Bleu (Franciscus le) was een Leydenaar, geboren denkelijk omstreeks den jare 1620, en tijdgenoot van Cats en Huygens, aan welke beide hij zijnen na te melden dichtbundel opdroeg, doch nog jongeling toen de eerste reeds een grijsaard was. Zijne gedichten, meest minnezangen, zijn vloeijend en vol spranken van vernuft, hoewel hij niet is vrij te pleiten van die overdragtelijke toespelingen, waartoe de navolgers van Cats zich te veelmalen lieten verleiden, in een' tijd dat men jagt maakte op geestigheden. In het jaar 1642 verscheen te Leyden bij Paedts zijn Minnevlam brandende in 't hert van Thyrsis om de schoone Amaril, alwaar achter gevonden worden Lycktraenen over de dood van de vergoodde Amaril uitgestort, welke de dichter zonderling genoeg aan de ongelyckelijke Cassandra opdraagt, zijne tweede geliefde, met welke hij de eerst verstorvene beweent. In denzelfden bundel, welke
ruim 400 bladzijden beslaat, vindt men ook nog Mengeldichten van Le Bleu. Hoe aangenaam zijne gedichten aan de kenners der Poëzy waren, blijkt uit den herdruk, reeds 17 jaren later noodig gekeurd, Amst. B. Boekholt, 1659. Intusschen komt zelfs deze laatste druk hoogst zeldzaam voor. Dezelve is niet vermeerderd. Of Le Bleu toen nog leefde is onzeker. Na den jare 1642 weten wij niets meer van zijne levensbijzonderheden. Zijn versbouw heeft iets zeer gemakkelijks. Tot proeve van 's mans dichttrant schrijven wij hier af, zijn Verlooren Cupido, een waardig tegenhanger van het Catsiaansche Cupido verloren en uitgeroepen.
en zijn Grafschrift op Phaeton:
R.A. en B.N.