terug  begin  verderprepost

[Katharina Wilhelmina Bilderdijk geboren Schweickhardt]

Bilderdijk (Katharina Wilhelmina) geboren Schweickhardt. Hare levensgeschiedenis is sedert 18 Mei 1797, de dag harer huwelijksvereeniging met Nederlands Hoofddichter 1, voor het meest begrepen in het zijne. Hem volgde zij als echtgenoot

[p. 356]

en leidsman in de dagen zijner ballingschap en omzwerving: met hem deelde zij, onbezweken in moed en als een voorbeeld van vrouwelijke deugden, liefde en zorg, alle de wederwaardigheden van zijn moeilijken en veel bewogenen levensloop. Niet door zijnen mond en pen alleen is haar dat getuigenis onafgebroken en uit de volheid van een liefdevol hart gegeven; maar ook allen, die haar in het huisselijk leven, in de tegenspoeden, in krankheid, en tot op haar sterfbed gekend hebben, weten er van te spreken, of de lof van Bilderdijk aan zijne gade door liefde vergroot, of eenvoudig verdiend zij geweest.

Van hare levensbevindingen voor haar huwelijk zijn ons geene bijzonderheden bekend. Hare afkomst uit een Duitsch ridderlijk geslacht vermelde Bilderdijk in zijn vers Aan Jonkvrouwe **** by het overhandigen van haar Wapenzegel 1. Haar vader was de met roem in zijn vak bekende Kunstschilder Schweickhardt, wien zij geboren werd te 's Hage op den 3den Julij 1777. In Engeland, waar haar vader sedert 1786 gevestigd was, bracht zij dus hare vroegste jeugd door. Aldaar leerde Bilderdijk haar kennen in het huis harer ouders. Onderscheidene verzen in zijne Mengelpoëzy en Mengelingen zijn aan den omgang met die familie den oorsprong verschuldigd.

Onder de gaven, die van jongs af onze Dichteres onderscheidden, behoorde vooral die der Teekenkunst, waarin zij ook in lateren leeftijd zich met lof en genoegen oefende, in allerlei vrouwelijke handwerken

[p. 357]

en huismoederlijke kundigheden bovendien, en vooral niet minder, te huis.

Hare eerste verzen schreef zij in het Engelsch, in welke taal zij ook de Elfride dichtte, later door haar in het Nederduitsch overgewerkt. Ook zijn nog van hare hand Fransche en Italiaansche Dichtstukken voorhanden van een onmiskenbaar talent. In de eerste dier beide talen schreef zij ook in later leeftijd nog verzen met opgewektheid en gemakkelijkheid 1. Bilderdijk het eerst leerde haar de Hollandsche dichtpen hanteeren. Een geheel nieuwe wijziging onderging daardoor hare oorspronkelijk wel wat bij uitsluiting sombere en weemoedige, iets of wat zelfs naar het sentimenteele hellende geest. Zij was de voornaamste dier kwekelingen, welke de groote Dichter zich gaarne beroemde op vreemd grondgebied voor onze Hollandsche poëzy te hebben gevormd. Men zie hierover de belangrijke Voorrede zijner Poëzy (a0. 1803), in welken Bundel hij een aantal dichterlijke voortbrengselen van deze zijne discipelen in het vak van Dichtkunst, nevens zijne eigene, aan het Vaderland bood. Al wat in die verzameling met de letters C. of W. of S. geteekend is, was het werk van Mej. Schweickhardt, straks Mevrouw Bilderdijk. Hij zelf had onder deze vroegste verzen zijner Echtgenoote veel op met de Zaïde en Almanzor, de Arria en Petus, den Graaf Lauzune (naar Blumauer), de Leonore (naar Burger),

[p. 358]

de Elvire (naar der Dichteresse eigen Engelsch), die wij hier laten volgen:

 
Het aaklig uur van middernacht
 
Kwam over de aard verschijnen:
 
De Noorderwind blies gruwzaam koud:
 
Het maanlicht raakte aan 't kwijnen:
 
't Ontroerde meir rees bergen hoog,
 
En stuifde tot den Hemel:
 
't Gestarnte blonk door neevlig zwart,
 
Met flikkerend gewemel:
 
 
 
Wanneer Elvire, droef te moê,
 
Langs 't eenzaam strand ging zwerven,
 
Waar ze onlangs haren dierbren Gâ
 
Zag aan haar borst besterven:
 
Ach! toen hy daar by d' afscheidsgroet
 
Haar in zijne armen knelde,
 
't Was, of een aaklig voorgevoel
 
Het wreedste lot voorspelde!
 
 
 
Zy denkt dat treurig afscheid na,
 
En voelt haar boezem beven: -
 
Zy buigt haar kniën in het zand,
 
En bidt voor Edwins leven,
 
Zy staroogt op het golvend ruim;
 
't Scheen de afgrond voor heur oogen.
 
Een raaf, het voorspook van een lijk,
 
Kwam af- en aangevlogen!
 
 
 
Zy droeg een klein, beminlijk Wicht,
 
Het pand van Echte weelde,
 
Dat tusschen haar gemaal en zich
 
Haar teder hart verdeelde:
 
Maar thands, in de onrust van haar ziel,
 
Van doodlijke angst bevangen,
 
Bemerkt ze zelfs de lachjens niet
 
Op 's jongskens donzen wangen.
 
 
[p. 359]
 
Zy zucht, en de onbetembre zee
 
Bruischt over dijk en klippen;
 
Zy weent, en 't gantsch Natuurgestel
 
Schijnt aan zijn band te ontglippen!
 
De stormwind giert, de donker kraakt,
 
De starren zijn verdwenen;
 
De rosse bliksem breekt alleen
 
Door 't tastbre duister henen.
 
 
 
Wat mengelt zich voor nieuw geluid
 
Aan 't slaan van golf en winden?
 
Een noodschoot van een verre kiel,
 
Die wind en golf verslinden.
 
Een tweede galmt op 't strand weêrom,
 
En dondert in heur ooren:
 
‘Ach (roept ze en zijgt op d' oever neêr)!
 
Mijn Edwin is verloren.’
 
 
 
Nu heeft haar borst geen ademtocht,
 
Geen traantjen laaft hare oogen;
 
De schrik des doods heeft mond en kaak
 
Met loodverf overtogen!
 
Helaas! wat is de stormwind koud.
 
Hoe kil de regendroppen!
 
Een murmlend zuchtjen treft haar oor,
 
En doet haar hart weêr kloppen.
 
 
 
‘Lief knaapjen (roept zy tot het Wicht
 
Dat ze aan haar boezem drukte),
 
Ach, dat de dood, en u, en my,
 
Ons gruwzaam lot ontrukte!
 
Lief knaapjen (sprak zy, daar zy 't Wicht
 
Met koude lippen kuste),
 
Ach, dat ge in mijnen arm in 't graf
 
By uwen Vader rustte!’
 
 
 
Nu drukt zy 't teder knaapj' aan 't hart,
 
Helaas! hoe koud die boezem! -
 
Ach, stoofde ooit kille hagelsteen
 
Een pas ontloken boezem! -
[p. 360]
 
Nu ziet zy by een flaauwen straal
 
Die door een wolk kwam breken,
 
Hoe 't minlijk Wicht zijne oogjens sluit,
 
Op haren arm bezweken.
 
 
 
‘Slaap zacht, mijn Engel, slaap gerust
 
Tot dat de morgen glore.
 
Ach (roept ze) dat de ontzetbre wind
 
Mijns kindjens slaap niet stoore!’ -
 
Misleide, teedre Moeder! - neen,
 
Hem zal geen stormwind wekken;
 
Bespeurdet ge ooit in 't sluimrend Wicht
 
Die sombre doodsche trekken?
 
 
 
Nu speurt ze in 't kind geen adem meer;
 
Voelt al haar leden beven;
 
Dan twijflend, staart ze op 't bleek gelaat. -
 
Hy heeft den geest gegeven!
 
Geen bliksemschicht die ooit zoo trof,
 
Als dit, haar schrikkend harte!
 
Haar bloed verstijft, zy zwijmt; maar ach!
 
Herleeft voor gruwbrer smarte.
 
 
 
Zy laat het oog, 't wanhopig oog,
 
Rondom haar henen dwalen;
 
Maar ach, wat voorwerp doet zich op
 
By de eerste morgenstralen!
 
Van verre ziet ze op 't schuimend strand
 
Een lijk het spel der golven;
 
Dan ligt het op den oever neêr,
 
Dan weêr in 't nat bedolven.
 
 
 
Nu woelt het bruischend nat te rug',
 
Zy aarzelt toe te treden;
 
Wijkt driemaal af, stapt driemaal toe
 
Met wankelende schreden.
 
Nu grijpt zy moed, genaakt het lijk,
 
Herkent haars Egaas trekken,
 
En zoekt, van schrik geheel ontzind,
 
Hem uit zijn slaap te wekken.
 
 
[p. 361]
 
Rampzalige! - ach, geen vuurge kus
 
Herroept hem weêr in 't leven!
 
En o! wat blijft u over! - Niets,
 
Dan aan zijn zij' te sneven. -
 
Ze omvat het Wicht en Edwins lijk,
 
En klemt zich om die beiden;
 
Een golf rukt aan en spoelt hen weg,
 
Om nimmer weêr te scheiden.

Voor het overige zijn de meeste Gedichten der begaafde Poëtesse in dien zelfden Bundel uitboezemingen van teder en heilig vrouwelijk gevoel. Tot proeve verstrekke het Moederlijk Genoegen (D. III, bl. 61):

 
Verkwikkend valt, o Zon, uw straal
 
Op 't nat bedaauwde veld,
 
Wanneer ge in purpren Koningspraal
 
Auroraas koets verzelt.
 
Maar meer verrukkend was, mijn Wicht,
 
Dat uur vol zaligheên,
 
Wanneer u 't eerste morgenlicht
 
Aan mijne borst bescheen!
 
 
 
Hoe eindloos streelend is 't voor 't oog,
 
Als, dwalende in de nacht,
 
Hem, die zich op zijn pad bedroog,
 
De morgen tegenlacht!
 
Maar 't haalt nog by die wellust niet,
 
Die 't Moederhart ontspruit,
 
Als zy voor 't eerst dat oogjen ziet
 
Dat hare Telg ontsluit!
 
 
 
De morgenster is minder zoet,
 
Die 't minnend paar zich toont,
 
Dat haar als Dagheraut begroet,
 
Die hunne min bekroont,
[p. 362]
 
Dan my, o lief beminlijk Wicht,
 
Die straal vol tooverkracht,
 
Die me uit uws Vaders fier gezicht
 
In 't uwe tegenlacht!
 
 
 
Daar 'k u, o dierbre zuigeling,
 
In mijnen arm omvat,
 
Bezit geen Vorst in d' aardschen kring
 
Een grooter, kostbrer schat!
 
Men roem de pracht van 't Morgenland,
 
Het goud van Indus kust,
 
Gy zijt me, ô tederst Liefdepand,
 
Een grooter oogenlust!
 
 
 
Die lach, die op uw lipjens speelt,
 
Herroept me uws Vaders lach,
 
Waardoor 'k zoo gantsch, zoo onverdeeld,
 
Mijn hart veroverd zag.
 
Zoo ziet men u, o zilvren Maan,
 
Van d' achtbren Hemeltrans,
 
In 't beekkristal te spieglen staan,
 
Met de eigen praal en glans!
 
 
 
Hoe heilrijk in de zandwoestijn
 
Moet laafnisvolle bron
 
't Van dorst versmachtend harte zijn,
 
By 't blaakren van de Zon!
 
Maar 't is voor my nog meer geluk,
 
Als mijn zoo dierbaar kind,
 
Wanneer ik 't aan mijn boezem druk
 
Zijn voedend teugjen vindt!
 
 
 
o Dat u, eens, onnoozel Lam,
 
Des Warelds bittre kelk
 
Zoo schaadloos aan de lippen kwam
 
Als zuivre Moedermelk! -
 
Dan ach! - hoe schittrend ze ooit mocht zijn,
 
Vergiftigd was heur dronk;
 
En, hoe genegen 't lot ook schijn,
 
't Is alsem, wat zy schonk!
 
 
[p. 363]
 
Mocht gy dien teug, aan elk bereid,
 
Dien alsemdronk, ontvliên,
 
Die u des Warelds ijdelheid
 
Zoo streelend aan zal biên!
 
Dan ach! mijn ziel ontroert, mijn Wicht,
 
Daar ze aan het lokaas denkt,
 
Dat op de onzalige aard, zoo licht
 
De deugd des harten krenkt!
 
 
 
Ach, kon mijn hart u veilig hoên
 
Voor dat vervoerend zoet! -
 
Voor driften die verwoestend woên! -
 
Voor 's boezems teêrsten gloed! -
 
Ja, voor dat zacht gevoel van 't hart,
 
Tot heil ons meêgedeeld,
 
Maar, dat zoo zelden iets dan smart,
 
Dan ramp en onheil teelt!
 
 
 
Ach! dat ik u dien Englenlach,
 
Die me op uw mondj' ontmoet,
 
Nooit minder schuldloos sieren zag!
 
Wat waar dat uitzicht zoet!
 
Dan ach! zie de onbewolkte Maan:
 
Hoe blank zy ons beschijn',
 
Zoo ras haar de aard voorby zal gaan,
 
Zal zy bezoedeld zijn.
 
 
 
Ik ijs, mijn Wichtjen! - maar, wat beeft,
 
Wat ducht het Moederhart? -
 
Hy die u schiep, mijn dierbre! leeft;
 
Hy deelt ook vreugd en smart. -
 
Zijn Englen zweven om u heen!
 
Voorzienigheid, Uw zorg
 
Is my voor 't pand, U afgebeên,
 
Voor zijn geluk, ten borg!

In het Vaderland terug gekeerd gaf de geduchte ramp der dijkbreuken in het begin van 1809 aan de

[p. 364]

Dichteres aanleiding tot een Treurzang op die ontzettende gebeurtenissen, te zamen met eene Romance in twee Zangen, onder den titel van: Overstrooming, in het licht gegeven. Zij droeg het Deeltje op aan haren Gemaal met de volgende Coupletten, die hare toenmalige gemoedsrichting, in onderscheiding van de latere stellig en levend Christelijke, eigenaartig uitdrukken:

 
Zoo nooit mijn boezem heil genoot,
 
Dan wat uw hart met my mocht deelen;
 
Zoo nooit een wensch mijn borst ontvlood,
 
Waarvan 't genot niet u zou streelen;
 
Zoo de aard my niets verlokkends biedt;
 
Ja, zoo ik heel de wareld vlied,
 
Om in uw liefde alleen te leven;
 
Zoo ik u 't al te danken heb,
 
Waaruit ik de eedle wellust schep
 
Die boven de aarde heen doet zweven:
 
 
 
Zoo ons een zelfde vuur doorgloeit;
 
Uw min, my 't leven leerde smaken,
 
Toen alles wat aan 't leven boeit,
 
My slechts naar 't stille graf deed haken;
 
Zoo gy dien sluier hebt gelicht
 
Van voor mijn kwijnend aangezicht,
 
Die de aard me in duister zwart omhulde;
 
Zoo gy de vonk me ontgloeide in 't hart,
 
Waar door my 't aanzijn leven werd;
 
Ja, zoo gy heel dat hart vervulde:
 
 
 
o Laat my dan aan uwe borst,
 
Om Hollands rampen, tranen plengen
 
En, zoo ik klanken wagen dorst,
 
o Laat my ze u ten offer brengen!
[p. 365]
 
Gy kent dit al te weeke hart:
 
Voor vreugde kiest het teedre smart;
 
Wat toch is 't aardsche vreugdgenieten?
 
Neen, d' aard ontscholen en 't gewoel,
 
Smaak ik in 't streelend smartgevoel,
 
De wellust van het tranenvlieten.
 
 
 
Dat hy die wil, de smart ontvliê!
 
Ik voel de weldaad van het weenen:
 
En, wien ik tranen storten zie,
 
Met dien kan zich mijn hart vereenen.
 
Wat heil ook andren juichen doe;
 
Dit, dit (gy weet het) lacht my toe,
 
Wat voedsel aan mijn' rouw mag geven;
 
Daar is een smart, die niets vertroost!
 
Ach! 't schreien om ons dierbaar kroost,
 
Geen andre wellust, heeft het leven!
 
 
 
Wat wonder dan, mijn Echtgenoot,
 
Zoo hier mijn tonen treurig klinken;
 
'k Mocht in 't gezicht van nood en dood,
 
De smart met volle teugen drinken:
 
Ik deelde 't foltrendst hartewee
 
Met die ontroosbre moeder meê
 
Die alles in haar kroost moest derven:
 
Ik voelde wat de gade leed
 
Die 't lot den zegen missen deed,
 
Van aan haars Egaas borst te sterven.
 
 
 
Mijn ziel, door dankbre vreugd geroerd,
 
Zag in het felst van al de ellende,
 
Een schutsgeest, door Gods arm gevoerd,
 
Die de ijslijkheên des noodlots wendde.
 
Ik zag den teêrgeliefden Vorst
 
Van deernis gloeien in de borst,
 
En 't leven voor zijn kindren wagen.
 
Ja, schatte ik steeds zijn weldaân hoog,
 
In hem zag mijn bewondrend oog
 
Een' Engel, ons ter redding, dagen.
 
 
[p. 366]
 
Mijn Cyther was van 't weenen nat;
 
Ik voelde my de vingers beven.
 
Mijn borst die naauwlijks adem had,
 
Zocht haar beklemming lucht te geven.
 
Gewis! voor velen zing ik niet:
 
Wie hoort er naar des weedoms lied?
 
Wie schrikt niet voor 't Cypressenlover?
 
Neen!'t zuizlend hoofd met myrth omkranst,
 
En in des warelds kring geglansd!
 
Wat bleef er voor 't gevoel meer over. -
 
 
 
Wat zeg ik? - Neen, het Hollandsch bloed
 
Bleef nog by velen onverbasterd.
 
Wie Hollands deugd geen hulde doet,
 
Heeft God in 't Hollandsch hart gelasterd.
 
Reeds vloeit, en vliet, en stroomt om strijd,
 
En hulp en schat van wijd en zijd;
 
En 't klaaggeschrei houdt op der armen,
 
De lucht weergalmt van 't dankgebed;
 
De Algoedheid heeft de ellend gered!
 
Zy zegent Nederlands erbarmen!
 
 
 
Dan, wien mijn toon te treurig klink',
 
Mijn boezem kan zich niet verzaken;
 
Hoe schoon des warelds eerloof blink',
 
Ik durf naar andre lauwren haken!
 
Gy, die my plaats houdt van 't Heelal,
 
Neem, voor dien vloed van hemelval,
 
Mijn hart van 't uwe toegevloten,
 
Dees al te schralen teug ten dank:
 
Zy vloeit uit geen oneedle sprank,
 
Maar is uit uwe bron gesproten.

Haar deel in de tijdens de regering van Koning Lodewijk uitgegevene Treurspelen door Bilderdijk, werd reeds bij de vermelding zijner Werken te ken-

[p. 367]

nen gegeven 1. Hij kenschetste den aart van beider poëzy bij die gelegenheid met de volgende Dichtregelen in de Band van het Eerste Deel dier Treurspelen:

 
Geliefde, wier boezem den mijnen verstaat,
 
Wier zang op mijn Luitsnaar als wederklank slaat;
 
Wier hart met het mijne weêrkeerig ontgloeit,
 
En over en weder, in d'adem hervloeit!
 
Beschouw hier uw kunstkind, aan 't mijne gepaard.
 
Het een houdt uw zachtheid, uw teêrheid van aart,
 
Het ander mijn bruischen en somberheid in,
 
Maar beiden, ons beider vereenigden zin.
 
ô Smolt ieder spruitjen, de vrucht onzer koets,
 
Ons beiden zoo samen in 't mengsel zijns bloeds!
 
ô Toonde 't uw zachtheid, vermengd met mijn kracht,
 
Mijn blik als ik fronsel, uw' mond als gy lacht!
 
En spreidde 't voor waarheid, voor deugd, en voor schoon,
 
De vlam van ons beiden op 't voorhoofd ten toon!

In later leeftijd zagen nog twee, geheel oorspronkelijke Treurspelen van Mevrouw Bilderdijk, met eene Voorrede van haren Echtgenoot het licht: de Dargo op oud-Schotsch, de Ramiro op Spaansch-Moorsch grondgebied, beide uitgelokt door de Prijsuitschrijving der Tweede Klasse van het Instituut, a0. 1816. Aan het eerstgemelde dezer Tooneelstukken gaf de bekende beoordeeling der Klasse, aan het tweede gaf Bilderdijk de voorkeur. De Ramiro zekerlijk bezit schoonheden van een gantsch bijzonderen aart.

In 1813 gaf de Dichteres een Bundeltje Gedichten voor Kinderen, dat, hoewel op verre na niet zoo alge-

[p. 368]

meen bekend en gezocht, als dat van den in dezen niet licht overtroffen Van Alphen, evenwel in 1824 ten derden male gedrukt werd. Van hare manier in dit minder schitterende dan nuttige en voor een moederlijk hart zoo belangrijke vak, moge het volgende tweetal een denkbeeld geven. In het eerste wordt Geduld en Lijdzaamheid door het voorbeeld eener kleine spin aangeprezen:

 
Een kleine spin had eens haar net
 
In 't open venster opgezet,
 
En spon daar altijd vlijtig toe,
 
En werd haar arbeid nimmer moê.
 
Zy had een keurig net gemaakt
 
Aan duizend hoekjens vastgehaakt,
 
Wanneer het door de kamermaagd
 
Met éénen streek werd weggevaagd.
 
Gelukkig had zij overleg,
 
En school zich in een hoekjen weg. -
 
Maar toen de maagd was weggegaan
 
Vong zy op nieuw een weefsel aan
 
En had met de eigen nettigheid
 
Haar draadjens weêr op nieuw geleid,
 
Wanneer Fidel, de kleine hond,
 
Die naar een vlieg te happen stond.
 
Op eens zijn kop door 't weefsel stak
 
En al de fijne ragjens brak. -
 
Nog werd de spin niet moedeloos,
 
Maar vatte na een korte poos
 
Haar arbeid op met de eigen lust
 
Als of zy nimmer werd ontrust,
 
Ja schoon zy telkens werd gestoord,
 
Toch spon zy telkens vlijtig voort. -
 
 
 
Kom hier, gy lieve kleine meid,
 
En zie eens diertjens nijverheid;
[p. 369]
 
En, als Mama u taakjens zet,
 
En gij niet op uw arbeid let,
 
Of dat ge u al te haastig rept,
 
En 't geen gy naait verbroddeld hebt,
 
En moet dan weer van nieuw af aan
 
Beginnen wat gy hebt gedaan,
 
Toon dan geen onwil of verdriet;
 
Want brave kindren doen dit niet.
 
En zoo gy ooit iets leeren wilt,
 
Zoo acht die moeite niet verspild,
 
Maar sla het spinnekopjen gâ
 
En denk op haar geduld eens na.
 
Begin de taak, u opgeleid,
 
Met de eigen lust en lijdzaamheid:
 
Want alles valt wel eens zoo licht,
 
Het geen men met geduld verricht.

Het andere heet het Onweder:

 
Hoe! gy siddert, dierbaar knaapjen
 
Als gy 't onweêr raatlen hoort!
 
Schrik niet: onder 's Almachts vingren
 
Rolt die zware donder voort.
 
 
 
Ziet ge uit saamgepakte wolken
 
't Slingren van het bliksemvuur;
 
Hoort gy aard en hemel kraken;
 
Denk dan aan God albestuur.
 
 
 
Immers zorgt die wijze Vader
 
Voor zijn kindren hier beneên.
 
Wat er ooit op aard gebeure,
 
Zijne zorg vergeet er geen.
 
 
 
Wees dan moedig, lieve jongen,
 
Als een' braven knaap betaamt;
 
En verban dat ijdel schrikken,
 
Dat een kloek verstand zich schaamt.
 
 
[p. 370]
 
Geef, uit waanziek zelfbetrouwen,
 
U nooit roekloos in gevaar:
 
Schuw den roem des onbedachten,
 
Die geen moed, maar moedwil waar.
 
 
 
Doch, waar ooit gevaren dreigen,
 
Stel u daar Gods Almacht voor!
 
Die gerust op God vertrouwen
 
Stelt Zijn goedheid nooit te loor.

In de Dichtbundels, door Bilderdijk uitgegeven na de gezegende gebeurtenissen in 1813, 1814 en 1815, had, als wij vroeger aanteekenden, ook zijne Egade een aanzienlijk deel. In de Vaderlandsche Uitboezemingen, onder anderen, wisselde de zachte vrouwelijke stem telkens zijne forscher toonen af. De Hollandsche vrouw en moeder sprak intusschen daarbij niet minder bezielend en moedwekkend; dus, b.v. in de Opwekking:

 
Hoe! naauwlijks rijst de zon der vreê,
 
Die 't Vaderland herleven deê
 
Na zulk een reeks van lijden;
 
Of 't schrikgedrocht, den boei ontvloón,
 
Durft weêr op d' overheerschten throon
 
En God en de aard bestrijden! -
 
 
 
Hoort, Neêrlands braven, hoort het aan!
 
Hoe die vermetele in zijn' waan
 
Met Hemel spot en menschen! -
 
Met gouden kroon op 't stalen hoofd,
 
Zich 's warelds heerschappij belooft,
 
Het doel van al zijn wenschen!
 
 
 
Nu 't purperkleed zijn borst omplooit,
 
De diadeem zijn schedel tooit,
 
Buigt alles voor zijn voeten!
[p. 371]
 
En Frankrijks laffe moordrenhoop
 
Die straks voor 't wettig throonrecht kroop,
 
Durft hem als meester groeten!
 
 
 
Hij heft den trotschen blik omhoog,
 
Omvademt reeds met vlammend oog,
 
Europaas verste stranden;
 
En lacht het uur al grijnzend toe,
 
Dat hy op nieuw zijn geesselroê
 
Zal zwaaien op uw stranden!
 
 
 
Vliegt toe! o Hollands jeugdig bloed,
 
Met naauwvereende kracht en moed,
 
Als 't voegt aan Batoos telgen!
 
Vliegt toe! en slaat de handen saam,
 
En zweert by Koning Willems naam
 
Den Dwingland uit te delgen!
 
 
 
Mijn Zoon! wat vuurgloed verft uw wang,
 
Op 't smartlijk ziekbed sints zoo lang
 
Met kwijnend bleek betogen? -
 
Wat vuurgloed tintelt in uw oog? -
 
Wat zwoeging jaagt uw borst omhoog? -
 
Neen, 'k heb my niet bedrogen!
 
 
 
Gy zijt uw naam, uw Vader, waard,
 
Reeds grijpt uw hand naar 't oorlogszwaard;
 
En, bliksems zal het slingeren,
 
Wanneer gy 't onrecht gaat te keer,
 
Daar Vaderland, en plicht, en eer
 
Het vastklemt in uw vingeren!
 
 
 
In d' overvloed niet opgekweekt!
 
Van weeldes koestring niet doorweekt,
 
Verhardet ge u voor 't strijden:
 
En op der braven spoor geleid
 
Werdt gy van de eerste jeugd bereid
 
Den plicht uw bloed te wijden.
 
 
[p. 372]
 
ô Lievling aan het Oudrenhart;
 
Nog eindloos dierbrer om de smart
 
Ons noodlot doorgeweven!
 
Wiens braafheid ons in 't prangendst leed,
 
Zoo vaak den hemel smaken deed,
 
En zegen gaf aan 't leven!
 
 
 
Geef, geef niet op mijn tranen acht!
 
Ik stort geen weeke jammerklacht;
 
Dit waar de Godheid honen:
 
Maar tranen zijn het, God gewijd,
 
Omdat ge uw afkomst waardig zijt,
 
En 'k ruil ze voor geen kroonen!
 
 
 
o Trek dan in de wacht van God!
 
Hy, Hy- alleen beschermt uw lot,
 
En 't zal ons zegen wezen.
 
Wie zich betrouwt aan Gods bestuur,
 
Dien draagt der Englen hand door 't vuur;
 
Die heeft geen staal te vreezen!
 
 
 
Nooit stelt gy onze hoop te loor!
 
Nooit wijkt gy van der deugden spoor!
 
Dit 's alles wat wy smeeken!
 
Wie steeds verleiding weêrstand biedt,
 
Weet by gevaar noch doodsmart niet
 
Van siddren of verbleeken!
 
 
 
Welaan dan! blake u de oorlogsgloed!
 
't Is niet de kracht, die wondren doet,
 
Al kent zy perk noch palen.
 
In moed bestaat de ware kracht,
 
Die dwingelanden t' onderbracht
 
En laauwren doet behalen.
 
 
 
Welaan! U onzen arm ontscheurd!
 
De zee met Frankrijks bloed gekleurd,
 
Zoodra de wimpels wapperen!
[p. 373]
 
Welaan! het slagzwaard aangesnoerd,
 
En roem', wie u ten strijde voert,
 
Uw naam by Neerlands dapperen!

Afzonderlijk gaf zij nog in 1814 een Dichtstuk op den Moord van Woerden, in 1817 eene te Gend met goud bekroonde Cantate: Gedenkdag der zege van Waterloo, in het licht.

In de Bundels van 1818 en 1819: Wit en Rood en Nieuwe Dichtschakering, leverde de Dichteres menig belangrijk stuk in meer dan één vak; in de eerst genoemde Verzameling (D. I. bl. 145) het schoone lied, Berusting:

 
Mijn steun is niet
 
Het zwakke riet,
 
Dat afknakt by de hand in 't worstlen met de stroomen,
 
En, valsche toevlucht in den nood,
 
Den bangen drenkling in den schoot
 
Van 't overstelpend nat, bedrieglijk om laat komen.
 
 
 
Mijn hoop geen beeld
 
Uit waan geteeld,
 
Dat ons verbeelding schept voor de overnevelde oogen;
 
Geen wezen dat me ontzinken zal
 
Als, by de wrakken van 't heelal,
 
Het aardschgezinde hart zijn uitzicht vindt bedrogen.
 
 
 
Oneindig Een!
 
Gy, gy alleen,
 
Zijt d' arme, steun en hoop, door 't lijden neergebogen.
 
Ja, Gy-alleen, wiens mond niet liegt,
 
Gy, die by de uitkomst niet bedriegt,
 
Blijft my onwrikbaar by, van liefde en macht omtogen!
 
 
[p. 374]
 
Als 't argloos wicht,
 
Zijne oogjens richt
 
Met zorgeloozen lach, op 't oog der teedre moeder;
 
Zoo zie ik, Vader, tot u op,
 
En blijf, by elken harteklop
 
Gerust in uw bestuur, genadige Albehoeder!
 
 
 
Drukte ooit een smart
 
Me op 't weeke hart,
 
Nooit leed ik, wat my thands met elken nieuwen morgen,
 
In spijt van d'onderwerpingsplicht,
 
Doet schrikken voor het dagend licht,
 
Dat immer zwanger gaat met wisseling van zorgen.
 
 
 
Als de avond daalt,
 
Die 't schuifdoek haalt
 
Op 't schreiende gelaat, en de oogen sluit voor 't weenen;
 
Niets deelt ze my dan dubbeld weê
 
Op 't nat beschreide peuluw mee,
 
En hartbeknellende angst zweeft rustloos om my henen.
 
 
 
ô Moeders, gy,
 
Gevoelt voor my!
 
Beseft wat zy verduurt, die met een moeders teêrheid,
 
Om 't kind, aan eigen borst gevoed,
 
Om dobbrende op den hollen vloed,
 
Met hartdoorwroetende angst zich elken avond neêrleit!
 
 
 
Gevoel het, hoe
 
Zy is te moê,
 
Wanneer de stormwind giert, die muur en trans doet beven!
 
Wat angst haar 't siddrend hart doorknaagt,
 
Wanneer dat weeke hart zich vraagt,
 
Waar, waar de lievling zwerft, haar dierbrer dan het leven?
 
 
 
Geen andwoord! neen,
 
Zy hoort alleen
 
Het woeste windgebons; en 't hart herhaalt die slagen
[p. 375]
 
Die de aard doen schudden op haar as,
 
Verwoesting langs d'ontembren plasch,
 
En de ijzing van het graf haar door den boezem jagen!
 
 
 
Hier kent men eerst,
 
Hier voelt men teerst,
 
Hoe naauw de banden zijn die 't moederharte trekken.
 
Neen, nooit treft de onmacht ons zoo zwaar,
 
Dan als we in 't uur van doodsgevaar
 
De handen, als geboeid, vergeefs tot noodhulp strekken!
 
 
 
Hoe hard dit zy,
 
Hier voelen wy
 
In de inspraak van den plicht het blijk van Gods ontferming:
 
Gewis, zy vloog door nood en dood,
 
Die 't hart voor deze plichtstem sloot,
 
Den dierbren zwerver na, tot bijstand en bescherming.
 
 
 
Bescherming? God!
 
't Ware u bespot,
 
In dezen afhankelijkheid, ons, machteloozen wormen,
 
Het hart te vleien met den waan,
 
Als konden zij uw hand weêrstaan,
 
En de afgrond kalm doen zijn by de opgeruide stormen!
 
 
 
Hier baat geen moed!
 
Geen vlietend bloed,
 
By zeeën uitgeplengd, kan de overdierbre nutten!
 
Geen tranen, talloos als het zand
 
Van 't onafmeetbaar oeverstrand,
 
Hem in den noodorkaan voor 't doodsgevaar beschutten.
 
 
 
Wat rest er dan?
 
Die redden kan
 
Te storten aan den voet met kinderlijk vertrouwen.
 
Ja, Vader, zie ons voor uw throon!
 
Behoed Gy dien beminden zoon,
 
In wien we 't kostbaarst pand van uwe gunst aanschouwen.
 
 
[p. 376]
 
Gy, Almacht, leeft,
 
Die palen geeft
 
Aan 't woelen van de zee, en storm en onweer kluistert
 
Door wien in 't hevigst van d'orkaan,
 
De kielen even veilig gaan
 
Als wen op d' effen plasch het avondwindtjen fluistert.
 
 
 
De stormwind hoort
 
Nog 't zelfde woord,
 
Dat Galileaas meir in 't woeden deed bedaren!
 
Gy, die dat meir ten voetkleed naamt,
 
En 't kleinst geloof ook niet beschaamt,
 
Gy zult ons kind behoên, in 't barnen der gevaren!

En (D. II. bl. 65) de Ralowsburg, met dezen aanhef:

 
Lieflijk wemelt de avondsluier by des zonlichts afscheidgroet,
 
Ralow, op uw witte muren, zachtjens scheemrend van zijn gloed.
 
Prachtig blaken dak en transen van het tintlend avondgoud:
 
En aandoenlijk ruischt het lover van uw donker eikenwoud,
 
's Hemels blozend aanschijn spiegelt in den plas die u omspoelt,
 
Daar hy met zijn zilvren golven dartlend om uw zuilen woelt.
 
Heerlijk staat gy daar verheven, burg wien eeuw bij eeuwen heugt.
 
Lachend staan uw weitsche velden als in 's aardrijks prilste jeugd.
 
Geurig mengt zich thijm en klaver op uw weiden onder een:
 
En uw halmen golven statig als onoverzienbre zeên.
 
Druif en perzik gloeien schittrend langs uw bloeiend wandelpad,
 
Daar de dartle goudvisch vonkelt door uw spieglend vijvernat.
 
't Fluitend sijsjen paart zijn tonen in het lommer van d' abeel,
 
Aan de roerende orgelklanken van de zachte filomeel.
 
Van het vroegste morgenkrieken tot de dag haar ronde sluit,
 
Galmen veld, en bosch, en dalen, van de zoetste herdersfluit,
 
Van het dof geloei der kudden, van des maaiers blijden toon,
 
En van 't maagdlijk vreugdgeschater. - Burg van Ralow, gy zijt schoon!
 
Dan, hoe schittrend ge ook moogt wezen, hoe beroemd ook, wijd en zijd,
 
Hooger klom uw roem en grootheid in voorouderlijken tijd!
 
Neen, toen dartelden uw zonen niet zoo werkloos om, by 't vee:
 
Waar is thans die lust, die ijver, die hun boezems zwoegen deê?
[p. 377]
 
Toen, toen dampten nog uw rossen voor geen glimmende akkerploeg: