren later het zeer wel zamengaande gevoel

[p. 192]

van de betrekking tot den persoon van Koning Lodewijk en die tot de Stadhouderlijke Dynastie, in een vers, ten antwoord op eene in gulle gemeenzaamheid tot hem door den Vorst gerichte vraag, den Dichter ontvloeid. Men leest dit belangrijke Vers in de na 's Dichters dood uitgekomene Nalezingen (I, 122):

 
Wat vraagt ge, dierbre Lodewijk,
 
Of 't aan uw deugd verbonden Rijk
 
Den naam van Nassau ooit vergeet,
 
En 't geen het aan dien naam zich-zelv' verschuldigd weet.
 
 
 
Neen, Koning, 't waar geen weldaân waard,
 
Indien het, tot zoo ver ontaard,
 
Uw teedre vaderzorg genoot,
 
Gevoelloos voor de bron, waar al zijn heil uit sproot.
 
 
 
Neen, Koning, 't wijdt Oranjes stam
 
De nooit verdoofbare offervlam
 
Van 't vrij en onverkeerd gemoed,
 
Ook voor die weldaân zelfs die gy ons stroomen doet.
 
 
 
Met tranen die de wellust schreit,
 
Erkent het al uw tederheid;
 
Maar 't smoort die zoete neiging niet,
 
Die de inspraak der natuur in 't kinderhart gebiedt.
 
 
 
Neen, 't was des eersten Willems hand
 
Die 't ongelukkig Vaderland
 
Den rang by 's warelds volken schonk,
 
Die de afgrond, die 't Heelal, zoo hel in de oogen blonk.
 
 
 
Ja, voor dien glorierijken Vorst
 
Blaakt ieder Nederlandsche borst,
 
En dankt aan zijn vergoten bloed
 
Zijn bloei, zijn zelfbestaan, zijn vrijheid van gemoed.
 
 
[p. 193]
 
Ja, Koning, 't is door hem alleen,
 
Dat Holland, vrij van 't jok gestreên,
 
Nog ademt, en zijn Leeuwenvlag
 
Van d' opgang wordt gegroet tot d' ondergaanden dag.
 
 
 
De kunst die 't oorlogslot beveelt,
 
In Maurits heldenbrein geteeld,
 
Heeft door zijn' arm Euroop geleerd
 
Hoe wijsheid op geweld en moordzucht triomfeert.
 
 
 
Zijn broeder won door 't zeegrijk zwaard
 
Den vreê weêr aan de ontheisterde aard,
 
En heeft het Staatsgebouw volend,
 
Dat Willem door zijn bloed gelegd had in 't cement.
 
 
 
Het stond, als Frankrijks oorlogskreet
 
En aarde en zee ontzetten deed,
 
Doch 't waggelde, van schoor beroofd,
 
En stortte een raadloos volk in wanhoop op het hoofd.
 
 
 
Maar derde Willem koomt en redt,
 
Zijn arm, die 't Fransch geweld verplet,
 
Bevrijdt Euroop van juk en band,
 
En geeft het aanzijn weêr aan 't stervend Vaderland.
 
 
 
Nog noem ik u dien Friso niet,
 
Wiens schranderheid in 't Staatsgebied
 
In 't hachlijkst uur ter hulp gesneld,
 
Dat inheemsch juk verbrak dat onverduurbaarst knelt.
 
 
 
Een woeste dolheid, vreemde list,
 
En heerschzucht, met een glans vernist,
 
Mocht (ja!) zijn aangebeden zoon
 
Verjagen van zijn erf, der menschlijkheid ten hoon.
 
 
 
Helaas! den zachtsten, braafsten Vorst,
 
Die immer staatsgezag getorscht,
 
Of eergestoelte heeft gedrukt!
 
En Neêrland zag zich zelf het ingewand ontrukt.
 
 
[p. 194]
 
Ach, Koning, eer ik dit vergeet,
 
Verdroog mijn hartaâr onder 't leed,
 
En vloei', voor zilten tranenvloed,
 
(Gij droogde 't mij) mijn oog van nimmer stelpend bloed.
 
 
 
Gij zelf, die Nassaus huis vereert,
 
Zijn vrienden om uw troon begeert,
 
En 't lot dat u den scepter bood
 
Rechtvaardigt door een hart, voor vleijerij te groot:
 
 
 
Gij stemt, het geen mijn vrije mond
 
U met de oprechtste ziel verkondt,
 
En wettigt in de dankbre borst
 
De hulde, die ze u toont voor d' onvergeetbren Vorst.
 
 
 
Maar voedt het Vaderland geen kroost
 
Dat om der oudren gruwel bloost,
 
Of, als de trage strafroê treft,
 
Met harten vol berouw, het oog ten hemel heft?
 
 
 
Gewis, het doet het, de oude gloed
 
Herleeft weldra in 't Hollandsch bloed,
 
En licht.... Maar lok geen woorden uit,
 
Die liefde en dank voor u in 't smeltend harte sluit'.
 
 
 
Ik weet, uw hart is ons verpand,
 
De weldaân vloeien van uw hand,
 
En mooglijk leeft in heel uw Rijk
 
In zucht voor Hollands heil geen stervling u gelijk.
 
 
 
Maar, zij de oprechte Batavier
 
Gelukkig onder uw bestier,
 
Zijn hart erkent geen Vaderland
 
Dan waar de onttoomde Leeuw de Oranjestandaarts plant.
 
 
 
En de Almacht voer' haar raadsbesluit
 
Langs ondoordringbre wegen uit:
 
't Gaat vast, zij heeft het uur bepaald
 
Dat lang verdrukte deugd op 't onrecht zegenpraalt.
 
 
[p. 195]
 
De throonen schudden als het riet:
 
Maar weldaân - ? Zij verwelken niet,
 
En nooit begraaft haar 't stortend puin
 
Al viel het throongewelf een' Titus op de kruin.
 
 
 
Dan Koning, werdt uw deugd beloond,
 
Als 't u verheffend hart zich toont,
 
En voor het heil ons toegebracht
 
Geeft eens Oranje u dank met heel ons nageslacht.

Men meene intusschen niet, dat met deze vestiging in het Vaderland, met deze rust en gunst onder den koninklijken scepter, de smarten van Bilderdijks leven ten eenenmale als geschorst zijn geweest, of de treurtoonen van zijn hart en dichtlier gestaakt konden worden. Bij eene altijd meer of min lijdende gezondheid, bij hetgeen voor gestellen, als het zijne was, ieder dag op nieuw oplevert van moeite en verdriet in het leven en in de maatschappij, voegde zich in dezen tijd vooral het grievende verlies van teder beminde jonge kinderen. De Dichtbondels van dit tijdvak zijn als vervuld van Treur- en Lijkzangen op dierbaar afgestorven kroost. Aandoenlijk, onder anderen, zingt hij daarvan in de Voorrede der Najaarsbladen:

 
Indien ik soms, met natbedaauwde wangen,
 
De troost des weemoeds zocht in al te stroeve zangen,
 
Gevoelig van het hart dat ze opwelt; nacht en dag
 
Vermoeide ('k stem het toe) met lastig weegeklag;
 
En door mijn ruwen galm den Dichternaam verbeurde,
 
Dien de al te vroege gunst mijn Jonkheid waardig keurde,
 
Verwerpt my uit den rang van uwe zangers niet,
 
Bataven! 'k Verg u thands geen ooren voor mijn lied:
 
Maar gunt mijn ziel dat zoet, om voor zich-zelv te zingen,
 
Haar wee te zalven, daar zy 't uitgiet, en 't bedwingen
[p. 196]
 
Onmooglijk is! Zoo zingt met onvermoeide keel
 
Uit volgekropte borst de tedre Filomeel
 
En steent, haar leven door, in 't eeuwiggroeiend jammer,
 
Haar Itys, Itys, uit. - Met tonen, eindloos strammer,
 
En gorgel, door de smart van kracht beroofd en klank,
 
Spilt mijn beklemde borst haar laatsten levenssprank,
 
Om, Itys, Itys, niet, van 't noodlot weêr te vragen,
 
Maar zes paar telgjens (God!) in 't krieken van haar dagen
 
My moordend afgerukt van 't bloedend ingewand;
 
En, met haar, 't zelfgevoel, de reden, en 't verstand!
 
Wees vader, wie dit hoort, en dan, verbied my 't schreien,
 
Eer niet!

En was het wonder, dat, waar zulke klachten door gevoellooze Recensenten met den naam van Jeremiaden begroet werden, wel eens een scherper toon den Dichter ontperst werd, als b. v. die, waarmede hij, in dien zelfden Bundel (II, 126), zulke meer dan onheusche aanvallen beantwoordde?

 
Nu schrei niet meer, bedrukte Filomeel!
 
Ontzie, het Lot uw' Itys weêr te vragen!
 
Bedwing het hart, als 't opwelt om te klagen,
 
En wring het toe, verworg het in de keel!
 
Verstom in rouw op esp en woudabeel:
 
Uw treurig lied mocht Momus oor mishagen;
 
Hij geeft de wet in loof en zangprieel.

Doch bij huisselijke droefheid had onze Dichter, nog geen jaar na zijne terugkomst in het Vaderland, ook een ontzettingsvollen openbaren ramp te beklagen. Hij bewoonde nog het geliefde Leyden, toen die stad in het begin des jaars 1807 door het springen van een kruidschip zoo noodlottig geteisterd werd. De aandoenlijke Elegie, waarin hij dien heel het Vaderland

[p. 197]

treffenden ramp betreurde, werd in het volgende jaar, te zamen met een Historisch Tafereel van den Hoogleeraar Siegenbeek, in het licht gezonden 1. Met eene niet min schoone Ode werd het Dichtstuk opgedragen aan den door Bilderdijk ten allen tijde hooggeschatten Geleerde en Latijnsch Dichter, Jeronimo de Bosch, destijds ook Curator van de Koninklijke Leydsche Universiteit. Hoe juist intusschen ook hier het diep geroerde hart den toon van het onderwerp wist te treffen, moge uit eene korte aanhaling blijken; het is de aanhef van het beschrijvende gedeelte van het Dichtstuk:

 
Wat vloeide in kalme rust, en stille zaligheden,
 
Het kalme leven voort in uw beroemde Vest!
 
Zoo effen als de stroom, uw wallen doorgegleden;
 
Zoo helder als het nat, zijn glazen kruik ontprest!
 
Waar vond ik, zwervens moê, en walgend van mijn dagen,
 
Een plekjen gronds op de aard, aan uwen grond gelijk?
 
Uw grond, der Wijsheid roem, der Muzen welbehagen,
 
En, door geen goud, maar vlijt, maar wetenschappen, rijk.
 
Ach! nooit vergeet mijn hart de wellust die 't gevoelde,
 
Dien morgen toen mijn voet dit Eden weêr betrad.
 
Ja, 'k dacht me in 't vreedzaam Oord; waarin geene onrust woelde,
 
Waar de afgescheiden ziel de stormende aard vergat.
 
Vol balsem waaide uw lucht mijn' adem lieflijk tegen,
 
En streelend was heur teug aan 't afgepijnde hart:
 
De kwellingen der ziel en alle zorgen zwegen,
 
En de angel scheen verstompt der lang gedulde smart.
 
Mijn Gâ, mijn dierbre Gâ, met zacht besproeide kaken,
 
Zonk juichende aan mijn borst, en zag den hemel aan:
[p. 198]
 
‘Hier (riep zij) laat ons 't lot het leven eindlijk smaken;
 
Hier mogen we ons voor 't eerst verheugen in 't bestaan.’
 
Helaas! één donderslag moest al dit heil verdelgen. enz.

Doch de deelneming van onzen Dichter in het lot der hartelijk geliefde stad bepaalde zich bij geen Treurzangen. Onder de liefdeoffers, bij die gelegenheid tot verzachting van het lot der ongelukkigen van alle kanten aangebracht, behoorde ook eene gift uit het hart van Bilderdijk, dat hart allezins waardig, en den man geheel kenmerkend. De Minister van Binnenlandsche Zaken ontving reeds den 17den Januarij 1807 (vijf dagen na het onheil) een Adres in het Fransch van dezen inhoud: ‘De ramp der stad Leyden treft mij boven alle uitdrukking. Naauwlijks tot de Vaderlandsche haardstede terug gekeerd, onder het leed vermast, en hebbende schier niets meer dat ik het mijne mag noemen, kan ik evenwel geen bloot toeschouwer blijven der edele pogingen van al wat in ons land voor medelijden vatbaar is. Vergun des, dat ik in plaats van goud en zilver een Dichtstuk in Zes Zangen in uwe handen stelle, zeer onlangs door mij afgewerkt, en aan de Hoogeschool van Leyden opgedragen. De opbrengst bied ik aan ten behoeve der ongelukkige stad. Bilderdijk.’ 1. Het was dat meesterlijke Leerdicht: de Ziekte der Geleerden,

[p. 199]

hetwelk bij eene inteekening, waaraan de Koning en al wat voornaam was destijds in den lande, deel nam, nog dat zelfde jaar in het licht kwam, en eene zuivere som opbracht van ƒ 1400. 1

Het Dichtstuk zelve was een sprekend en schitterend bewijs van die overtuiging des Dichters, welke hij én elders meermalen in zijne schriften en in eene Voorafspraak bij de voorlezing van een der Zangen van het Dichtstuk zoo treffend uitdrukte:

 
Mijn vrienden, neen. Rechtaarde poëzij
 
Weet dichtergeest aan schraler stof te huwen.
 
Geen veld is dor, waar Dichtkunst zich vertreedt,
 
Het bloemtjen wast, waar slechts haar vlieten drukken!
 
En, zoo de hand den echten toongreep weet,
 
Ook wat verscheurt, kan streelen en verrukken.

De Opdracht van het Leerdicht aan 's Lands Hoogeschool te Leyden is een het prachtige Dichtstuk zelve hoogst waardig Voorwerk. Zij is, even als de zoo even aangehaalde Voorafspraak, in die aangename tien- en elfsylbige maat gesteld, waarvan de toon het midden houdt tusschen den sierlijk gemeenzamen en den stout wegsleependen dichtstijl. De aanhef luidt dus:

 
't Verstandloos vee, dat zonder leven leeft,
 
Vergeet', veracht', de speen waar 't aan gezogen,
 
Waar 't levenssap uit ingeademd heeft;
 
Mijn hart herdenkt zijn eerste nektartoogen.
 
Het voelt, het smaakt die Moederlijke borst,
 
(Dien boezem, waard den mond der Zanggodessen)
 
Waaraan mijn jeugd haar heete letterdorst
 
Zoo onbepaald, zoo onverdeeld mocht lesschen!
[p. 200]
 
o Voedsteres, wie ik mijn aanzijn dank',
 
(Geen aardsche vonk van laag en dierlijk leven,
 
Maar Godenlicht en echten levensprank,
 
En wat met ons onvatbaar is te sneven!)
 
Gij, Leydsch Atheen, dat op uw' eedlen schoot
 
Europaas roem gewiegd hebt en gekoesterd,
 
Dat Koningen de melk der wijsheid boodt,
 
Gij hebt ook my met tederheid gevoedsterd. enz.

Doch niets van dat alles haalt bij de even stoute en gelukkige, als doorwrochte en van veelsoortige kennis en wetenschap doortrokkene behandeling van het onderwerp zelve in die Zes Zangen, waarin zoo wel lichaamssmert, ziekte, lijden, in hunne verschillende oorzaken en verschijnselen in het algemeen, als in het bijzonder de ziekte uit overmaat van studie en inspanning geboren, - de gezondheid in haar wezen, krenking, en herstelling, - genezing en geneeskunst in hare opmerkelijke werkingen en gewichtige plichten, beurteling behandeld worden in eene poezij, die in sierlijkheid en heerlijkheid voor geen eenigen dichterarbeid van dat hoog begaafde genie behoeft te wijken, en die zich aldaar uit de schatten, welke Ontleedkunde, Physiologie, Ziektekunde, Pharmacie, den geneesheer aanbieden, even zoo vele schitterende sieraden en lichtgewaden heeft weten te vormen met, indien immer navolgbare, zeker aan geen voorganger in het vak ontleende macht van kunst. Onder de menigte van schoone brokken, die dit overschoon Dichtwerk oplevert, herinneren wij hier slechts aan een enkel; als daar is de voorstelling, in den Eersten Zang, van het heilzaam oogmerk der Pyn:

[p. 201]
 
Neen, de Almacht wilde u 't lijf, het kostbre lijf bewaren.
 
Zy wrocht geen' doven klomp van vezels, vliezen, aâren;
 
Zy stortte een fijn gevoel aan 't dierlijk werktuig in,
 
Dat, trouwe wachter by een zorgeloos gezin,
 
D' allarmkreet opheft als vijandlijk leed koomt naderen.
 
De vijand naakt, men slaapt; geheime huisverraderen
 
Verbergen 't onheil, of verdeelen de aandacht: rust,
 
Begoochling van 't vermaak, genot van zinnelust.
 
Zie daar de deur geramd; den voormuur doorgebroken;
 
De vlam op 't onvoorzienst in 't voorportaal ontstoken!
 
Daar bruist ze, en vliegt om hoog en dringt in 't slaapsalet!
 
Help, hemel, 't is gedaan, geen voorzorg meer die redt.
 
De binten vallen met de doorgeblaakte wanden,
 
En plettren 't droef gezin in 't wringen van de handen,
 
Verdelgen 't prachtig slot met torentrans en kruin,
 
En keeren 't tot een' hoop van gloeiende asch en puin!
 
Maar neen! de burgwacht blaast, de brandklok slaat aan 't kleppen:
 
Zie burgzaat en soldaat om 't zeerst de handen reppen;
 
Den vijand voor de poort op 't eerst rumoer geschut;
 
En 's wachters werkzaamheid maakt list en kracht onnut.
 
Zie daar, de pijn! de pijn, zoo heilzaam, zoo behoudend!
 
Wier zintuig nooit verstompt, hoe teder, hoe veroudend!
 
Die elke tokkeling en spanning boven maat,
 
Met elken prikkel van de vezels, gadeslaat.
 
Geen werktuig, of zy waakt in 't buigen, rekken, knellen,
 
Voor de ongeregeldheên die elks bedrijf verzellen, enz.

Of wel in den zelfden Zang, de beschrijving der Koorts:

 
Van daar de koortsen, zoo weldadig! zoo geducht!
 
Daar 't bloed, een heir gelijk, dat in een sterkte vlucht,
 
Zich samentrekt naar 't hart als in zijn binnenwallen,
 
Om met vernieuwd geweld naar buiten uit te vallen.
 
Dan schokt het lichaam; 't trilt; de doodskou grijpt het aan;
 
De boezem ademt zwaar; de slagaâr schroomt te slaan;
[p. 202]
 
Des levens slinger schijnt in 't slingren in te korten,
 
En trilt onrustig, en met afgebroken horten;
 
En 't schijnt als of de dood gelaat en mond ontverft;
 
Een oogwenk, en 't is uit, de bleeke lijder sterft!
 
Doch 't opgepakte bloed, door krimping saamgedrongen,
 
Ontlast zich weêr op nieuw, als aan zijn' band ontsprongen,
 
En streeft met vollen stroom naar zenuwnet en huid,
 
En drijft in 't heilzaam zweet het giftig letsel uit.
 
Zoo waar is 't geen gy leert, ô roem der Grieksche wijzen,
 
Wiens luister, thands bezwalkt, eens heerlijk zal herrijzen,
 
Als de ijdlenieuwigheid voor 't licht der waarheid vlucht:
 
‘De ziekte is heelingskracht, en geen verdervingzucht!’

Of, in den Vijfden Zang, het voorschrift van ontspanning; eerst door het bij de hand nemen van eenig muzijkinstrument:

 
Natuur spreekt in u door vermoeinis. Haar vermanen
 
Is Godspraak. Leert u des van hersenoefning spanen!
 
Verbergt uw boeken; legt uw dichtveêr uit de hand!
 
Maar neemt bestoven veêl en strijkstok van den wand;
 
Geev zangerig klavier, geev Spaansche mandoline
 
Uw' vingren bezigheid, of dartle tamboerine!
 
Doch wacht u, dat de fluit uw weeke borst niet terg',
 
Of 't toovrend zanggenot geen doodlijk gift verberg'!

Straks, door huisselijk genoegen en lichaamsoefening:

 
Vermaak u in den kring der dierbre huwlijkswichtjens
 
Die 't gunstig lot u schonk, en kus van de aangezichtjens
 
Den lieven teedren lach der eerste onnoozelheid,
 
Of droog het traantjen af, wanneer hun onschuld schreit.
 
't Geluste u, op uw kniên hun zoet gesnap te ontleden;
 
De ontwikkling na te gaan der pas ontwaakte reden;
 
Hen voor te spelen, en te volgen in hun spel;
 
Belang te nemen in hun tol en rinkelbel;
[p. 203]
 
Ja, met en nevens hen op stok of bies te rijden;
 
Hun jacht of boerendans uit wit papier te snijden;
 
Een licht, bouwvallig huis te timmren met de kaart!
 
Dit is den Wijsgeer-zelv', vooral den Vader waard!
 
Geniet, indien Gij 't moogt, het zachte landgenoegen.
 
Sla 't rookend ploegpaard gâ, ontspannen van zijn zwoegen;
 
De zuivelrijke koe, by 't koelen van de lucht,
 
Wanneer zy de emmers zoekt en naar ontlasting zucht.
 
Maar mijd den middaggloed! leer kleine feestvermaken
 
Der schuldelooze jeugd op 't bloemrijk veldgras smaken.
 
Bezoek de Boerenmeid, wanneer zy 't lijnzaad treedt,
 
Of in de heldre kuip den frisschen boter kneedt.
 
Zoek eigen handgebaar, en leer den wijngaard snoeien,
 
De druiven dunnen, of den perzik, vroeg aan 't bloeien
 
Met riethalm dekken voor de late voorjaarsvorst:
 
Begiet het bloemperk, of de trekkas daar zy dorst;
 
En zuiver 't blad van rups, den stam van wesp en mieren.
 
Of schep verlustiging in kunstwerk dat de spieren
 
Niet ledig laat. Aanvaard den ijzren hamersteel
 
En draai de handpers van den binder. Neem penceel,
 
Boetseerstok, bijtel, om in hout, of klei, of stralen
 
Van 't afgezonderd licht, gelaat of bloem te malen:
 
Drijf palm- of ebbenhout tot doos of koker uit,
 
En vorm den lindentak tot scherpe of doedelfluit.
 
Ja, kunt gij 't, schaam u niet, gedoscht met leêren sloven,
 
Den plank te schaven, of het knobblig hout te kloven.
 
Voor alles, wandel; of bestijg het dravend ros:
 
Zijn schudding maakt den last der ingewanden los,
 
En drijft de bloedrivier, waar ze in verstopte buizen
 
Tot staan kwam, doet het vocht door milt en darmscheil bruizen;
 
Besproeit den dorren huid als met een zachte waas,
 
En zet de scheiding af door nier en waterblaas.

De laatste regelen van het Dichtstuk voeren op de volgende wijze nog een oogenblik de aandacht terug op den Zanger, en het steeds zoo zwaar beproefd gevoel van zijn vaderlijk hart:

[p. 204]
 
Dus speelde, zelf ten prooi aan 't onheil dat hy schetste,
 
Op d' oever van den Rhijn, in 't Vaderlijk geweste,
 
De balling, wien 't geweld uit have en erf verstiet,
 
En niets dan 't eerlijk hart by 't kwijnend lichaam liet,
 
Dus, bukkende onder 't lot, vertroostte hy zijn lijden,
 
Met in 't Arcadisch riet een' dunnen halm te snijden,
 
Waar aan 't gepreste hart zijn' laatsten adem gaf,
 
En zuchtend nederzeeg op zijner kindren graf.
 
Geniet, o Vaderland, geniet zijn kranke tonen!
 
U zijn ze als 't hart gewijd, waarin uw deugden wonen;
 
En, schept de ontstelde geest ooit lichtnis in zijn troost,
 
Gedenk, o Nageslacht, uw' Dichter in zijn kroost!

Doch men moet zich bedwingen (waar anders te eindigen?) bij aanhalingen uit een Dichtstuk, waarin men vruchteloos wellicht naar zwakke plaatsen zoude zoeken, en dat het meesterstuk van Bilderdijk misschien zoude zijn, zoo het Fragment van zijn Heldendicht niet bestond; vooral ook, indien men niet (door eene schier onverklaarbare vreemdheid in zijne poëzy) hier de aanwending al te zeer miste van dat Goddelijk Evangelie, hetwelk wel bijzonder op het gebied van krankte, lijden, genezing, zulke rijke stroomen van troost en balsem aanbiedt? En zeker (gelijk het een hartelijk Vriend en hoogschatter van den gezaligden Dichter heeft aangemerkt) 1, had uit die bron, bij Bilderdijk zoo hoog vereerd en bij ondervinding gekend, een andere voorstelling dan die van Pelias moord door zijne dochters (uit de Grieksche fabelleer!) troostrijker en waardiger het Gedicht besloten.

[p. 205]

De gunst intusschen door Lodewijk den Dichter, dien hij wel eens de glorie van zijn rijk genoemd heeft, toegedragen verflaauwde niet, maar openbaarde zich in allerlei koninklijke aanmoediging, zoo door toespraak en brieven als door even kiesche en onbekrompene mildheid in het verhoogen van pensioen en toelagen, met telkens uitgedrukt verlangen, dat Bilderdijk, ruim en onbekommerd, alleen voor zijne verhevene kunst en voor de wetenschap zoude kunnen leven. Zijn arbeid in die dagen van betrekkelijke verademing en rust was dan ook verbazend. Een aanzienlijk gedeelte daarvan gaf zijne vrucht in de onderscheidene schriften, in de jaren 1807 tot 1810 uitgegeven, en gedagteekend van 's Dichters telkens afgewisselde woonplaatsen in die dagen: eerst Leyden, na den ramp dier stad den Haag, straks Katwyk, eindelijk Amsterdam, toen namelijk deze hoofdstad in het jaar 1808 tevens de Residentie geworden was, en te gelijk ook de zetel van het Koninklijk Nederlandsch Instituut, van welks Klasse voor nationale Taal en Geschiedenis Bilderdijk, als te verwachten was, een der eerst benoemde Leden werd. Ook in deze betrekking verloochende zich zijne onvermoeide vlijt en werkzaamheid niet. Ontwerpen van wijden omvang, Verslagen in onderscheidene Commissiën over belangrijke onderwerpen van Taal-, Geschied- en Oudheidkennis, talrijke wijsgeerige Voorlezingen over Dicht- en Letterkunde (de laatste voor een aanmerkelijk deel opgenomen in de Taal- en Dichtkundige Verscheidenheden, in latere jaren uitgegeven), voorts keurige met eigene hand gemaakte afschriften van

[p. 206]

belangrijke oude Handschriften, op de Boekerij van het Instituut berustende, enz. behooren onder de vruchten van Bilderdijks lidmaatschap in dat geleerde Lichaam tot op het tijdstip van zijn terugkeer (a0. 1817), onder geheel andere tijdsomstandigheden, van Amsterdam naar Leyden.

Hetgeen de drukpers van deze onderscheidene werkzaamheden van Bilderdijk aan het licht bracht in de jaren 1808 en 1809 was op nieuw even treffelijk als rijk. Behalve de uitgave en gedeeltelijke bewerking van een Fransch werk over Plantkunde 1, verscheen op de wijze van het reeds vermelde Vers op Leydens ramp, en in dat zelfde jaar van 1808, ook nog de Lykzang op Rau, tegelijk met de Lofrede van den Wel Eerw. Teissèdre l'Ange: - straks de Mensch, dat is, Pope's Essay on Man eerder omgewerkt dan vertaald, en met aanteekeningen uitgegeven, vol van hier en daar scherpe maar meestal verdiende gisping des Engelschen Dichters, en van allerlei gewichtige wenken en leeringen, zoo over Wijsbegeerte en Menschkunde als over de taal en de kunst der Poëzij. In dat zelfde jaar voorts nog bracht onze Dichter zijne vroegere overzettingen der Lofzangen van Kallimachus tot volledigheid, en gaf die uit met eene Opdracht aan Mr. Johan Valckenaar, den in de geschiedenis van ons land sints 1787 in meer dan eene betrekking veel vermelden zoon van den beroemden Griekschen Criticus en Hoogleeraar Lodewijk Kasper. Ofschoon

[p. 207]

van geheel tegenovergestelde gevoelens ten aanzien van Godsdienst en Staatkunde, had Bilderdijk als Dichter en Geleerde naauwlijks ergens of immer een warmer vereerder, of als mensch, een oplettender en tederder vriend. Deze vriendschap voor den grooten Dichter ging ook in aanmerkelijke mate over op den heer Luzac (het bekende Lid der Staten-Generaal), die naar zijnen straks genoemden grootvader van moederszijde de voornamen van Lodewijk Kasper draagt, en achter wiens Academisch Specimen (a0. 1810) ook nog een vers van Bilderdijk gevonden wordt. De Opdracht van den Callimachus laten wij hier volgen als proeve wederom van zijnen in nieuwe vormen van poëzij en versbouw altijd onuitputtelijken dichtader:

 
't Gegier der wervelwinden
 
Die eik en ceder knakken,
 
Rukt broederlijke takken,
 
Rukt teêre hartenvrinden
 
In 't stormgewoel van een.
 
Wy moesten 't ondervinden,
 
Wy, eens zoo eensgezinden!
 
Wy, eens zoo lotgemeen!
 
 
 
Elkaâr van 't hart gereten,
 
In 't barnen van de vloeden;
 
In Landverdelgend woeden;
 
En wijd van één gesmeten
 
Op 's warelds Oceaan;
 
Wat wierd de Vriendschapsketen
 
By Staats- en Oorlogsveten? -
 
Gewis! zy moest vergaan.
 
 
[p. 208]
 
Zou zy in woeste vlagen,
 
Die de allerhechtste banden,
 
De aandoenlijkste aller panden,
 
By broeders, echtknoop, magen,
 
Verwaaien deên als kaf;
 
Zou zy die felle slagen,
 
Die wreede schokken, dragen,
 
En breken nimmer af? -
 
 
 
Zoo spreke de onbekende
 
Met innig hartgevoelen!
 
Wiens vriendschap (zelfbedoelen!)
 
Zich naar den weerhaan wende
 
Van 't onbestendig Lot!
 
Zoo 's aardrijks stofklompbende,
 
Laaghartig in ellende,
 
En dartel in genot!
 
 
 
Neen, krimpen, kruipen, beven
 
Verachtbre, lage wormen! -
 
Door 's Noodlots dolle stormen
 
Langs golf en zand gedreven,
 
Maar ziel noch hart verwrikt;
 
Was 't beurtlings ons gegeven,
 
Als balling om te zweven,
 
Maar kalm en onverschrikt.
 
 
 
Vereerd door 't Kunstbeminnen,
 
Door de echte Dichtrenader;
 
Door d' eerbied voor een Vader,
 
Den Vriend der Zanggodinnen,
 
En Leidsman naar heur Choor,
 
Kon niets den gloed verwinnen,
 
Die onzer beider zinnen
 
Gelijkelijk doorgloor.
 
 
[p. 209]
 
Ik strooi u hier geen bloemen,
 
Ik stort u hier geen zangen,
 
Voor weldaân ruim ontfangen,
 
Die 't nageslacht zal roemen,
 
Indien het me ooit herdenkt:
 
Maar my uw' vriend te noemen,
 
Dit kan geen kieschheid doemen,
 
Wie dankbetooning krenkt.
 
 
 
Wat dan, wat ooit kan breken,
 
ô Houden dezen banden,
 
Die, wat hen aan mocht randen,
 
Voor tijd noch lot bezweken,
 
Ons eeuwig vastgeboeid!
 
En laat dit Vriendschapsteeken
 
Van 't heilig Dichtvuur spreken,
 
Dat harten samengloeit.

Van een Bundel Najaarsbladen verscheen in 1803 een Eerste, in 1809 een Tweede Deel. Behalve de reeds vermelde Overzettingen van twee Boeken der Odysséa prijkt deze Verzameling, onder menige andere proeve in meer dan ééne dichtsoort, met den krachtvollen, van liefde en jaloezij somber blakenden Brief van Gerard, aan Machteld van Velzen, - met twee schoone Overbrengingen uit Salomons Spreuken, de eene Ontucht, de ander Verleiding getiteld, - met onderscheidene navolgingen van Horatius en van Barléus met het warme Holland boven al, waarin hij, half luimig half ernstig, van zijn recht om in het vak van Dichtkunst mede te spreken dus rekenschap geeft:

 
'k Heb voorheen by de Oosterlingen
 
Meê een weinig leeren zingen,
[p. 210]
 
Latium en Griekenland
 
Nagebootst op eigen' trant:
 
'k Heb de wareld omgevaren,
 
Om den klank der echte snaren:
 
'k Nam een' halven leeftijd les
 
In de school van Perikles:
 
'k Heb Augustus eeuw doorkropen;
 
Die van Medicis doorloopen;
 
En werd burger in het Rijk
 
Van den Grooten Lodewijk:
 
'k Groette Betisstroom en Iber;
 
Dompelde in den Po en Tyber;
 
Liet de bron niet ongerept,
 
Daar de Thijne vocht uit schept;
 
'k Zwierf langs Theems- en Isisboorden;
 
Ja, doordrong den nacht van 't Noorden;
 
Vroeg by Rus, en Fin, en Zweed,
 
Wat de ware Dichtkunst heet.
 
Maar, na al dat ommedwalen
 
Keer ik tot de Nachtegalen
 
Van het Vaderlandsche bosch,
 
Op den naam van Holland trotsch.

Uit diezelfde Verzameling verdient ook nog de Brief van (den Cycloop) Polyfeem aan Niemand,(dennaam die zich Ulysses, in de Odysséa, op het eiland der Cyclopen ter verschalking van het éénoogig monster gaf,) als eene proeve van luimig-groteske poëzy vermeld te worden. Eenige regelen slechts om een denkbeeld van deze dichterlijke aardigheid te geven: de Cycloop beklaagt zich bij zijn vader Neptunus over de stoutheid der kleine stervelingen, die zijne golven durven bevaren:

 
Hoe! zal dit klein geslacht, zoo kort, zoo zwak van leden,
 
Dat geen' volwassen eik, in 't woud, om verr' kan treden,
[p. 211]
 
Geen' stroom doorwaden, ja, geen zwaren olm omslaan
 
Met de armen, op uw vloed, op ons uit moorden gaan?
 
Die, heerschen in uw rijk, en, trotsche waterbaanders,
 
Uw golven geesselen met dennenhouten spaanders,
 
Of snijden met de spits van d' uitgeholden boeg,
 
Dien ik met de eene vuist in duizend splinters sloeg,
 
Of tusschen de armen neep en, als een walnoot, kraakte,
 
Zoo eens mijn grimmigheid in volle woede raakte?
 
Dat duldt gy? zulk gebroed breidt doeken voor de lucht,
 
En 't windtje vat er in, en blaast, en geeft ze vlucht,
 
En voert hen wijd en zijd, en maakt hen heer van de aarde,
 
Als of ze een hooger macht dan die der Goôn bewaarde;
 
En de oude Zeevoogd dut en houdt de handen stil!
 
Ach! 't ziet er vreeslijk uit, zoo dit het noodlot wil!
 
Dan zullen ze op het laatst nog Polyfeemen eten
 
Of Goden. Moedwil gaat steeds verder in 't vermeten.
 
Waak op, gij Grijzaart! waak! sla, donder, bliksem toe;
 
Eer ik uw bliksem grijpe, en 't zelf nog feller doe!
 
Laat van dat stofgebroed geen' enklen langer leven
 
Dan - om van tijd tot tijd uw' zoon een feest te geven!

Een Gedicht, aan den heer Jeronimo de Vries gericht, over het Tooneel, in den trant van Horatius Brieven, behoort mede tot de oorspronkelijke poëzij van dezen allezins merkwaardigen Bundel; ook om het slot, waarbij, als meermalen in 's Dichters hem zelven nooit bevredigende dichterloopbaan, de luit wordt nedergelegd, doch vóór de uitgave nog het volgende tweeregelige toevoegsel werd aangehecht:

 
Dus Alfius de tweede 1, en gaf zyn lier de schop,
 
Bedacht zich, greep de pen, en stelde een Treurspel op.
[p. 212]

Dat Treurspel was de Floris de Vijfde, een Tooneeldichtstuk minder schitterend van poëzy, dan wel belangrijk door de levendigheid van den dialoog, en de treffende schildering der karakters: het bitter ijverzuchtige van Gerard van Velzen, het hatelijk hoogmoedige van Herman van Woerden, het weifelende van Gysbrecht van Amstel, het ridderlijk koene van Kuik, het aandoenlijk trouwe van den Edelknaap, het boven alles edele, groothartige, en hartinnemende van den ongelukkigen Floris. Het Treurspel in drie maal vierentwintig uren ontworpen en opgesteld, om in 's Konings tegenwoordigheid op den Amsterdamschen Schouwburg vertoond te worden, kon evenwel door de Tooneelisten niet tijdig genoeg voor het oogmerk van buiten geleerd worden. Zoo verscheen het dan eerlang (altijd nog a0. 1808) in druk, met eene Fransche Opdracht aan Koning Lodewijk, merkwaardig onder anderen door de krachtige verklaring der staatkundige zedeleer van het stuk en zijn hoog belangrijk onderwerp. ‘Het onderwerp (dus luidt het daar) is echt nationaal. Het is de ondergang van het oude Huis der Graven van Holland; het is de eer van onzen naam, geschandvlekt door een laaghartig bestaan; het is de nijd en de hoogmoed der Grooten zamengezworen tegen eenen beminnelijken en deugdenvollen Vorst, de liefde zijns volks; het is de worsteling dier kleine dwingelanden der middeneeuwen, verdrukkers uit beginsel zoowel als uit belang, tegen de grootmoedigheid, zachtheid, en weldadigheid van een zielsbeminden Vorst. - Leere, door zulke voorbeelden onderwezen, de Hollander het voorrecht

[p. 213]

waardeeren eener vreedzame regeering, - en doordringe hij zich wel van die gewichtige waarheid, dat, na de buitensporigheden van den volkswillekeur, niets afschuwelijker is dan de oppermacht der Grooten, en dat geen blijvend en verzekerd geluk denkbaar is dan onder een koninklijken staf.’ 1

Schoon het Treurspel evenmin Bilderdijks geliefkoosd vak immer was, als het veld waarin zich de rijkdom zijner dichtgaaf naar eisch en behoefte recht kon ontwikkelen, zoo kon het evenwel naauwlijks anders, of deze eerste proeve had voor nog meerdere eene baan geopend. Van daar dan ook de Drie deelen Treurspelen, die weldra (a0. 1808 en 1809) op de uitgave van den Floris volgden, en waarin nevens des Dichters Willem I van Holland, de Elfride zijner gade, - nevens zijne overbrenging van CorneillesCinna, de hare van Racines Iphigénie verscheen. Tot diezelfde verzameling behoorde ook nog de Kormak (de geschiedenis van Ulyssus tehuiskomst bij Homerus, overgebracht door een dichterlijken inval, op oud-Schotsch grondgebied), en eene merkwaardige Verhandeling met doorwrochte Aanteekeningen over het Treurspel. In den Willem van Holland

[p. 214]

toonde zich wederom als in den Floris de standvastige aanklever der éénhoofdige mannelijke regeering, als de eenig wenschelijke en behoudende voor Holland van ouds. Maar ook de groote Lierdichter kon niet verborgen blijven op een gebied, in zijne roemrijkste tijden bij de Ouden zoo naauw met de Ode verwant. De triumfzang, ter eere van den nieuwen Graaf aan het slot, behoort onder de schoonste strophen, die wellicht immer aan onzen Dichter ontvloeiden:

 
Hef, Holland, hef het moedig hoofd,
 
Van nieuwen glans omschenen,
 
(Een glans die allen luister dooft!)
 
Door damp en nevels henen!
 
Verhef het tot een hooger trans,
 
En laat van de opgestoken lans
 
d' Ontzachtbren Liebaart waaien,
 
Daar de Arend, in zijn steilste vlucht,
 
Hem welkom heet in 't blaauw der lucht
 
Bij 't schittrend bliksemzwaaien!
 
 
 
Blink, Hollands schildleeuw! vonkel! straal!
 
En schud de gouden manen!
 
Zwicht' Roomsche en Grieksche wapenpraal
 
Voor uw ontrolde vanen!
 
Dat Eems, en Rhijn, en Maas, en Vlie,
 
Den Overwinnaar hulde biê,
 
Bedekt met Lotosblaâren;
 
Met palmen van het Morgenland,
 
Met lauwren van 't Hesperisch strand,
 
En 't bloed der Nijlbarbaren!
 
 
 
Zwell' Hollands oorlogszuchtig bloed
 
In 't bruischend hart der Helden,
 
Betemmers van den pekelvloed
 
En scheppers van hun velden!
[p. 215]
 
Hier smooren wrevel, oproer, twist,
 
En de oude veete werd geslist;
 
Gedempt de bron der smarten!
 
De staf, door Diedrijks hand getorscht,
 
Behoort den aangebeden Vorst!
 
Hem, aller braven harten!

Deze zelfde strophen werden hem in die dagen het thema tevens van onderscheidene feestverzen, onder anderen van eene der afdeelingen (Krygsmuzyk getiteld) dier Cantate: 's Konings komst tot den troon, waarin men mag zeggen, dat meer dan in eenig Gedicht van Bilderdijk zelven poëzy en muzijk zich in één smelten en als vereenzelvigen. Dit prachtige Dichtstuk, afzonderlijk uitgegeven ten jare 1809 en in geen Dichtbondel sedert opgenomen, verdient daarom te meer door een enkele aanhaling aan de vergetelheid te worden ontrukt, waarin onder zulk een eindeloozen schat van poëzy dit gelegenheidsvers, uit een voorbijgegaan tusschenvak in onze geschiedenis, zoo licht heeft kunnen verzinken. Men hoore al dadelijk het Choor van den aanhef:

 
Hoe lieflijk verrijst gy, ô blinkende morgen!
 
Wat flikkring verspreidt gy, zoo zacht en zoo zoet!
 
Wat houdt ge in uw' boezem al zegens verborgen,
 
En straalt ge in uw' aanblik ons blij te gemoet.
 
Ontsluit u, o aarde! schiet bloesems en geuren,
 
Omkronkelt uw bosschen met loverfeston.

Daarop volgt dan door twee zich afwisselende stemmen de volgende juichtoon:

 
De nacht is verdwenen,
 
De nacht van ons treuren! -
 
Het licht is verschenen,
 
De nevelen scheuren! -
[p. 216]
 
De kimmen ontgloren;
 
De dag is geboren:
 
De schoonste der dagen! -
 
Daar stijgt zij ten wagen, -
 
De troostende Zon!

en onmiddellijk daaraan dit Lied:

 
Holland, ja, de nacht van lijden,
 
Hel en tweedracht, ging voorby.
 
Laat ons hart zich thands verblijden
 
In de zon der Monarchij!
 
Haal, haal adem van uw rampen,
 
Van de zwarte pektoortsdampen
 
Der gevloekte twistharpij!
 
U genaken zachter tijden,
 
Holland, ja, de nacht van lijden
 
Zwicht voor 't licht der Monarchy!
 
Holland, thands zoo diep gebogen,
 
Schuif den blinddoek van uw oogen!
 
Hef u moedig naar den hoogen,
 
Door den Koningsscepter vrij.

Later worden de ellenden van omwenteling en oorlog dus in een Recitatief en Lied voor Basstem geschilderd:

 
Stormen bromden,
 
Donders gromden,
 
Ronk'lend, stomm'lend, wijd in 't rond.
 
't Bliksemklaatren
 
Langs de waatren
 
Vloog van Oost tot Avondstond.

en:

 
Gierend stoven lucht en golven;
 
Heel Europa lag bedolven
[p. 217]
 
In een tuimelende zee,
 
(Zee van menschenbloed en tranen!)
 
Prooi van woênde Noodorkanen,
 
Alles overstroomend wee!

en daarop met Tenorstem:

 
Star des dageraads in 't Oosten,
 
Die daar oprijst van zoo verr'!
 
Koomt uw licht het West vertroosten,
 
Rijs, ô rijs dan, morgenster!

Niet minder schoon is straks de Cavatina:

 
Wat dobbert Gij, o vlottend Vaderland!
 
De stormwind zwijgt, het onweer ligt aan band:
 
Wat wieling dan, wat golving spoelt en drijft
 
En slingert U, onwetend waar Gij blijft,
 
Van 't vaste land onredbaar losgeslagen?
 
Geen anker houdt; Geen kabel doet hier baat;
 
Geen Zeepiloot, die 't oog ten hemel slaat,
 
Weet in dees nood, gestarnten raad te vragen.
 
Welhaast, en 't nat,
 
Dat om u henen spat,
 
Verzwelgt U, als een prooi, met opgesparde kaken.

en, ten slotte dier afdeeling:

 
Hoort de stem van Gods ontferming,
 
Gy die Hollands ramp beweent!
 
Hy is Nederlands bescherming;
 
Hy; de troost in angst en kerming,
 
Die den Zijnen heil verleent.

Doch ook hier moet men zich in het afschrijven bedwingen.

[p. 218]

Tot krachtvolle gelegenheidsverzen van wederom anderen aart gaf (a0. 1809) nog de landing der Engelschen in Zeeland aanleiding. Aan zijne oude verontwaardiging tegen het Engelsche Gouvernement gaf onze Dichter lucht in een forschen Wapenkreet, vervuld van menig snijdend, niet altijd onverdiend schoon ook veel te bitter uitgedrukt, verwijt. Schooner en edeler dan ook klonk in dat zelfde tijdsgewricht de lier des Dichters ter eere van den Hollandschen krijgsroem, bij het hernemen van het Fort Bath opden Engelschman en het gewapend doorwaden van de Schelde bij dit wapenfeit, schitterend gehandhaafd:

 
Sla Lust- en Liefdetonen,
 
Wien dartel bloed doorstraalt!
 
Wij zingen zegekronen,
 
Door heldenmoed behaald.
 
Wij zingen in de baren
 
Geen wieg van Cythereê,
 
Maar Hollands heldenscharen,
 
Gerezen uit de zee!
 
 
 
Hoe bruischt het in die kolken!
 
Hoe zwirrelt kil en vloed!
 
Hoe trekken lucht en wolken
 
Dit schouwspel te gemoet!
 
Gij zult die Helden dekken,
 
(Gy nevels uit het West,)
 
Die door de baren trekken,
 
Door gloriezucht geprest!
 
 
 
Of voert gy dondervlagen
 
En bliksems in uw' schoot?
 
Gy zult hen niet vertsagen,
 
Zoo min als 't Britsche lood.
[p. 219]
 
Zij treden in die golven
 
Op 't smal onzichtbaar pad,
 
Van stroomen overdolven,
 
Van zeeschuim overspat.
 
 
 
Ja, laat uw baren schuimen,
 
ô Groots doorwaadde vloed!
 
Uw zilvren waterpluimen
 
Versieren hun den hoed.
 
Ziedaar den echten veder
 
Die Hollands krijgsliên past!
 
De lauwer buigt zich neder,
 
Waar deze zeepluim wast!
 
 
 
Wat zoekt gij, Watertemmers,
 
De dood door deze dood?
 
Ja trotst haar, fiere zwemmers!
 
De moed braveert den nood.
 
Den baren uitgestegen,
 
Als Goden van het meir,
 
Ontziet u vuur en degen,
 
En geeft uw stoutheid eer.
 
 
 
Ontbrandt, gij bliksemvuren,
 
En, donders, rolt en knalt!
 
Doorklinkt en vest en muren; -
 
De Britsche standaart valt!
 
De Zeeleeuw is verrezen,
 
En Hollands vlag hersteld!
 
Het lot is uitgewezen:
 
De schaal van Holland helt!

Hij liet eerlang op dit Zegelied een niet minder schoonen en welluidenden Vredewensch volgen in eene Ode: de Scheldbewoner getiteld, en later geplaatst in de Winterbloemen (II. 43).

[p. 220]

Wij hebben in dit zeer merkwaardig tijdvak van Bilderdijks leven en dichterarbeid nog niet gesproken van twee voortbrengselen, die voor beide karakteristiek zijn, en waarvan het een in het vak van den Lierzang, het ander in dat van den Epos, alleen genoegzaam zouden geweest zijn, om hem een onsterfelijken roem te verzekeren: den Napoleon, en den Ondergang der Eerste Wareld.

Weinige uitboezemingen van Dichters, wellicht zelfs van Bilderdijk, zijn met meerder onbillijkheid, of zal ik liever zeggen? met meerder onkennis van het voorwerp zelve der berisping beoordeeld geworden dan de Ode op Napoleon. Om van dit schitterende voortbrengsel rede te geven, behoeft men hier niet eens toevlucht te nemen tot de vrijheid van den Dichter om, op wat grondgebied het zij, hetgeen als groot en buitengewoon de verbeelding treft, als het voorwerp eener oogenblikkelijke geestverrukking te bezingen. Wij willen deze verklaring van het ontstaan des stout gestemden Lierzangs wel niet buiten aanmerking laten; noch met weinig diepgaande aandacht zekerlijk heeft hij dien gelezen, die daarin niets anders gevonden heeft, dan eene hoog dichterlijke lofverheffing van den machtigen Krijgsman en Keizer, den Held van dien tijd. Die grootheid toch had onzen Bilderdijk nooit verblind. Reeds in 1800 had hij uit Brunswyk den Dichter Jeronimo de Bosch op zyne Latynsche Ode aan Buonaparte toegezongen:

 
Is 't mooglijk! Gy dien Oorlogsdonder
 
Bezingen! ongelijkbre Bosch!
 
Gy volgt (o zielontzettend wonder!)
[p. 221]
 
Dien Mavors op zijn krijgskaros!
 
Gij vlecht uw grootsche Dichtlauwrieren
 
Den moord, de heerschzucht om den kruin,
 
Terwijl hij waadt door bloedrivieren,
 
En steden, Rijken, legt in puin!
 
Uw zachte ziel kan 't schouwspel dragen
 
Der menschlijkheid in 't stof getreên;
 
Stijgt met dien Attila ten wagen,
 
En juicht bij zoo veel ijslijkheên.

In 1804 had hij op geen anderen toon in het boven reeds aangehaalde vers: Gy hoordet Horebs donder knallen, den moord van den Hertog van Enghien gekenmerkt:

 
Riep de Almacht uit het hart van 't Oosten
 
Hem herwaart, om 't verpletterd volk
 
Door 't wettige gezag te troosten,
 
Door vuur, orkaan, en waterkolk?
 
Of vloekte, in hem, uit vlam en baren
 
Een Helgeest, op Gods wenk, een nieuwen geessel op,
 
Om 't heilig Kroonrecht in te varen,
 
En stijgt in hem de elend tot nog een hooger top?
 
 
 
Help God! wat ijzing! welk ontroeren!
 
Wat bloed toch spat hem in 't gezicht?
 
Wat offer zie ik henen voeren?
 
Wat grafterp rijst daar in het licht?
 
Enguien! ook gij, gij moest dan sneven! enz.

Wanneer dan in 1806 diezelfde Napoleon het onderwerp werd van den stoutsten Lierzang, dien Bilderdijk misschien immer schreef, zoo was die Ode wel niet zoo zeer eene hulde aan Frankryks Keizer, als wel aan zijns toenmaligen Konings broeder, en,

[p. 222]

indien zij in verhevene poëzy den glans zijner wapenfeiten deed uitkomen, het was om des te krachtiger te kennen te geven, dat indien dat Keizerrijk, die Veldheersroem, eenige waarde had voor Dichtkunst of menschheid, die waarde alleen kon bestaan in eene soort van wegbereiding voor een hooger Godsrijk, als bij welks aannadering alle die door Napoleon vernederde kroonen haren glans eerst hadden moeten verliezen:

 
Zie, Aardrijk, zie uw scepters duiken!
 
De ontzachlijke Arend 1 is niet meer;
 
Een nieuwe Tijdkring gaat ontluiken:
 
Reeds daalt hy uit de wolken neêr!
 
Gy Vorsten, op den throon geboren,
 
Doorziet wat de Almacht heeft beschoren.
 
Aanbidt en treedt uw zetels af!
 
Doet de aarde met U nederknielen!
 
Of - sterft als vrijgeboren zielen,
 
En bonst met kroon en rijk in 't graf.
 
 
 
Reeds schittert in een gloed van stralen
 
Een scepterstaf van meer dan goud!
 
Geen aardkreits kan zijn glans bepalen,
 
Geen arm van aardomzwalpend zout!
 
Is 't waar, herrijst aan 't eind der eeuwen
 
Het eeuwig Godsrijk der Hebreeuwen
 
En krimpt de Maan haar horens in?
 
Verschijnt de middagzon in 't Oosten,
 
Om Hagars zwervend zaad te troosten
 
Van d' overmoed der Muslamin?
 
 
 
Verbeelding, sta! en Gy, valt open,
 
Gy, poorten, die de toekomst sluit!
 
Eene aard met zoo veel bloeds bedropen
 
Schiet palmen en olijven uit!
[p. 223]
 
Het zwaard, gekromd op menschenschonken,
 
De spies, van 't bloed der helden dronken,
 
Doorklieven 't land, als ploeg en spâ;
 
En 't klateren der schriktrompetten
 
Verkondigt blijde vredewetten;
 
En 't eind van 's Hemels ongenâ. enz.

Uit een tweeden Druk van deze meer vermaarde dan werkelijk gekende Ode, door den Dichter ten jare 1824 bezorgd voor vrienden 1, leeren wij verder de zeer eenvoudige aanleiding tot geheel het denkbeeld eens Lierzangs op Napoleon in die dagen; t.w. eene soort van beleefde uitdaging van den Secretaris des Konings, Dupré, aan welke onze Dichter dan op deze zijner waardige wijze genoeg deed. Doch vooral is ons in dien tweeden Druk de opmerkelijke bijzonderheid bewaard gebleven van een laatste, in 1806 ongedrukt gebleven Couplet, hetwelk dus luidde:

 
Napoleon! zie duizend tongen
 
Uw naam verbreiden over de aard!
 
Van Oost tot West uw lof gezongen
 
Maar zijt gy ook de mijne waard!
 
Is 't heil der aard uw hoofdbedoelen,
 
En kunt gy U gelukkig voelen
 
In 't dienstbaar zijn aan zulk een plan?
 
Uw hart besliss' dit door uw daden;
 
Zoo die geen andre zucht verraden,
 
Welaan, ontfang mijn hulde dan!
[p. 224]

De Ode, met dit Couplet voleindigd, werd aan een man van vermaardheid en gezag in de Nederlandsche Letteren medegedeeld 1; doch als deze het slotcouplet wat aanstotelijk vond, en het ried te veranderen, werd het dan ook werkelijk veranderd op deze wijze:

 
Napoleon! ontfang een hulde,
 
Van Oost tot West u toegebracht,
 
Doch schoon uw lof 't Heelal vervulde!
 
Uw Rechter is het Nageslacht.
 
Verpletter, donder, bliksem neder,
 
Van veldstruik tot den hoogsten ceder:
 
De Godheid bliksemt voor u heen.
 
Maar gijzel 't krijgszwaard in de schede,
 
Het aardrijk wacht, het smeekt de Vrede;
 
Zy' mangelt aan uw krijgstrofeên.

Als ook die toespraak niet genoegzaam vrij van aanstotelijkheid werd gevonden, bleef het geheele Couplet in den eersten Druk achter, maar werd daartegen van een klein Voorbericht door den Hoogleeraar voorzien, waarbij het standpunt des Lezers bepaald werd, en het Dichtstuk alzoo tegen eene tegenovergestelde aanstotelijkheid, (die namelijk eener andere ingenomenheid met Napoleon dan als krijgsman en man der Voorzienigheid,) moest vrijgewaard worden.

Minder, verklaarbaar schijnen wellicht eenige latere verzen van Bilderdijk, Keizer Napoleon ter eere,

[p. 225]

als daar is het vers op de Echtviering met Maria Louisa 1, en nog in dat zelfde jaar de Hulde aan de Keizerlijke en Koninklijke Majesteit, toen Holland reeds in het Groote Rijk was ingelijfd geworden. Zij laten zich evenwel zeer goed overeenbrengen met het denkbeeld, hetwelk in 's Dichters ziel lag, dat aan de Overheid, welke dan ook, gehoorzaamheid, - dat aan den man, die nu eenmaal in Gods oordeelen over de wereld zijnen loop moest volbrengen, zoo lang dat oordeel dáár was, dezelfde hulde bewezen moest worden, die b.v. in de laatste dagen van Juda aan eenen Nebucadnezar van Gods wege bevolen was, tot dat hij zelve ten gerichte over Babylon en ter verlossing der verdrukten op zou treden. Hoe het zij, de dichterlijke hulde eens onderdaans, de zucht en vraag naar Vrede voor de wereld, maar nimmer een zweem van waren lof of gunstzoekende vleierij, zal men ook in die laatst herdachte verzen vinden. Tot dit onderwerp intusschen behoort nog kortelijk de vermelding van een korte maar belangrijke redewisseling tusschen den Franschen Keizer en den Nederlandschen Dichter, bij gelegenheid van het bezoek te Amsterdam a0. 1811. Als Bilderdijk bij die gelegenheid (waarschijnlijk in eene Commissie van wege het Instituut) aan Napoleon werd voorgesteld, vroeg hij den hem misschien zelfs niet van naam bekenden Hollander, met de hem eigene snelheid in het toespreken: Êtes vous connu dans la République des lettres? 2Even vaardig als

[p. 226]

waardig antwoordde deze: Du moins j'ai fait ce que j'ai dû pour l'être 1.

Doch wij hebben nog uit het tijdvak van Bilderdijks leven en werkzaamheid onder Koning Lodewijk, het plan en de aangevangene bewerking van zijn Ondergang der Eerste Wereld tevermelden. Van dat veel omvattend dichterlijk genie, hetwelk reeds in zoo onderscheidene vakken zijne krachten bewezen had, en thands bij zijne hoogste rijpheid ook tot de noodige rust scheen gekomen te zijn, om een arbeid van langen adem tot stand te brengen, mocht men het met grond verwachten, dat hij ook het Heldendicht niet onbeproefd zoude laten, - het Heldendicht, waarin van ouds de voor dat vak waarlijk begaafde Dichter een veld vond, ruim genoeg voor heel den rijkdom van zijne veelsoortige, ja algemeene kennis, zoowel als voor al de werkzaamheid van een in vinding- en beweegkracht onuitputtelijke verbeelding en geest. Ziedaar dan ook wat onze Nederlandsche Hoofddichter zich bij de opvatting van een Heldendichtsplan voorstelde, en waar hij zich toe aangordde met de hem eigene stoutheid en met diep doordacht overleg. Doch had zijn meesterstuk in het vak van Leerdicht: de Ziekte der geleerden, zich in de bewerking bijna uitsluitend op klassieken bodem bewogen, zijn Heldendicht zoude niet alleen door de keus van het onderwerp, maar ook door geheel den geest, dien het ademde, ja, bij al de verdichting, die de Epische behandeling

[p. 227]

medebracht, in oogmerk en beteekenis innig Christelijk zijn. Uit de hooge sfeeren dier wereld, waaraan de Zondvloed een einde maakte, had een verheven onderwerp hem aangetrokken, en geheel zijne ziel en dichterlijke vermogens in beweging gezet. De aanhef geeft dat onderwerp in den echten toon van den Epos te kennen:

 
Ik zing den ondergang van d' eersten Wareldgrond,
 
En 't menschdom dat, met Hel en Duivlen in verbond,
 
In gruwelen verhard, Gods Hoogheid durfde trotsen
 
En 't aardsche Paradijs beklautren langs zyn rotsen,
 
Tot de Almacht, worstlens moê met Adams zondig bloed,
 
Des aardrijks bodem sloopte en omkeerde in den vloed,
 
Wat adem haalde op 't droog, van d'afgrond in deed zwelgen;
 
Eén huisgezin behield in 't algemeen verdelgen;
 
En, op 't verbrijzeld puin in lager lucht verspreid,
 
Het sterflijk kroost vernieuwde, en 't zaad der eeuwigheid.

Wat hoog belangwekkenden held, wat grootsche handeling, wat onderscheidene wezens en veelsoortige personen, wat treffende en allen op één middenpunt uitloopende Episodes, in één woord, wat nog voorbeeldeloos en in alle zijne deelen prachtig uitgewerkt geheel, Bilderdijks voltooid Heldendicht zou hebben opgeleverd, heeft men zich elders voorgesteld met vereischte ruimte uit een te zetten 1, en ligt alzoo te meer buiten het bestek van dit Overzicht. Men vergenoege zich hier verder met de inlassching van eenige enkele proeven uit het onafgewerkte Meesterwerk, ten blijke van de krachtige hand, waarmede ook de toon van den Epos door onzen Dichter aangegrepen is.

[p. 228]

Wij laten, uit den Eersten Zang, de voorstelling van het feest en de hymne ter eere der valsche luchtgoden in het leger der Kaïnieten volgen:

 
Verblindend Bygeloof, voor afgoôn neêrgebogen,
 
Dat monster, helsch van stam en bastaartvrucht van Logen,
 
Uit zinlooze Angst geteeld, stak middlerwijl den kop
 
In 't trekkend leger, met verschrikte blikken op.
 
Heur fluisterende stem, die muren door kan boren,
 
Die elke weêrgalm vangt en harder weêr doet hooren,
 
Verhief zich: mommelde eerst als zuizend bij'gebrom
 
Maar zong weldra 't geluid der oorlogstrompen stom.
 
Zy eischte een plechtig feest ter eer der Hemellichten,
 
Als waarborg in 't gevaar. Flux gaat men de outers richten,
 
En stapelt zoden, of omhangt die met gebloemt'
 
En kruiderijen, naar der starren naam genoemd,
 
En slacht by honderden, in 't ruischen der schalmeien,
 
De varren, 't juk nog vreemd, de vaars der klaverweien,
 
Het argelooze lam, van d' uier afgerukt,
 
En 't borstlig ondier, met den snuit in 't slijk gebukt;
 
Den dartlen geitenbok; en 't hoofd der runderstallen,
 
Den stier, na jaren dienst, voor 't kouter neêrgevallen:
 
Ontweidt ze, en wroet om strijd in 't lillende ingewand,
 
En smijt ze, druipende, in den sissende-outerbrand.
 
Men plengt er olie bij, en melk, en kroont het offer
 
Met specerij van Chus uit gouden wierookkoffer,
 
Of laauwerbeziê, en welriekend stijrax blad;
 
En heft de handen op, van 't sprenklend bloed bespat.
 
Nu prevelt men gebeên terwijl de vlammen steigeren,
 
Roept vloek en neêrlaag uit op vijand en bedreigeren,
 
En smeekt het Englendom, dat ieder Licht beheert,
 
Bevestiging des eeds, dien Hemaths krijgshoop zweert. -
 
‘Gij, Geesten (roept men), die uit de ongenaakbre sfeeren
 
Op stervelingen ziet; wier invloên ons beheeren;
 
Wier glans ons toelicht! Gy, hetzij ge in ruimer baan
 
Om 't wentlen van onze aard een tragen kring moogt slaan,
 
Of nader aan de bron des vuurs, met meer bezieling
 
Van gloed, in sneller vaart herombruischt in uw wieling! -
[p. 229]
 
En Gy vooral, die, met uw zilvren aangezicht,
 
Uw hoornen afkeert van uws broeders schitterlicht,
 
De tijden regelt, en de ontembre waterplassen
 
Waarheen gy de oogen wendt, heur boorden uit doet wassen:
 
Nachtfakkel, wie 't geheim der diepste duisternis,
 
Ja, 't hart des afgronds tot zijn binnenst, zichtbaar is:
 
Wier koude stralen de aard het gift der akonieten,
 
Bezwangerd van de dood, en nachtschade uit doen schieten,
 
En 't worgend Geestendom met aaklig nachtgerucht
 
Op vleêrmuisvlederen doen reien door de lucht! -
 
En Gy, wiens bloedig licht, met blaauwen damp omtogen
 
Den bliksem van het zwaard doet schittren in onze oogen;
 
Verdelger! - En ook Gy, der starren middelpunt,
 
Die elk rondom uw throon zyn eigen loopperk gunt,
 
Als wachters, nimmer moê op uwen wenk te zwieren,
 
ô Goddelijke Zon! - Aanschouwt onze offervieren!
 
Wij slachten u den keur van kudde, en kooi, en stal,
 
De vlam stijg' t' uwaart op! 't vereerend feestgeschal
 
Boor' door de wolken heen! de walm der wierookgeuren
 
Doorwaassem' en doorvloei' de onoverstijgbre scheuren
 
Des afstands, die ons van uw zetels scheidt! Verhoort!
 
Wy aâmen rust by wraak; de vijand, bloed en moord.
 
U wijden we onzen arm, wanneer wy monsters slachten,
 
Die zelfs uw Godheên in haar hemelloop verachten. -
 
Verzwaart de slagen van ons wapen! Trekt ons voor
 
Gelijk ge, ô Morgenstar; op 't effen hemelspoor
 
Den blonden Dageraad, of 't heir der vaste starren
 
Ter heirbaan voorstapt om den slagboom los te sparren.
 
En velt aan onze spits die Reuzen, wier geweld,
 
Uw grootheid zelfs te trotsch, aan alle boord ontzwelt!’ -
 
 
 
Nu slingert men door een, en schaart, en scheidt zich weder,
 
Met staatlijk Kerkgebaar. Men werpt zich beurtlings neder,
 
En rijst, en zingt op nieuw: Geduchte Hemelgoôn,
 
Redt Kaïn en 't Heelal des aardrijks! - op een' toon
 
Van weemoed, of triomf, vertrouwen, hooploos smeeken;
 
Naar de outersmook zich heft, der Goden gunst ten teeken,
 
Of neêrduikt, in zich-zelf gewenteld; of zijn bocht
 
Wordt afgedreven door der winden ademtocht.
[p. 230]

Stellen wij tegen over de Heidensche hymne, waarvan de toon zoo bij uitstek juist gevat is door den Dichter, den Lofzang der kinderen van Enos ter eere van den eenig waren God, in den Vierden Zang, met de even voorafgaande schildering van Koning Segols nachtleger, en van het oogenblik, dat tot de invoeging van den schoonen Lofzang aanleiding geeft:

 
De Koning geeft bevel. Men kiest een rijzend vlak,
 
En sticht een avondvuur van kruid en heestertak,
 
En houwt een beuk omverr' tot voedsel voor de vlammen.
 
Nu velt men wijd in 't rond een aantal oude stammen
 
Met breedgetakten top, en werpt ze met hun kruin
 
Naar buitenwaart, en vlecht hun armen als een tuin
 
Te samen, om het heir voor overval te dekken,
 
Of (licht) de ontstoken gloed een vijand aan deê trekken,
 
Of woedend roofgediert' dat omdwaalt by de nacht.
 
Een deel der krijgren houdt aan alle hoeken wacht;
 
Het oovrig strekt zich uit. De Koning, warsch van slapen,
 
Zit op een boomtronk neêr, en houdt zijn bloedig wapen
 
In d' arm. Zijn schouder drukt met zijlings hangend hoofd
 
Een jeugdig appelhout, dat nog geen vrucht belooft.
 
Dus mijmrend roept hy een der dappre legergrooten:
 
't Was Régol met hem uit Mechujaël gesproten: enz.

Dezen ondervraagt de Vorst over de gedachten die zijn hart vervullen;

 
‘Meld, meld my (want gy dronkt de wijsheid onzer vaderen
 
Met gretige ooren in, en zwolgt haar in uw aderen),
 
Wat lot, wat gruwbre macht, die lust in tranen schept,
 
Dees schrikbre aard regeert, zoo gy 't vernomen hebt.
 
Waar, waarom treedt de Reus, uit bastaartzaad geboren,
 
De Wareld op den nek? wat Godheid in haar toren
 
Bracht ons, ons menschen, voort, en doemde ons weêr tot stof?
 
Wat dicht men van de lust van d' ongezienen hof,
[p. 231]
 
‘Dien vader Hanoch nooit, dien Kaïn nooit aanschouwde,
 
Maar dien (gelijk men wil) de hand van Adam bouwde?
 
Wat zwoegen we op deze aard, en moorden, en vergaan
 
Door eigen handen, wy? en bidden Goden aan
 
Die niet verhooren? Spreek.’

Het antwoord volt dan in dier voege:

 
De Grijzaart schudt zijn lokken
 
Die glinstren by het vier, als versch gesneeuwde vlokken,
 
Terwijl zijn voorhoofd bloost. ‘Mijn Koning (roept hy uit),
 
Neen, waan niet dat ik die verborgenheid ontsluit'!
 
Ik zag Mechujaël, mijn Grootvaâr, in zijn grijsheid;
 
Maar lijden, maar geduld, niets anders, was zijn Wijsheid.
 
Hy drong niet verder in 't ontzachlijk Albewind;
 
Maar boog het needrig hoofd, in lot en hemel blind.
 
Dit echter leerden my der vaadren Dichtverhalen:
 
Eén Wezen, 't geen geene aard, geen hemel kan bepalen,
 
Wrocht alles, en regeert hetgeen Hy oorsprong gaf.
 
Dit aardrijk werd vervloekt, der menschlijkheid tot straf.
 
Onze Oudren vielen af, van uit een hooger orden.
 
Dat Eden, Adams Hof, is hun ontzegd geworden.
 
God trok zijn invloed van het aardrijk, en een stoet
 
Van mindre Goden heerscht op 't lichaam en 't gemoed.
 
Zy storten, naar 't hun lust, verdelging uit en woede,
 
En nemen hier de deugd, daar boosheid, in hun hoede.
 
Wy ofren hun. - Maar in mijn kindschheid nog bestond
 
De stam van Kenan, die, met de Almacht in verbond,
 
Haar eenig rookte, aanbad, en offerde op de altaren.
 
Wat zoude ik u hun leer van 's menschen val verklaren?
 
Van Hemelgeesten? van gedoemden? van den staat
 
Der zielen, als heur walm het stervend lijf verlaat? -
 
Ik volg het voorbeeld na, en 't voorschrift van mijne Ouderen;
 
En nimmer nam ik 't juk dier dweepers op mijn schouderen,
 
Dat boete, onthouding, eischt, en afstand aller vreugd.
 
Ik zag hun aanhang ook verdwijnen sints mijn jeugd.
 
Eén huisgezin alleen bestaat nog, naar 't vermelden
 
Van 't loopende gerucht, niet verr' van Arbals velden,
[p. 232]
 
En schuilt in nevelen by 't steeds omwolkt gebergt'. -
 
Ziedaar het gene ik weet van 't geen uw weetlust vergt!
 
Doch, wilt gy, 'k zinge u een van Enos offerzangen,
 
Uit de Oudheid, eeuwen door, van hand tot hand ontfangen?’
 
 
 
De Vorst bestemt het; en de grijzaart ving dus aan:
 
‘Gy, ongeschapen bron van leven en bestaan!
 
Gy, onbegrijpbre, die uw ontoegangbre glansen
 
Omnevelt met de zon: wiens lof de morgentransen
 
Verbreiden met het licht! Gy, Almacht, Gy gebiedt
 
En 't is er; roept, en 't wierd, ontsprongen uit het niet.
 
Gy breidt uw handpalm uit; 't is weldaad en bezieling!
 
Gy sluit ze; en al wat is, stort ylings in vernieling!
 
De Duivlen siddren, en het Englendom ontzet,
 
Waarheen Ge uw opslag wendt, die bliksemend verplet.
 
De Cherubijn bedekt het aanzicht voor den luister
 
Des zetels dien Gy drukt, omvloeid met vlammend duister.
 
De sterren wandlen op uw wenken. Dag en nacht
 
Eerbiedigen uw wet. Maar 't zondige geslacht
 
Der aarde onteert uw naam door schuldige euveldaden.
 
Genadige! Zie neêr: zie ons in tranen baden!
 
Ons! afgevallen - ons! van U verwijderd kroost,
 
Maar in uw heilbelofte, in al uw wil, getroost.
 
Aanbiddend buigen wy, en kussen alle slagen
 
Der hand, wier roede ons treft: want Gy geeft ze ons te dragen.
 
Ja, tref ons, Vader! tref, doorgrief 't verdorven hart!
 
Doorlouter 't uit genade, en reinig 't door de smart!
 
Maar neem, Algoede, ô neem onze onderworpen beden,
 
Neem deze onze offers aan! ach, enkle nietigheden,
 
Maar die Gy heiligt door den boezem waar Ge in straalt!
 
Wy, wormen uit het slijk, beneden 't slijk gedaald,
 
Wy weten 't: eens zal de aard met de aardsche lust verdwijnen,
 
De heemlen opgaan als gescheurde tentgordijnen,
 
En Uwe ontzachtbre wraak zal dondren door 't Heelal,
 
Wen Uw geheiligd Recht de vierschaar spannen zal.
 
Dan sterft de boosheid, de verworpene in uw toorne!
 
Dan werpt Ge in eeuwig vuur den distel met de doorne,
 
En sticht het Godlijk Rijk, vol waarheid, deugd, en plicht!
 
ô Heilige! beveel; en daag dat heuchlijk licht!’
[p. 233]
 
De Koning blijft een wijl als van een droom bevangen.
 
‘Neen, Régol (roept hij)! neen, dit zijn geen Aardsche zangen!
 
Die Godheid, die gy meldt, gaf ze in. Die Godheid leeft!
 
Die is het dat ik eer; die, voel ik, dat me omzweeft!
 
Ik, wil die vromen zien, uit Enos voortgesproten:
 
Ontbied hen. 'k Heb voorlang die valsche Goôn verstoten
 
Die gruwlen dulden, ja bevelen. 'k Bid geen Maan,
 
Geen Starren, 'k roep geen Zon tot mijn bescherming aan:
 
Mijn arm was my genoeg. Maar in deze oogenblikken
 
Gevoel ik me aangetast door onverwinbre schrikken.
 
Neen, de arm eens stervlings is te nietig: en ons lot
 
Drijft zeker op den wenk van één beschermend God,
 
Die wreken, straffen zal, en weldaân voor de jammeren
 
Des levens spreiden wil. Hem koomt het bloed der lammeren,
 
Hem 't smokend rundervet op 't heilig outer toe!
 
Hy zy des aardrijks God, wanneer ik 't bukken doe!’
 
 
 
In yver rijst hy op. ‘Ja (zegt hy), ydle spoken,
 
Vergaan zy, die voortaan op uw altaren rooken!’

Nog zes maanden, nog hoogstens een enkel jaar van vreedzaam leven onder den toenmaligen staat van zaken in ons land, en de Natie had een Heldendicht voltooid ontvangen, van hetwelk zonder overdrijving de Nederlandsche Vertaler van Homerus wel heeft mogen zeggen, dat het alles wat na de Ilias opEpisch grondgebied eenen naam heeft, hadde doen verbleeken 1. Het plan des Dichtstuks (gelijk uit het bestaande Fragment, men mag zeggen, met wiskundige zekerheid is af te leiden) lag volledig in de ziel des Dichters; in het vuur, dat hem bij de bewerking bezielde, werd een Zang in nagenoeg veertien dagen

[p. 234]

afgewerkt. Daar komt op eens de aftreding van Lodewijk, de inlijving van Nederland, als een donderslag tusschen beide. Daar geraakt de Dichter, bijden ramp van heel het Vaderland, in de zwaarste ongelegenheid, in de diepste moeite en verwikkeling, ook ten aanzien van huisselijke en maatschappelijke aangelegenheden, boven alles wat hem van dien kant immer te voren was te beurt gevallen. De Epische dichtveder ontvalt hem (en voor altoos!), letterlijk midden in het nederschrijven van een regel, op eene der schoonste en beslissendste plaatsen van geheel het Dichtstuk. Kon het anders of hij moest in een zoo plotselinge, weldra onherstelbaar geblekene verstoring de vervulling zien van die roerende bede, waarmede hij den Aanhef van zijn stout ontworpen Heldendicht besloten had:

 
Verlosser! zie, zie neêr op mijn vermetel pogen!
 
Begunstig 't, is 't iets meer dan dichterlijke logen!
 
Maar stijgt het stouter dan eens Christens Godsvrucht past,
 
Verstoor het uit genade, en leg mijn waanzin vast.

Eerst in het jaar 1820 kon er de Dichter toe besluiten, om het afgewerkte gedeelte (vier Zangen en ongeveer de helft van een Vijfden) in het licht te geven. Hij deed dit, met een uitvoerig Voorbericht, waarin echter van zijne plannen ten aanzien van het onafgewerkte geheel geene oplossing gegeven werd.

Door de onmiddelijke gevolgen der inlijving van Holland moestzich Bilderdijk wel in de pijnlijkste

[p. 235]

verlegenheden bevinden. Het Fransche Bestuur weigerde volstrektelijk de verdere uitbetaling, het zij geheel of ten deele, van het den Dichter door Lodewijk toegelegde pensioen, de hoofdbron van geheel zijn toenmalig bestaan. De betrekking tot dezen Vorst was intusschen, als men zich ligt kan voorstellen, gepaard gegaan met buitengewone uitgaven soms, met een meer dan dagelijkschen voet van leven, veroorzaakt onder anderen door nog al talrijke verplaatsingen, in het geheel. In stede van dat alles kwam nu volslagen gebrek, en erger dan dat: lastige schuldeischers, volstrekte onmacht, bij den besten en edelmoedigsten wil, om die te voldoen; misschien daar te boven of zelfs daarachter, heimelijke vijandschap van dezen of genen kant tegen den van ouds miskenden en onwaardig behandelden strijder. Zwaar, hoe het zij, was de ongelegenheid, vooral bij de algemeene ook geldelijke schipbreuk dier dagen; diep was de vernedering voor een eergevoel, voor een man- en vaderhart als dat van Bilderdijk. Zoo immer, was zijn altijd hevig gemoedsbestaan in die oogenblikken der wanhoop nabij. Men heeft na 's Dichters dood onder zijne papieren een geschrift gevonden, dat den ijsselijken toestand, waarin hij zich op dat tijdstip (a0. 1810) bevond, maar ook geheel de richting van zijnen geest, en bovenal de krachtige hand van dien God, aan Wien hij ook bij den rand dezes afgronds zich vasthield, of liever van Wien hij vastgehouden werd, ontzettend maar kenmerkend uitdrukt. Het was eene roepstem uit de benaauwdheid des harten, om toch van het dreigende denkbeeld van zelfmoord verlost te worden; -

[p. 236]

het was een protest, midden onder de aanvechting, tegen den gruwel van elken aanslag op eigen leven, bij het besef der mogelijkheid, dat één oogenblik van zwakheid, van ijlhoofdigheid, hem in dat verschrikkelijk tijdsgewricht daartoe zoude kunnen vervoeren. Ja, hij werd bewaard. En het is deze toestand, dien hij kort daarop ook in de taal der poëzij te kennen gaf, in zijn dichtstuk,Levenspyn geheten 1:

 
Ach! 't afgejaagde hert, der honden muil ontsprongen,
 
Zwoegt vruchtloos naar zijn aâm met drooggeblaakte longen,
 
Lekt vruchtloos 't stollend bloed dat langs zijn lenden vliet:
 
Te sterven aan zijn wond, ook dit vermag hij niet.
 
Neen, weldaad waar hem thands de beet der wreede honden.
 
Verachtlijk wespgespuis zet de angels in zijn wonden;
 
Vergiftigt en verscheurt zijn open borstkwetsuur;
 
Hoopt dood- by doodsteek op in 't sleepend snevensuur;
 
En, krimpend langs den grond, en aas der vuile horzelen,
 
Herwenscht hij 't heetst der jacht, en bloedig tandvermorzelen.
 
Ja, hoort een menschlijk hart in de eenzaamheid van 't bosch
 
Zijn kermen, meer geroerd dan de onbeweegbre rots,
 
Men stopt het oor niet slechts en spoedt dien galm te ontvluchten,
 
Maar maakt het stervend dier nog misdaad van zijn zuchten;
 
Wil,dat het dartle en spring', en, elk ten spel vermoord,
 
Den weêrgalm van het woud door geen gejammer stoort.

en straks:

 
Uw gunst was 't die my spaarde.
 
Gij hebt me, ô groote God en Heiland, steeds behoed
 
Voor Filozofen deugd en Filozofen moed.
 
Ik leed, wanneer Gy riept tot lijden, en geduldig;
 
En, tot wat peil het stijge, ik ben u hooger schuldig:
[p. 237]
 
Maar ô, geef krachten! Roep! o roep my van mijn wacht,
 
Eer waanzin me op het laatst het zuiz'lend brein verkracht'.
 
Gy ziet het woelen, ziet het koken, ziet het bruischen!
 
Laat, laat me uw hoogen wil niet roekloos tegendruischen. -
 
'k Ben zwak, mijn God! 'k bezwijk; mijn reden faalt en zwicht
 
By 't altijd klimmend leed en meerdrend overwicht.
 
Ach! zoo een oogenblik mijn hoop op U verraste -
 
Mijn sidderende hand in 't duister zich vertastte -
 
De onvaste voet me ontglipte op 's afgronds smallen rand - !
 
ô! Hou me in 't vallen op, en grijp my by de hand!
 
Vertroost me, en, wat ook nijp', bevrij my 't broos geweten,
 
En laat ik in den nood mijn' Heiland niet vergeten. Enz.

Of, in eene schildering, die niet enkel aan verbeelding mag worden toegeschreven, in zijne Geestenwereld, een dichtstuk van dezelfde jaarteekening, en in denzelfden bundel opgenomen 1:

 
Gy tallelooze scharen,
 
Die om, die boven ons, die door ons heen blijft waren!
 
Gy zaagt my, als mijn geest, ter neêr gedrukt door 't lot,
 
In wreevlig ongeduld zich ophief tegen God,
 
En de Almacht die hem vormde, in 't jammer dat my knaagde,
 
Met onbesuisde drift voor eigen vierschaar daagde.
 
ô Nacht van ijslijkheid! o grondelooze poel
 
Van wanhoop, nijpende angst, en plettrend doodsgevoel!
 
Hoe schokt me uw denkbeeld nog, hoe schudt het my door de aâren
 
En drijft my 't bloed te berg in de opgestegen hairen!
 
‘Ja (sprak ik, daar mijn oog steeds overstelpt van 't nat,
 
Van gloênde spijt verdroogd geen traan meer over had,
 
En de uitgeholde wang, van de opgezette woede,
 
Den schrikbren grimlach droeg waarin de zelfmoord broedde).
 
Ja 'k dronk de wrange kroes des levens tot den grond.’ -
[p. 238]
 
Zoo sprak ik, als mijn ziel een zacht gevoel ontwaarde,
 
Dat me aan my zelv' onthief en aan dees kwijnende aarde.
 
Geen stof meer, docht my, trok mijn denkvermogen aan.
 
Ik ademde geen lucht, noch voelde 't hart my slaan,
 
Maar was van heldre glans doorwemeld en doortogen.
 
't Was heel mijn lichaam licht, en duister voor mijne oogen.
 
't Gevoel mijns aanzijns werd veredeld en vergood.
 
Een hooger zintuig dan my eigen was ontsproot,
 
En 'k zag door 't weefsel heen van eigen ingewanden
 
En vezeldraden en gevlochten zenuwbanden.
 
'k Doorstroomde, als 't zuiver licht den heldren waterdrop,
 
Den dichten stofklomp, en geen afstand hield my op,
 
En wat my overbleef van dit ons schijnbaar leven,
 
Scheen me als een droomverschiet door 't wakendbrein te zweven.
 
 
 
Zie daar, dus riep me een stem in 't binnenst van my zelv',
 
Maar die me als de Echo van een eindloos ruim gewelf,
 
Van alle kant te rug en in één punt gedreven,
 
Verdubbeld tegenklonk en mijn gebeent' deed beven.
 
Zie daar, o stervling, wat gy zijn moet, - wat gy wordt.
 
‘Thands ligt ge in 't kiemend zaad! - Zie opwaarts, eer gy mort!’

In dezen nood ontbrak het ook, verder niet aan uitkomsten, aan verademing althands. Op het onverwachtst en door den minst verwacht wordenden weg soms, vloeiden uit de hand der Goddelijke Voorzienigheid hulpbronnen voor den tijdelijken nood. Ook bleef de deelneming en bijstand van enkele trouwe vrienden niet achter, van Valckenaer, van De Vries, van J.D. Meyer, die in dezen ramp tevens gelegenheid hadden om van 's Dichters tedere naauwgezetheid bij de knellende omstandigheden, waaronder hij gebukt ging, te getuigen.

[p. 239]

Intusschen bleef zijne werkzaamheid in meer dan ééne richting onverpoosd. Behalve eene vertaling der Fransche Wetboeken (om een bete broods ondernomen, en juist daarom wellicht niet al te gelukkig uitgevallen,) hield hem Dichtkunst en geleerde arbeid niet alleen aanhoudend bezig, maar ook staande. In de Tweede Klasse des Instituuts beijverde hij zich, bij de gewone werkzaamheden, ook in en voor alles, wat van de schipbreuk onzer nationaliteit in die dagen nog gehoopt kon worden redbaar te zijn. In een zonder naam uitgegeven werkje:Geologie, gaf hij een beknopt en duidelijk verslag van de uitkomsten, in die Wetenschap destijds verkregen door de onderzoekingen voornamelijk van De Saussure, Dolomieu, en De Luc. In een ander stukje: Kort verhaal van eene aanmerkelyke Luchtreis en nieuwe Planeetontdekking, dat uit het Russisch heet vertaald te zijn, gaf hij in den vorm eener eenigzins luimige verdichting, eenige eigene denkbeelden in het licht over het bestaan van sommige planeten of hemellichamen in de nabijheid en zelfs in zekere gemeenschap van dampkring met onze aarde 1.

Doch ook de poëzij behield hare eischen. Hetgeen in het tijdvak zijner rampen onder de Fransche heerschappij aan 's Dichters pen ontvloeide, draagt op verre na niet de kenmerken van een diep ter nedergedrukten geest, maar onderscheidt zich, ook bij somberheid soms van toon en gewaarwording, door altijd

[p. 240]

dezelfde hoogte van vlucht en rijkdom van denkbeelden. Behalve menigen lierzang, zoowel oorspronkelijk als naar Horatiusgedicht, overzettingen uit Homerus en Apollonius Rhodius, mitsgaders allerlei Losse Gedichten, bevatten de Bundels, wier inhoud van dien tijd afkomstig is (de Winterbloemen en de Affodillen)een bijzonder soort van Leerdichten of, wil men, Dichterlyke Vertoogen over onderwerpen van wijsgeerigen, Godsdienstigen, zedekundigen, esthetischen aart, vol van poëtische schoonheden en diepe zielkundige opmerkingen, schoon voor het overige zich minder uitsluitend op Christelijk grondgebied bewegende, als dit in sommige bundels zoo van vroeger als van later dagteekening bij Bilderdijk het geval is.

De Winterbloemen, een Dichtbundel in Twee deelen uitgegeven a0. 1811, en waarvan de titel zinspeelt op de Najaarsbladen van een even voorgaanden meer voorspoedigen tijd, onderscheiden zich (in de Alexandrijnsche voetmaat) vooral door de Kunst der Poëzy; de Schilderkunst, het Afscheid. De aanhef van het eerstgenoemde dezer drie Gedichten bleef als een der schoonste en waardigste lofspraken op den vader der Grieksche en Epische Dichtkunst in veler geheugen bewaard:

 
Natuur, in rijpe jeugd, ging menig' leeftijd zwanger,
 
Eer ze één' Homerus schiep, één' waar', een' roemrijk zanger!
 
En, zoo ze in 't gunstigst uur, na lang gerekte dracht,
 
Dat wonder van heel de aard, in 't eind te voorschijn bracht,
 
't Was eenig; en zy-zelv, in d' arbeid als bezweken,
 
Behoefde een wareldtijd om nieuwe kracht te kweken,
 
Eer ze andermaal 't Heelal zijn weêrga toonen kon.
 
't Gestarnt' verving de plaats van de uitgedoofde zon,
[p. 241]
 
Om, met ontleenden glans of flaauwe vonkelstralen,
 
De duisterheid der nacht te danken voor zijn pralen.
 
Zoo is, zoo was Virgyl, zoo 't gantsche Dichtrendom,
 
Dat, na Homerus eeuw, aan Pindus hemel glom.
 
 
 
Wie is Homerus dan? dat treffendste aller wonderen!
 
Wien eeuwen achter een met dartle stoutheid plonderen
 
Daar echter, rijk van kracht en eigen Godlijk schoon,
 
Geen stervling hem ontkleedt, noch bystreeft in zijn' toon!
 
Homerus! Dichter! ja, waarachtig, eenig Dichter:
 
Men rooft den adelaar zijn bliksempijlen lichter
 
In 't zwavelzwangre zwerk, dan U de kunstpalet,
 
Wier verven, vlammen zijn, van dampen onbesmet;
 
Dan U dat fix penceel, wiens gadeloos vermogen
 
Niet schildert, niet verbeeldt, maar schept voor menschlijke
 
oogen,
 
En met gewisser slag de ontroerde harten treft,
 
Dan zelfs uw Jupiter, als hy zijn donders heft. Enz.

Niet minder schoon in hare soort is de Schilderkunst, uitgesproken te Amsterdam in Felix Meritis bij gelegenheid eener Prijsuitdeeling. De Voorzang in trochaïsche voetmaat is een korte maar des te meestelijker Inleiding tot een zijn onderwerp allezins waardigen Feestzang:

 
Schaduwen der groote Zangers, die de Aaloudheid heeft vergood,
 
Zweeft gy somtijds nog op de aarde, van het zichtbaar stof ontbloot,
 
Gy, Amfions, gy Homeren! of (is deze beê te stout,
 
En uw hemelgloed te hevig voor een' boezem, reeds zoo koud,)
 
Gy dan, zanger van Cyrene! zoo gy 't zalig Geestendal
 
Nog betoovert, nog verzaligt, met uw' gouden hemelval;
 
Zoo de luistervaste schimmen zich verdringen by uw lied,
 
Zich verliezen, zich vergeten, waar uw ader bruischt en vliet;
 
Gun, ô gun my dan een vonkjen van het u doortintlend vier!
 
Gun een' naklank van uw galmen aan mijn zwakgestemde lier!
[p. 242]
 
Gun een sprankjen van de volheid aan mijn' dorren adersprong,
 
Die in uw zoo rijke hymnen Febus bakermat bezong!
 
'k Zing een Godheid, uwer waardig, Delos waardig, en uw' toon:
 
'k Zing de Dichtkunst in haar zuster! 'k zing de kunst van
 
't zichtbre schoon.

Maar onder alle die Dichtstukken, bij onderscheidene gelegenheden in geletterde en kunstlievende Maatschappijen voorgedragen, is er geen dat bij het Afscheid haalt, hetwelk de Dichter, in het uitzicht op een naderend einde, in de Amsterdamsche Afdeeling der Hollandsche Maatschappy van Wetenschappen en Kunsten, uitsprak in het rampvolle jaar van 1810. De schoone plaats, waarbij de eerlang zoo hij meende afgeloopen baan dichterlijk,maar tevens met billijke zelfbewustheid herdacht werd, moge hier tot eene proeve volgen:

 
Geleigeest (want ô ja, gy zijt het) van mijn' stam,
 
Gy die van 's Bosfors boord, en waar de kruisaltaren
 
In 't lang verdelgde puin hun beenders nog bewaren,
 
Mijn vaadren in den held dien Segons lans doorstiet, 1
 
Geleid hebt waar de Rhijn den Waal in de armen vliet!
 
Gy, die van eeuw tot eeuw de mijnen nooit verzaakte,
 
In hun, sints Holland wierd, voor Hollands dichtroem waakte,
 
En nog mijn barst ontsteekt in d' Ouderlijken gloed;
 
Getuig gy, of ik ooit ontaartte van mijn bloed!
 
o Hollands Poëzy! wie ooit u heeft gehuldigd,
 
Of wien ge uw hoogsten bloei, zoo glansrijk, zijt verschuldigd,
 
Ook my behoort een deel dier glorie. Ja, ook my!
 
Wie rookte uw outers, wie van al uw priestrenrij,
 
Met zuivrer wierook, of versierde uw Chooraltaren
 
Met edeler gebloemt, met frisscher myrtheblaâren,
[p. 243]
 
Op Tempes heuvels, of aan Peneus boord gegroeid?
 
Wie heeft de Atheensche broos uw Zangster aangeschoeid,
 
Den Siciljaansche halm uw' tempel opgedragen?
 
Wie ijverde om uw' roem door 't wareldrond te schragen,
 
En leerde een vreemde Lier te klinken naar uw' toon,
 
Of vormde in 't diepe Noord bewondraars van uw schoon;
 
Ja, huwde uw melody aan 't lied der Massageten?
 
Maar neen; wat moge ik my op 't fier bestaan vermeten!
 
't Zegt weinig, 't geen ik deed, zoo kiesche en zuivre smaak,
 
Zoo taal en harmonie mijn stoute poging wraak.
 
Doch, leerde ik oor en hart naar d'aanslag van mijn vingeren
 
Zich neigen met den toon, en met de snaren slingeren,
 
Ja, kneedde ik taal en maat met vrije en losse hand;
 
Dan - heb ik iets verdiend by 't zangrig vaderland.
 
 
 
Verdiend? Helaas, te min! enz.

en straks:

 
Des noodlots bliksemslag
 
Verplette' 't arendsjong in 't steigren naar den dag.
 
't Werd, met verlamde wiek en afgeschroeide schachten,
 
Ten hemel afgebonsd om hier in 't stof te smachten:
 
Zijn vleugels uitslaan, was het alles wat het kon.
 
Maar, ook dat uitslaan-zelf wees andren 't spoor der zon.
 
 
 
Mijn vrienden, ziet terug uit de eeuw waarin wy leven
 
Op die my 't aanzijn gaf: toen by den grond te zweven,
 
Toen kruipen, Dichtkunst heette; of liever, rijmerij
 
Naar strenggesmede wet, den naam van Poëzy
 
(Dien Goddelijken naam!) zich eigende en onteerde;
 
Toen Monen op de taal, en Pels de maat regeerde.
 
Een valsche netheid won, gebootst naar Franschen trant,
 
Op Hollands Pindus veld, en kluisterde 't verstand.
 
Ach! Vondels grootheid was verloren, Poot vergeten!
 
Men draafde in stijven tred aan Frankrijks gladde keten,
 
En koude Redekunst, in angstig rijm gekneld,
 
Nam eer en eerplaats in van Dicht- en Lauwerheld.
[p. 244]
 
Toen dreef me een nieuwe geest in 't stoute spoor der Grieken.
 
Mijn boezem vloog in vlam: Met nooit beproefde wieken
 
Verhief ik me, als het kroost des ethers, uit zijn nest
 
Door onbekende drift naar hooger lucht geprest.
 
Vermetel! - Maar het lot bekroont een edel pogen.
 
Men zag mijn nieuwe baan met eerst verbijsterde oogen,
 
Doch volgde allengs: En straks was Dichtkunst meer dan maat;
 
Werd denkbeeld, werd gevoel. Geen louter praalgewaad
 
Der stugge Rethoryk volstond, geen enkle klanken,
 
Hoe kunstig saamgehecht: geen wildverspreide spranken
 
Van geest; maar houding, smaak, maar ware dichtrentoon;
 
En Vondel, lang verguisd, hernam zijn eerste kroon.

In de Winterbloemen intusschen verloor het overschoone Dichtstuk zijn grootste sieraad: het slot. Waarom de Fransche Censuur de plaatsing van dat slot niet toeliet, en het afgeknotte Vers in den genoemden Bondel alleenlijk met een hoopgevend: het Vervolg hierna! mocht verschijnen, werd later openbaar, toen onmiddellijk na des Vaderlands herkregene onafhankelijkheid, hetzelve in zijn geheel werd opgenomen in de Hollands Verlossing. Doch lang te voren was dat waarlijk profetisch gebleken slot in het geheugen en in den mond van zeer velen, die de merkwaardige voorlezing bijgewoond hadden, bewaard gebleven. Wij mogen het ook hier niet achterwege laten:

 
'k Vervulde 't lot. Ik had aan 't Vaderland mijn snaren
 
Gewijd, en, met dit hart, het bloed van uit mijn aâren.
 
'k Betaalde. 't Vloot, verteerde; en, wat my overbleef,
 
Behoort met d' adem 't nog, en, tot zoo lang ik leef.
 
Ik zag dat Vaderland gelukkig. 'k Zag het zinken.
 
'k Zag by zijn' diepen val de woestaardij rinkinken
 
En woelen, als een stoet Bacchanten, die by 't wee
 
Den hemel daavren deên van 't juichend evoë,
[p. 245]
 
En Razernyen door de heiligdommen spoken.
 
Ik zag een morgenrood van nieuwen bloei ontloken!
 
Een' dag beloven, - ach! van redding, ja, van roem!
 
Maar laas! die zon bezweek. Des noodlots ijzren doem
 
Klonk door de ruimte, en sprak: ‘Zij Hollands naam verdwenen!’
 
Wat bleef my sints dat uur, wat kon ik meer dan weenen!
 
De naam van 't Vaderland, van Holland, is geweest.
 
Zie daar mijn laatsten snik; met dien geve ik den geest.
 
Waar Meanders zilvren water door zijn kronkelbochten schiet,
 
Groet de Zwaan haar stervensstonde met een zacht en kwelend lied.
 
Dan, dan zuizen lucht noch stroomen; alles luistert, alles zwijgt,
 
Zelfs het lied der filomelen, waar die toon ten hemel stijgt.
 
Maar wat zingt gy, veege zangzwaan, in uw kabblend stroomgebied?
 
Ach, gy dankt de zuivre plassen, waar zijn volle kruik van vliet!
 
Ach, gy dankt de groene boorden, in wier dons gy rusten mocht,
 
En de loverrijke bosschen, waar gy 's middags schaduw zocht!
 
Wis, gy zingt den frisschen stroomen 't teêr, 't aandoenlijk afscheid toe;
 
En gy doet, geliefde zanger, wat ik op uw voorbeeld doe!
 
Moog, als u het westenwindtjen op uw blaauwe waterbaan,
 
My een zachte dood verrassen, in mijn jongste cyterslaan!
 
Roemen U de stroomnajaden van uw spiegelheldren plas!
 
Slechts één traan in Hollandsche oogen zegg' van my: de dichter was!
 
 
 
Maar gy, broeders,
 
Gij, behoeders
 
Van den Vaderlandschen roem!
 
Mijn verscheien
 
Eischt U schreien,
 
Lijkmuzyk noch offerbloem.
 
 
 
Uit die rustplaats,
 
Uit die lustplaats,
 
Waar mijn ziel de dood ontvliedt,
[p. 246]
 
Ziet zy teder
 
Op u neder,
 
By het stemmen van uw lied.
 
 
 
Leent zy de ooren
 
Aan uw choren,
 
Als gy liefde zingt en echt;
 
Als uw tonen
 
Deugden kronen,
 
Waarheid staven, godsdienst, recht:
 
 
 
Als ze in 't lijden
 
't Wee bestrijden
 
En verduren doen aan 't hart;
 
Moed ontsteken,
 
Helden kweken,
 
Die niet zwichten voor hun smart.
 
 
 
Ach, de dagen
 
Onzer plagen,
 
Lieve broeders, gaan voorby.
 
Uit dit duister
 
Rijst de luister
 
Van een nieuwe heerschappy.
 
 
 
'k Zie de kimmen
 
Reeds ontglimmen
 
Van een nieuw, een Godlijk licht!
 
Op de randen
 
Dezer stranden
 
Straalt zijn glans my in 't gezicht.
 
 
 
Op de randen
 
Van de stranden
 
Van dien onafzienbren vloed,
 
Die dit leven
 
Houdt omgeven,
 
En reeds omzwalpt om mijn' voet.
 
 
[p. 247]
 
'k Heb het vallen
 
Van uw wallen
 
Hollands Ilium, voorspeld;
 
'k Zag het blaken
 
Van uw daken,
 
En uw Hektors neêrgeveld;
 
 
 
De ingewanden
 
Voelde ik branden
 
En verteeren, van die vlam.
 
'k Riep, ik weende;
 
Ja, 'k versteende;
 
Maar de dag des jammers kwam.
 
 
 
Doch verduren
 
Wy deze uren!
 
ô! De toekomst brengt ons troost.
 
Trojes vallen
 
Schiep de wallen
 
Van oud Romes heldenkroost.
 
 
 
Wat verschijne,
 
Wat verdwijne,
 
't Hangt niet aan een los geval.
 
In 't voorleden
 
Ligt het heden;
 
In het nu, wat worden zal.
 
 
 
Opgaan, blinken,
 
En verzinken,
 
Is het lot van ieder dag:
 
En wy allen
 
Moeten vallen,
 
Wie zijn licht bestralen mag.