Het zou overbodig zijn, dit ons derde deel van eene voorrede te doen vergezeld gaan, indien wij het niet van onzen pligt achtten, hier te berigten, dat wij daarbij, behalve van de in de voorberigten der vorige deelen reeds genoemde Heeren, ons met de medewerking van nog twee andere letterkundigen mogten vereerd zien, zijnde de Heeren G. van der Tuuk, te Groningen, en I. van Harderwijk, te Rotterdam; van welke de eerste ons wel eenige artikelen heeft willen toezenden en de andere ons door het bewerken van het berigt nopens den dichter W.C. de Vletter, bijzonder verpligt heeft. Aan beide die Heeren
zij daarvoor, even als aan onze overige medewerkers, voor hunne, ons bij voortduring gebleken, hulpvaardigheid, hartelijk dank gezegd.
Gaarne voldoen wij ook aan een ons, zoo wel mondeling als schriftelijk, gedaan verzoek, door hier een alphabetisch lijstje te laten volgen van de letters, waarmede de stukken onderteekend zijn, met bijvoeging van den naam, welke daardoor aangeduidt wordt:
A.J.L. beteekent A.J. Lesturgeon,
B.D. ... Mr. J.T. Bodel Nijenhuis,
D.C. ... Mr. I. da Costa.
F. ... Mr. H.O. Feith,
G.L. ... G. Lamberts,
H. ... I. van Harderwijk,
J.C.K. ... J.C. Kobus,
L. ... G. Lauts,
R.A. ... Mr. C.P.E. Robidé van der Aa,
S. ... Dr. G.D.J. Schotel,
S.A. ... Mr. C.M.A. Simon van der Aa,
T. ... G. van der Tuuk,
Daar, waar men twee dezer namen vereenigd vindt, is dat artikel uit de door beide die medewerkers toegezonden berigten zamengesteld. Doch niet slechts
voor de door hen geteekende berigten, zijn wij die Heeren onzen dank schuldig, maar vele hunner ook nog daarenboven voor hunne aanmerkingen en teregtwijzingen op de door ons zelve opgestelde en hier ongeteekend voorkomende artikelen. Bij het betuigen van onze erkentlijkheid voor dit een en ander, voegen wij de bede, van ons, wel bij voortduring op onzen letterkundigen arbeid te willen blijven voorlichten.
Gorinchem, Mei 1846.
A.J.van der Aa.