terug  begin  verderprepost

[Willem van Blyenberg Laurensz]

Blyenberg Laurensz (Willem van), bij Scheltema 2 verkeerdelijk Van Bleyenburg genoemd, was een Dortenaar, die in het laatst der zeventiende eeuw bloeide. ‘In 1674, 75, 76 en 77 werd hij (aldaar) tot een der Goede luiden van den achten gekozen. In 1673 was hij Veertig en in 1676 nog Oudemannen en vrouwenmeester en Vader der broodzusters. Dat hij Thesaurier der stad geweest is, blijkt uit de opdragt der aanteekk. op het Evang. van Mattheus van Grotius, vertaald door D. Van Hoogstraten (1685)’ 3. Hij vervaardigde onderscheidene lofdichten op de werken zijner tijdgenooten.

[p. 407]

Ook treft men in het Belgium Gloriosum van Lydius stukken van hem aan. Het volgende: op de Landt-Meetkonst van Mattheus van Nispen kan van zijne dichttrant getuigen.

 
Hoe is Euclidis parel nu
 
Soo gepolijst, in 't goudt beslagen,
 
Als marmer, dat noch vuyl noch ruw,
 
Een gevel siert. Ick schep behagen
 
In soo een tweeden Archimeed,
 
Die Siracusaes oude muyren
 
Laet sloopen, en sijn tijt besteed
 
In diep getrockene Figuyren.
 
En als hem 't aardrijck valt te nau.
 
Sijn geest doet voeren in de Starren,
 
Met Ticho, of dien grooten Blau,
 
Of Ptolomeus, om 't ontwarren
 
De dwael-ligte of den vasten-loop,
 
Van die om Pool of Hemel drayen.
 
Als Bootes, Draeck, of Cassioop,
 
Die onse donck're lught bezayen
 
Met schitter-lighten: als de nacht
 
Met trager loop syn Hemel-kringen,
 
Ter middel-lijn, door-kruypt, dan traght
 
Hy door de Sterre en Lught te dringen.
 
Nu traght hy door de Kunst te doen,
 
Na angstigh blocke, stadig sweeten,
 
Om met dien grooten Stampioen,
 
En Kreyts, en Dry-hoeck, af te meeten.

2Geschied- en Letterkundig Mengelw., D. III, st. 3. bl. 116.
3 Schotel, Kerkelijk Dordrecht, D. II. bl. 197, waar men ook zijne prozaschriften vindt opgegeven.
prepostterug  begin  verder