Bilderdijk (Katharina Wilhelmina) geboren Schweickhardt. Hare levensgeschiedenis is sedert 18 Mei 1797, de dag harer huwelijksvereeniging met Nederlands Hoofddichter 1, voor het meest begrepen in het zijne. Hem volgde zij als echtgenoot
en leidsman in de dagen zijner ballingschap en omzwerving: met hem deelde zij, onbezweken in moed en als een voorbeeld van vrouwelijke deugden, liefde en zorg, alle de wederwaardigheden van zijn moeilijken en veel bewogenen levensloop. Niet door zijnen mond en pen alleen is haar dat getuigenis onafgebroken en uit de volheid van een liefdevol hart gegeven; maar ook allen, die haar in het huisselijk leven, in de tegenspoeden, in krankheid, en tot op haar sterfbed gekend hebben, weten er van te spreken, of de lof van Bilderdijk aan zijne gade door liefde vergroot, of eenvoudig verdiend zij geweest.
Van hare levensbevindingen voor haar huwelijk zijn ons geene bijzonderheden bekend. Hare afkomst uit een Duitsch ridderlijk geslacht vermelde Bilderdijk in zijn vers Aan Jonkvrouwe **** by het overhandigen van haar Wapenzegel 1. Haar vader was de met roem in zijn vak bekende Kunstschilder Schweickhardt, wien zij geboren werd te 's Hage op den 3den Julij 1777. In Engeland, waar haar vader sedert 1786 gevestigd was, bracht zij dus hare vroegste jeugd door. Aldaar leerde Bilderdijk haar kennen in het huis harer ouders. Onderscheidene verzen in zijne Mengelpoëzy en Mengelingen zijn aan den omgang met die familie den oorsprong verschuldigd.
Onder de gaven, die van jongs af onze Dichteres onderscheidden, behoorde vooral die der Teekenkunst, waarin zij ook in lateren leeftijd zich met lof en genoegen oefende, in allerlei vrouwelijke handwerken
en huismoederlijke kundigheden bovendien, en vooral niet minder, te huis.
Hare eerste verzen schreef zij in het Engelsch, in welke taal zij ook de Elfride dichtte, later door haar in het Nederduitsch overgewerkt. Ook zijn nog van hare hand Fransche en Italiaansche Dichtstukken voorhanden van een onmiskenbaar talent. In de eerste dier beide talen schreef zij ook in later leeftijd nog verzen met opgewektheid en gemakkelijkheid 1. Bilderdijk het eerst leerde haar de Hollandsche dichtpen hanteeren. Een geheel nieuwe wijziging onderging daardoor hare oorspronkelijk wel wat bij uitsluiting sombere en weemoedige, iets of wat zelfs naar het sentimenteele hellende geest. Zij was de voornaamste dier kwekelingen, welke de groote Dichter zich gaarne beroemde op vreemd grondgebied voor onze Hollandsche poëzy te hebben gevormd. Men zie hierover de belangrijke Voorrede zijner Poëzy (a0. 1803), in welken Bundel hij een aantal dichterlijke voortbrengselen van deze zijne discipelen in het vak van Dichtkunst, nevens zijne eigene, aan het Vaderland bood. Al wat in die verzameling met de letters C. of W. of S. geteekend is, was het werk van Mej. Schweickhardt, straks Mevrouw Bilderdijk. Hij zelf had onder deze vroegste verzen zijner Echtgenoote veel op met de Zaïde en Almanzor, de Arria en Petus, den Graaf Lauzune (naar Blumauer), de Leonore (naar Burger),
de Elvire (naar der Dichteresse eigen Engelsch), die wij hier laten volgen:
Voor het overige zijn de meeste Gedichten der begaafde Poëtesse in dien zelfden Bundel uitboezemingen van teder en heilig vrouwelijk gevoel. Tot proeve verstrekke het Moederlijk Genoegen (D. III, bl. 61):
In het Vaderland terug gekeerd gaf de geduchte ramp der dijkbreuken in het begin van 1809 aan de
Dichteres aanleiding tot een Treurzang op die ontzettende gebeurtenissen, te zamen met eene Romance in twee Zangen, onder den titel van: Overstrooming, in het licht gegeven. Zij droeg het Deeltje op aan haren Gemaal met de volgende Coupletten, die hare toenmalige gemoedsrichting, in onderscheiding van de latere stellig en levend Christelijke, eigenaartig uitdrukken:
Haar deel in de tijdens de regering van Koning Lodewijk uitgegevene Treurspelen door Bilderdijk, werd reeds bij de vermelding zijner Werken te ken-
nen gegeven 1. Hij kenschetste den aart van beider poëzy bij die gelegenheid met de volgende Dichtregelen in de Band van het Eerste Deel dier Treurspelen:
In later leeftijd zagen nog twee, geheel oorspronkelijke Treurspelen van Mevrouw Bilderdijk, met eene Voorrede van haren Echtgenoot het licht: de Dargo op oud-Schotsch, de Ramiro op Spaansch-Moorsch grondgebied, beide uitgelokt door de Prijsuitschrijving der Tweede Klasse van het Instituut, a0. 1816. Aan het eerstgemelde dezer Tooneelstukken gaf de bekende beoordeeling der Klasse, aan het tweede gaf Bilderdijk de voorkeur. De Ramiro zekerlijk bezit schoonheden van een gantsch bijzonderen aart.
In 1813 gaf de Dichteres een Bundeltje Gedichten voor Kinderen, dat, hoewel op verre na niet zoo alge-
meen bekend en gezocht, als dat van den in dezen niet licht overtroffen Van Alphen, evenwel in 1824 ten derden male gedrukt werd. Van hare manier in dit minder schitterende dan nuttige en voor een moederlijk hart zoo belangrijke vak, moge het volgende tweetal een denkbeeld geven. In het eerste wordt Geduld en Lijdzaamheid door het voorbeeld eener kleine spin aangeprezen:
Het andere heet het Onweder:
In de Dichtbundels, door Bilderdijk uitgegeven na de gezegende gebeurtenissen in 1813, 1814 en 1815, had, als wij vroeger aanteekenden, ook zijne Egade een aanzienlijk deel. In de Vaderlandsche Uitboezemingen, onder anderen, wisselde de zachte vrouwelijke stem telkens zijne forscher toonen af. De Hollandsche vrouw en moeder sprak intusschen daarbij niet minder bezielend en moedwekkend; dus, b.v. in de Opwekking:
Afzonderlijk gaf zij nog in 1814 een Dichtstuk op den Moord van Woerden, in 1817 eene te Gend met goud bekroonde Cantate: Gedenkdag der zege van Waterloo, in het licht.
In de Bundels van 1818 en 1819: Wit en Rood en Nieuwe Dichtschakering, leverde de Dichteres menig belangrijk stuk in meer dan één vak; in de eerst genoemde Verzameling (D. I. bl. 145) het schoone lied, Berusting:
En (D. II. bl. 65) de Ralowsburg, met dezen aanhef: